Limburgse mijnwerkers in 1961.

Lessen uit het verleden

De protesterende boer van nu doet denken aan de mijnwerker van toen

Limburgse mijnwerkers in 1961. Beeld HH

De crisis in de agrarische sector lijkt op die van de mijnbouw uit de jaren zestig. Limburgse lessen uit ‘de grootste sanering ooit’ zijn misschien de oplossing voor nu. Les één: zie de feiten onder ogen.

De protesterende boeren op weg naar een provinciehuis of het Malieveld doen Willibrord Rutten voortdurend denken aan de mijnwerkers. Dezelfde tanige gezichten, de grote knuisten. De mijnwerkers zagen zestig jaar geleden langzaam maar zeker óók hun werk verdwijnen. Met hun kolen was niets mis, en net als de boeren hun bintjes en eigenheimers met moderne apparatuur in hoge snelheid van het land roetsjen, oogstten zij met de laatste technieken heel efficiënt het zwarte goud. Daar lag het niet aan. Toch dreigden de mijnsluitingen.

Als er één man is die een vergelijking kan maken tussen de mijnbouwcrisis van toen en de landbouwcrisis nu, dan is het Rutten wel. De historicus is als adjunct-directeur verbonden aan het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg in Maastricht, waar de mijnbouwgeschiedenis een groot onderdeel uitmaakt van het onderzoek. Maar hij promoveerde in de jaren negentig ook op de agrarische geschiedenis aan de toenmalige Landbouwuniversiteit in Wageningen. De mijnbouw en de landbouw zijn bij Rutten in een hand.

In totaal 60.000 medewerkers raakten hun baan kwijt

Net als de huidige veeteelt- en akkerbouwbedrijven en de tuinbouw nu waren de Nederlandse mijnen na de Tweede Wereldoorlog een state of the art, zegt Rutten. Toch werd eind jaren vijftig de concurrentie uit het buitenland te hevig. De opkomst van goedkope olie en gas luidde de definitieve sluiting in. Zo’n 40.000 mijnwerkers dreigden hun baan te verliezen, en nog eens 20.000 werknemers van toeleveranciers. Wat moest er met hen gebeuren?

Voor eenzelfde vraag staat nu de agrarische sector. Hier gaat het om 54.000 bedrijven met zo’n 180.000 werknemers. Met name de grotere gangbare familiebedrijven lijken in de gevarenzone te zitten.

Vooral in de intensieve veeteelt is er net als in de mijnbouw toen sprake van een systeemcrisis. De concurrentie speelt in de agrarische sector een minder grote rol, de winsten zijn dit jaar juist torenhoog. Het is vooral het milieu dat grenzen stelt. De uitstoot van de sterk uitgedijde veestapel is zo enorm, dat de internationaal beschermde natuur wordt overwoekerd. De stikstofneerslag werkt als Pokon: het laat vooral grassen en brandnetels groeien, terwijl zeldzame planten verdwijnen die het juist van arme grond moeten hebben. De hoogste rechter heeft uitgemaakt dat het zo niet langer kan. De uitstoot moet omlaag, en volgens milieudeskundigen kan dit alleen door de veestapel fors in te krimpen. Die zorgt voor immers voor de meeste uitstoot.

De mijn draaiden na de oorlog als een tierelier

Naast overeenkomsten tussen mijnwerkers en boeren zijn er ook verschillen, zegt Rutten. “De crisis in de mijnbouw eind jaren vijftig werd tenminste als probleem erkend: door de directies, de vakbonden én de politiek.” Toenmalig minister van economische zaken Joop den Uyl (PvdA) reisde op 17 december 1965 heldhaftig af naar het centrum van het mijnbouwgebied om in de volgepakte Heerlense schouwburg het podium te beklimmen en persoonlijk zijn ‘masterplan’ te presenteren. De mijnen moesten dicht, maar zo schalde hij door de zaal: “Geen sluitingen zonder redelijk perspectief op ander werk!” Met zijn vinger in de lucht. Hij noemde een groot aantal concrete maatregelen die voor een nieuwe toekomst zouden zorgen. “Maar wat het is masterplan in 2019? Ik zie nog helemaal niets”, zegt Rutten. “De vertegenwoordigers van de agrarische sectoren ontkennen zelfs dat er een probleem is.”

Dat leek er aanvankelijk in de mijnbouw ook niet te zijn, weet Rutten. “Veel mensen beseffen niet dat de Nederlandse mijnen direct na de Tweede Wereldoorlog draaiden als een tierelier. Vóor de oorlog was de concurrentie moordend, maar daarna had Nederland vrij spel. De mijnen in Duitsland, Frankrijk en België waren in de strijd zwaar beschadigd, terwijl de Nederlandse mijnzetels intact bleven.”

De wederopbouw van de Europese (staal)industrie schreeuwde om kolen, terwijl ook de particuliere kachels ermee gestookt werden. En Nederland leverde die. De flitsende start na de oorlog leidde er toe dat Nederland ook technisch voorop liep. In de staatsmijnen Wilhelmina, Emma, Hendrik en Maurits werden kolen gedolven met reusachtige kolenschaafmachines en wandelende hydraulische stutten. Razendsnel werden die afgevoerd via kettingtransporteurs. De kolenproductie per dienst nam daardoor enorm toe.

Ook ontwikkelden de Limburgse mijnen kolenveredeling, waarmee een waarde aan de kolen kon worden toegevoegd waardoor ze elektriciteitscentrales konden voeden. Van gruis werden briketten voor de tram gemaakt en eierkolen voor de huishoudens.

Er ontstond een heuse chemische industrie

Er is nóg een verbinding te maken tussen mijnwerkers en boeren. De mijnwerkers droegen letterlijk bij aan de ontwikkeling van de Nederlandse landbouw. Dankzij bijproducten als kunstmest (al sinds 1929!) kon de chemische divisie van de Staatsmijnen na de oorlog groot geworden, maar kon ook de akkerbouw op de Nederlandse zandgronden floreren. Daar wilde zonder dit nieuwe product niets groeien.

Langzaam maar zeker ontstond er door die kunstmestproductie een heuse chemische industrie, die later DSM zou gaan heten. En er werd al vroeg ‘planmatig’ gewerkt, ook onder de grond. Een noviteit in die periode. Houwers waren in de mijnen schaarser en hadden een opleiding nodig, terwijl slepers eenvoudiger werk deden. De een verdiende daardoor meer dan de ander.

“In alle opzichten was de mijnbouw dus innovatief”, zegt Rutten. “En uitermate lucratief. Mijnwerkers hadden weliswaar een mindere status dan ‘het hoofd der school’ of de huisarts, maar ze verdienden veel meer.” Wel 75 procent meer dan een bouwvakker. “Zij hadden als eerste een zwart-wit-tv, ze reden in een eigen auto, doorgaans een Volkswagen Kever, en hun vrouw droeg een bontjas.”

Daar kwam eind jaren vijftig een einde aan. Vanuit Amerika werden op grote schaal goedkope kolen aangevoerd die uit de dagbouw afkomstig waren: die lagen daar gewoon voor het opscheppen. Toen ook nog de olieproductie in het Midden-Oosten op gang kwam en het Nederlandse gas werd aangeboord, betekende dat het einde van de Nederlandse mijnbouw.

Den Uyl kreeg applaus, geen boegeroep 

“Het grote verschil met de huidige crisis in de landbouw is dat iedereen beséfte dat het met de mijnbouw in die vorm was gedaan”, zegt Rutten. De directie zag dat de chemische tak zwarte cijfers schreef en de kolen rode. “De vakbonden erkenden dat de mijnen alleen nog rendabel konden zijn door goedkope buitenlandse krachten aan te trekken, maar dat wilden ze niet. Limburg zou dan niet langer Limburg zijn. En de politiek pikte dat op. Den Uyl kon dus naar Heerlen afreizen in de wetenschap dat zijn toekomstplan een groot draagvlak genoot.” Hij ontving applaus, in plaats van het boegeroep dat nu te horen is.

Maar dan parkeert Rutten zijn kennis over de mijnbouw weer even om gebruik te maken van zijn ervaringen aan de Landbouwuniversiteit. “Wie denkt dat de agrarische sector nu pas aan hervormingen toe is, heeft het mis”, zegt hij. “Want die zijn al na de Tweede Wereldoorlog begonnen.”

In de landbouw vond grote herstructurering plaats

Sicco Mansholt die na 1958 als Europees commissaris zou uitgroeien tot de architect van het Europees (intensieve) landbouwbeleid, begon na de oorlog als minister van landbouw met de herstructureringen in eigen land. “Er moest een einde komen aan het kwijnende bestaan van kleine boeren, met name op de arme zandgronden, en daarvoor waren schaalvergroting, intensivering en specialisatie nodig. Niet langer mocht een boerenbedrijf na de dood van vader worden verdeeld onder verschillende boerenzonen, één opvolger was genoeg.”

De wijkers moesten maar een andere baan nemen, of verder boeren in Canada of Australië. Dat betekende alleen al voor Limburg dat het aantal boerenbedrijven afnam van 21.000 in 1950 naar 3900 in 2006. De overgebleven bedrijven zijn wel veel groter, dankzij de ruilverkaveling.

“Net als de mijnbouw van toen is de landbouw innovatief, productief en competitief”, legt Rutten uit. “En sterk gericht op de export. Maar er zit nu echt een grens aan de groei. Verdere intensivering en schaalvergroting zijn niet meer aan de orde.” De milieuproblematiek is daarvoor te ernstig, hoeveel tractoren er ook op het Malieveld staan. “Er is een nieuwe sanering nodig. Maar het kabinet durft dat niet hardop te zeggen.”

Minister Schouten moet de feiten onder ogen zien

Kan de huidige minister van landbouw Carola Schouten (ChristenUnie) iets leren van het optreden van Joop den Uyl in de Heerlense schouwburg in 1965? “Jazeker”, zegt Rutten. “Allereerst heeft Den Uyl het probleem destijds niet ontkend, maar erkend. Schouten zou de feiten onder ogen moeten zien. En Den Uyl heeft samenwerking gezocht met alle partners. Dat zou de huidige minister ook kunnen doen. Zoek contact met de Rabobank, met bedrijven als Campina en met de vertegenwoordigers van de boeren, maar ook met nieuwe investeerders, om samen aan een nieuw perspectief te werken.”

Den Uyl creëerde in Zuid-Limburg ‘nieuw werk, nieuw leven en een nieuwe samenleving’, zoals hij zijn toespraak destijds ietwat bezweet eindigde, door de sanering over tien jaar uit te smeren. De mijnen gingen niet in één keer dicht, maar in tien jaar tijd een voor een, waardoor 31 procent van de 40.000 mijnwerkers een zachte landing kon maken door (vervroegd) met pensioen te gaan. Ruim 7 procent vond via interne overplaatsing een baan bij de chemische tak DSM, nog eens 7 procent kwam in de sociale werkvoorziening terecht.

Maar het grootste deel (44 procent) vond gewoon ander werk, vooral in een van de bedrijven die dankzij de inzet van de overheid voor nieuwe werkgelegenheid zorgden. Het Centraal Bureau voor de Statistiek kwam naar Heerlen, net als het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds dat een alternatief bood aan het kantoorpersoneel uit de mijnen.

En voor de ‘werkers met de handen’ werd DAF overgehaald in Born een enorme fabriek voor de Daffodil ‘met het pientere pookje’ neer te zetten. Allemaal als verleidelijke compensatie. Dat heeft de overheid al met al zo’n 8 miljard gulden gekost, maar de werkloosheid bleef in Limburgse mijnstreken rond 1990 steken op 14,3 procent, en daarmee verschilde die niet heel veel met het landelijk gemiddelde van 12,1 procent.

Gangbare familiebedrijven zullen het moeilijk krijgen 

De landbouw heeft eenzelfde masterplan nodig, zegt Rutten. “Ik voorspel dat de komende jaren alleen de grote agrarische bedrijven overleven, mits zij investeren in een emissieloze bedrijfsvoering. En de kleintjes, die biologische kwaliteitsproducten maken. Maar met name de gangbare familiebedrijven zullen het moeilijk krijgen. Die moet je niet dwingen hun bedrijf te beëindigen, maar verleiden en meevoeren naar een nieuwe toekomst. Ik kijk weleens naar ‘Boer zoekt vrouw’, waar doorgaans heel hard en lang wordt gewerkt, dus dat zal niet heel moeilijk zijn. Boeren zijn slimme ondernemers.”

Dat ze te zeer zijn vergroeid met hun eigen land om iets anders te gaan doen, is volgens de historicus een mythe. “Weet je waar de eerste mijnwerkers vandaan kwamen? Het waren oersterke boerenzonen, die maar wat blij waren dat zij hun geploeter konden inruilen voor een afgebakende en goedbetaalde ploegendienst bij de Staatsmijnen. Die waren toen het nieuwe perspectief. Morgen moet er een ander gloren.”

Lees ook: 

Verenigde boeren komen met een eigen stikstofplan

Landbouw Collectief wil minder uitstoot van ammoniak. Maar dat kost geld, een kleine drie miljard euro, én de boeren stellen daarnaast nog wat eisen. Zo mag de veestapel niet worden aangepakt.

Stikstofplan van boeren gaat nog lang niet ver genoeg, vinden milieuorganisaties

In plaats van alleen maar de uitstoot van stikstof aan te pakken, zou de hele landbouw moeten hervormen. Dat stellen milieuorganisaties in reactie op het plan van boerenorganisaties.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden