null

EssayAanraaksamenleving

De onhandige ellebooggroet is geen blijvertje, aanraking zit in het DNA van de samenleving

Beeld Jenna Arts

De aanraaksamenleving is zo diep in ons verankerd dat deze na de corona-epidemie snel weer terugkeert, betoogt­­ journalist en historica Larissa Pans. Aan de hand van heden en verleden laat zij zien waarom. 

Het komt inmiddels nogal onwerkelijk over: Netflixseries waarin mensen elkaar uitbundig op de schouders slaan, filmpjes van deinende massa’s bij festivals. Maar mensen hebben altijd dicht op elkaar geleefd, lichamelijk contact in het sociale verkeer is van alle tijden.

Aanraking was een noodzakelijk kwaad dat tot grote problemen leidde tijdens eerdere epidemieën die over Nederland raasden, toen het nog heel gebruikelijk was om met grote gezinnen in kleine huizen te wonen. Voor bijvoorbeeld zeelieden werd aanraking eveneens als noodzakelijk kwaad gezien: om nette vrouwen tegen hun behoeftes te beschermen was het handiger om prostitutie dan maar te gedogen.

Maar inmiddels wordt het belang van aanraking breed erkend als een basale levensbehoefte, ook voor groepen voor wie dat vroeger niet aan de orde was. Denk aan gevangenen die sinds 2015 ‘bezoek zonder toezicht’ kunnen ontvangen. En voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten is seks- en snoezelzorg inmiddels geen taboe meer.

Gorinchem 1832-1918: gevaarlijke nabijheid

In het door epidemieën geteisterde Gorinchem was social distancing onbegonnen werk.

“Mensen zijn doodziek met hoge koorts en geven schuimend, bloederig sputum op doordat de ziekte direct de longen aantast, een afschuwelijk ziektebeeld”, zo staat de Spaanse griep beschreven in het vorig jaar verschenen De geplaagde stad van Mely van Malenstein, huisarts en medisch historicus.

Op een dag vertelde in haar praktijk een patiënt over de plotselinge dood van zijn grootouders in 1893. Een schippersechtpaar dat waarschijnlijk na het drinken van verontreinigd water uit de Linge besmet was geraakt met cholera en vlak na elkaar gestorven. Zij lieten zes wezen achter, waaronder de moeder van deze patiënt.

“Toen realiseerde ik me pas hoe kort geleden die epidemieën in de stad woedden en hoe ieders leven op zijn kop werd gezet door cholera, pokken of de Spaanse griep”, zegt Van Malenstein. Ze besloot uit te zoeken hoe haar stad Gorinchem omging met de pandemieën van toen. Dat waren er nogal wat. De vier grote cholera­epidemieën tussen 1832-1866, de pokkenepidemie van 1871-72 en de Spaanse griep in 1918: zes epidemieën die in nog geen honderd jaar door de Nederlandse samenleving raasden, gezinnen incompleet maakten en willekeurig slachtoffers uit het leven wegplukten. “Hoe gemakkelijk vergeten we dit en wanen we ons onkwetsbaar”, staat in het voorwoord.

Ten tijde van de Spaanse griep, die in Nederland uiteindelijk 40.000 dodelijke slachtoffers maakte, werd geprobeerd om mensen tegen elkaar te beschermen. In de Verenigde Staten kreeg de bevolking het advies om ‘griepmaskers’ te dragen, die al veel lijken op onze mondkapjes. Daar was toen ook al verzet tegen, in 1918 vond in San Francisco een demonstratie plaats tegen mask-slackers, mondmaskerweigeraars.

Van Malenstein: “Bij ons in Nederland droegen verpleegkundigen in het Amsterdamse Binnengasthuis een onhandig vier lagen dik gasmasker, dat vastzat aan een brilmontuur en er stonden ‘hoestschermen’ tussen de bedden van de Spaanse grieplijders. Maar de rest van de bevolking hoefde geen mondkapjes of griepmaskers te dragen.”

Tijdens de Spaanse griepepidemie droegen mensen al mondmaskers zoals hier in San Francisco in 1919. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
Tijdens de Spaanse griepepidemie droegen mensen al mondmaskers zoals hier in San Francisco in 1919.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

De Spaanse griep leek mild, tot in het najaar van 1918 de verschijnselen een stuk kwaadaardiger werden. Na een hevige, dubbelzijdige longontsteking werden de grieplijders blauw door zuurstofgebrek en overleden in no time. Het stadsbestuur van Gorinchem zag hoe snel de besmettingen opliepen en ging over tot de sluiting van de scholen voor drie weken. Cholera, pokken en de Spaanse griep konden uitbreken als mensen op een kluitje leefden. Tijdens de eerste drie cholera­epidemieën werd met de beschuldigende vinger gewezen naar de walmende vuilnishopen in de straat of het stinkende water in de Kalkhaven. Tijdens de Spaanse griepepidemie moest de bevolking ook ‘opgevoed’ worden met hygiënemaatregelen, zoals het luchten van vertrekken, reinheid door handen te wassen en de keel te gorgelen met zout water.

Ook, zo adviseerde de Centrale Gezondheidsraad in 1918, moesten ‘volksophoopingen’, zoals kermissen gemeden worden, “waar de matigheid ook niet voldoende betracht wordt”. Gezellig, ons Nederlandse sleutelwoord, betekent toch voor de meeste mensen “gezelligheid in een groep”. De kermis ging dus niet door en de schoolpoort bleef gesloten bij de uitbraak van de Spaanse griep, maar zo streng als nu, met avondklok, een-gast-beleid, alle afgelaste evenementen en gesloten horeca was het in de 19de en 20ste eeuw in epidemische perioden zeker niet, vertelt Van Malenstein. “De jaarlijkse koeienmarkt ging gewoon door, evenals kerkdiensten en voetbalwedstrijden, en de plaatselijke schouwburg organiseerde voorstellingen.”

Het probleem was: al zou gemeentebestuur of overheid het willen, de samenleving kon niet op slot. Wie arm was, leefde met vele huisgenoten en soms ook meerdere gezinnen krap behuisd en deelde bedden (en – zoals tijdens de pokkenepidemie – besmet beddengoed). Ze dronken uit dezelfde kroezen, hoestten in elkaars gezicht en gebruikten allemaal hetzelfde ‘gemak’ om hun behoefte in te doen. De mensen die zich wel de luxe van social distancing konden veroorloven en in mooie herenhuizen woonden, liepen veel minder kans besmet te raken. “Dan werd een gegoede dame bijvoorbeeld met pokken besmet via een dienstmeid die in de armere wijken woonde.”

Heden: subtiele communicatie

Elk kind zijn eigen kamer, dat is niet alleen maar winst. Aanraking moet je nu organiseren.

Ook al was het bij de bestrijding van al die epidemieën niet zo handig dat gezinnen hutjemutje leefden, het leverde wel veel gratis lichaamswarmte en -contact op. Dat zegt Marijke Sluyter, coach en auteur van Aanraken, een levensbehoefte en zelf afkomstig uit een groot gezin. ­Grote gezinnen leefden in kleine, koude huizen, baby’s kregen lang borstvoeding en broertjes en zusjes droegen elkaar en sliepen samen in één bed.

De keerzijde van de kleine gezinnen van nu – waarin kinderen hun eigen bed hebben en er vaak maar één broertje of zusje is – is dat er weinig lijfelijke nabijheid is.

Want niet alleen nu in coronatijd, maar door de eeuwen heen hebben we altijd behoefte gehad aan fysiek contact, intimiteit en groepsgezelligheid. Dat geldt voor groot en klein. Kinderen die niet of nauwelijks aangeraakt worden, groeien slechter, zijn vaker ziek, leren slechter, hebben weinig lichaamsbesef, zijn minder sociaal en kennen hun grenzen niet. En als volwassene hebben ze meer moeite met intimiteit. “Via de huid voeren wij een uiterst subtiele vorm van communicatie.”

Sluyter, voormalig kleuterleidster en schooldirecteur, bedacht een aanraakspel voor kinderen en pleit al jarenlang voor baby- en kindermassage. Want: “Kinderen die elkaar masseren, slaan elkaar niet.” Kinderen leren zo om te gaan met aanraking en met het stimuleren van de huid. Ze legt in haar boek uit dat een kind zich de wereld toe-eigent door ernaar te grijpen. Daarom is lijfelijk ervaren zo belangrijk, want het lichaam is het punt waar gevoel en verstand samenkomen. Bij aanraking van de huid komt het hormoon oxytocine vrij, dat een gevoel van welbehagen veroorzaakt: in de woorden van Sluyter het “hormonale cement waarmee we ons met elkaar verbinden”.

Amsterdam, toen en nu: gezonde behoeften

Zeevarenden die na lange tijd weer aan wal kwamen, hadden lichamelijke nood en die moest gelenigd worden.

Praat Marijke Sluyter op een eigentijdsere manier over het belang van aanraking, bij zeelieden ging het door de eeuwen heen meer over hun ‘gezonde behoeften’. Die werden als vanzelfsprekend gezien na een tijd op zee te hebben verkeerd. Prostituees waren bij uitstek geschikt om die nood te lenigen. In Liefde te koop, vier eeuwen prostitutie in Amsterdam schrijven auteurs Annemarie de Wildt en Paul Arnoldussen dat hoererij door stadsbesturen werd gezien als ‘een noodzakelijk kwaad’, maar dat het hen nooit lukte om het uit te roeien.

Schrijver Bernard Mandeville bezocht rond 1700 Amsterdam en zag dat de prostitutie er welig tierde. Waar zes- tot zevenduizend matrozen tegelijkertijd aankomen, zoals in Amsterdam vaak het geval is, mannen die maandenlang alleen in het gezelschap van mannen verkeerd hebben, hoe zouden eerlijke vrouwen over straat kunnen gaan zonder aangerand te worden als er niet tegen een redelijke prijs hoeren te krijgen waren? Om goedkeurend te constateren: Dat is de reden dat de wijze bestuurders van deze welgeordende stad altijd een aantal huizen toestaan.

Tot 2001 hoefden zeelieden soms zelfs niet eens van boord als ze vleselijk genot zochten. Want als een groot schip een haven in het buitenland binnenvoer, cirkelden er vaak al bootjes met prostituees omheen op zoek naar klandizie. Dat mag sinds de aanslagen op de Twin Towers in 2001 en de dreiging van het terrorisme niet meer: toen is voor schepen de ISPS-code (de International Ship & Port facility Security) in werking getreden, een internationaal beveiligingsvoorschrift dat inhoudt dat er geen ‘vreemde’ mensen meer aan boord mogen komen. Dus zal de zeeman die aan zijn trekken wil komen toch maar weer op zoek moeten naar een peeskamertje of motel in het plaatselijke Red Light District.

Heden: een basale behoefte

Iedereen heeft behoefte aan aanraking. Typerend voor die eigentijdse opvatting is de zogeheten snoezelzorg voor mensen met een beperking.

Betaalde seks komt tegenwoordig in velerlei gedaanten, juist vanuit de brede erkenning van het belang van aanraking. Al krijgt Monique Bijkerk nog weleens denigrerend de vraag of ze een ‘madam’ is. “Nee, dat ben ik niet. Ik bemiddel tussen mijn cliënten en seksverzorgenden: dat zijn medewerkers met een zorgachtergrond.”

Bijkerk richtte drie jaar geleden Stichting Snoezelzorg op, een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking, of een psychiatrische achtergrond. Werden de noden van zeelieden die tijdelijk geen toegang hadden tot de aanraaksamenleving al eeuwen geleden breed erkend, de doelgroep van Bijkerk moest daar langer op wachten. Dat zij intieme omgang met anderen hadden, en dat er oog was voor hun lichamelijke behoeftes, was tot vrij recent niet vanzelfsprekend. De afgelopen decennia is dat al beter geworden, al is er nog altijd geen brede erkenning voor deze zorg. Bijkerk: “Er is nog een lange weg te gaan, want dit soort intieme zorg staat nog in de kinderschoenen.”

null Beeld DPA
Beeld DPA

Maar de opkomst van de snoezel- en sekszorg laten zien hoezeer de samenleving van de 21ste eeuw doordrongen is geraakt van het belang van aanraking. Volgens Bijkerk is aanraking en intimiteit ‘absoluut een universele behoefte’. “De coronatijd is voor ons al lastig, kun je nagaan hoe het is voor mensen met een verstandelijke beperking. Voor hen is het helemaal moeilijk te rijmen dat je geen knuffel mag geven. Voor veel van mijn cliënten is dit een vreselijke, eenzame tijd.”

Het draait lang niet altijd om coïtus, benadrukt ze. “Het gaat hen om aanraking, wat zorgt voor een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Op het moment dat aan die behoefte tot lichamelijk contact en intimiteit niet voldaan kan worden, kan het bij sommigen leiden tot grensoverschrijdend gedrag of tot depressiviteit.”

Haar bemiddeling gaat door in coronatijd, want die valt – misschien typerend voor hoe we vandaag de dag tegen het belang van aanraking aankijken – onder medische zorg. Heel romantisch klinkt het eerlijk gezegd niet, coronabestendige intimiteit: “Beiden moeten tijdens de ontmoeting een mondkapje dragen. Vooraf moet de cliënt de ruimte goed schoonmaken, achteraf doet de seksverzorgende dat. Het belangrijkste is dat we zo toch tegemoet kunnen komen aan de intieme zorgbehoefte.”

Toekomst: terug naar normaal

De aanraaksamenleving is diep in ons verankerd, en komt weer terug.

Anno 2021 zijn we gegijzeld door het coronavirus. Onze dierbare aanraaksamenleving heeft het afgelegd tegen Covid-19 en is tijdelijk ingeruild voor de anderhalvemetermaatschappij. Dat wat vanzelfsprekend was, dat wat we misschien bijna achteloos deden, is nu omgeven met ge- en verboden en kan zelfs een gevoel van zonde en schaamte oproepen. Wááát, geef jij je ouders een knuffel als begroeting?! Níet waar, organiseer jij een verjaardagsfeestje met zes mensen waarop ook nog gedanst kan worden? Wat zit je haar verdacht goed, stiekem naar de kapper geweest?

Alle contact-etiquette is ook anders. De Hollandse drie zoenen-begroeting en de wat stijve handdruk zijn vervangen door coronaproof-alternatieven, zoals het knikje en de gevouwen handen-begroeting. We kunnen niet met elkaar dansen, zingen, eten, sporten en muziek maken. Geen onbekommerde uitgelatenheid in voetbalstadion, buurtkroeg of feestje. Geen gulzige seks na een broeierige avond in de kroeg, geen fijne massage in de sauna. Een zeurderig, schrijnend gevoel van gemis bekruipt velen van ons na al bijna een jaar van ‘sociale en/of lichamelijke onthouding’.

Een kleine opsteker: als deze rondgang in vroegere eeuwen en in deze tijd één ding duidelijk maakt is het wel dat de aanraaksamenleving diep in ons verankerd is. Ze zal terugkomen als deze epidemie eenmaal onder controle is. Lichamelijk contact en intimiteit zijn geen luxegoederen, maar vertegenwoordigen een universele behoefte. De after-coronamens zal later, als het voorbij is, hartelijk lachen om onze malle anderhalvemetersamenleving met desinfecterende handgel en die onhandige elleboog-shake als begroeting.

Larissa Pans (1976) is journalist en historica en schrijft voor verschillende kranten en tijdschriften. Zij is auteur van: Onbeperkt vruchtbaar (2018) en Oorlogsgesprekken (2020).

Lees ook:

Een jaar zonder knuffel, hoe hou je dat vol?

 Bijna een jaar lang moeten velen het nu zonder knuffel en omhelzing doen, of krijgen zij hooguit een vluchtige aanraking­­. Zo’n lange tijd op afstand, hoe is dat?

Waarom aanraking zo belangrijk is (én eng)

Wat betekent het dat we elkaar in deze crisistijd niet kunnen aanraken, vraagt het filosofisch elftal zich af. ‘Zintuigen zijn kennisinstrumenten. En nu krijgen we maar een deel van de mogelijke kennis binnen.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden