Mensje van Keulen

De Nationale Voorleeslunch: Altijd wat

null Beeld Suzan Hijink
Beeld Suzan Hijink

De vriendinnen Annie en Louise zijn uit elkaar gegroeid na de dood van Annies man. Ze gaan samen een weekendje weg. Mensje van Keulen schreef een verhaal voor de Nationale Voorleeslunch, die vandaag voor de negende keer plaatsvindt. Lees of beluister het verhaal hieronder.

Mensje van Keulen

Annie en Louise waren jarenlang bevriend. Niets mocht hun vriendschap ooit beschamen en nooit zouden ze elkaar in de steek laten, wat er ook gebeurde. Maar sinds de begrafenis van André, Annies man, leek Annie die woorden te zijn vergeten. Ze kwam niet langer spontaan bij Louise langs en als er een afspraak was gemaakt, wist ze doorgaans op het laatste moment een smoes te verzinnen om die niet door te laten gaan. De enkele keer dat het er wel van kwam, toonde ze zich ongeïnteresseerd en leek ze haar humor en hartelijkheid te hebben ingeruild voor snibbigheid.

Louise, zelf drie jaar en vier maanden weduwe, maakte zich zorgen. Wat mankeerde haar vriendin? Was ze ziek? Kwam het door de rouw om André? Op een middag zocht ze Annie onverwacht op, maar ze wist haar, ondanks een doosje met Annies favoriete chocoladetruffels, niet over te halen naar een hotel aan de kust te gaan waar ze vroeger graag kwamen. Ze was dan ook verrast toen Annie nog diezelfde avond opbelde om te zeggen dat het een goed idee was er samen op uit te gaan, zij het elk op een eigen kamer en midden in de week, zodat er geen dagjesmensen rondhingen.

En zo zaten ze begin maart in een strandpaviljoen aan de koffie, omdat het nog te vroeg was om in te checken. Louise had net haar bril opgezet om te kijken naar de meeuwen en de strandlopertjes, die zo snel voor de branding heen en weer renden dat je hun dunne pootjes nauwelijks kon onderscheiden, toen Annie zei: ‘Die vlieg. Moet je kijken wat hij doet.’

Louise keek over haar bril heen en zei: ‘Hij loopt op de tafel.’

‘Ik zit er nou al een paar minuten naar te kijken en hij doet niks anders dan heen en weer lopen, even op de menukaart en dan weer op de tafel. Wat is dat nou voor leven.’

‘Misschien is er iets gemorst wat hij lekker vindt.’

Annie liet haar hand over de tafel kruipen en de vlieg vloog weg om een paar tellen later opnieuw bij de menukaart te landen.

‘Daar is hij weer en doet precies hetzelfde. Net als ik. Ik sta ’s morgens op, loop wat rond in huis, zit, eet, loop, zit, eet, loop, ga ’s avonds weer naar bed. En ondertussen pieker ik.’

‘Je bent nog in de rouw, lieverd. Het is niet verwonderlijk dat je piekert.’

‘Je bedoelt dat jij daar alles van weet omdat jouw Niek al drie jaar dood is en ik pas sinds december geen man meer heb.’

Louise slikte en keek weer naar buiten. Aan de horizon werd het donkerder, waardoor de zee, nog in het zonlicht, zilver kleurde.

‘Het is goed dat je er even uit bent,’ zei ze. ‘Zo dadelijk gaan we naar het hotel en daarna rijden we naar een mooi plekje in de duinen, wandelen wat voor zover dat lukt met je knie, en verheugen ons op het diner.’

‘Ik lust de laatste tijd niet veel.’

‘Je at die appelpunt anders helemaal op.’

‘Gedachteloos. Ik doe erg veel gedachteloos. Ik heb die taart niet eens geproefd, ik merkte alleen dat hij te koud was. Natuurlijk te laat uit de diepvries gehaald. Ik herken deze zaak trouwens niet.’

‘Klopt, ja, hij is nieuw. De duinen kalfden zodanig af dat het niet lang zou duren of die oude tent zou omlaag zijn gestort.’

Annie keek demonstratief om zich heen. ‘Het is er niet op vooruitgegaan. Rare planten, harde muziek, gekke dingen op de kaart als pompoenbitterbal.’

‘Laten we maar gaan,’ zei Louise. ‘De kamers zijn meestal al voor drie uur beschikbaar. Ik reken even af.’

Terwijl ze bij de kassa stond, zag ze hoe Annie iets uit haar tas haalde en de tas weer dichtritste. Hierna liep ze zonder op haar te wachten naar het parkeerterrein. Wat bezielde haar vriendin toch? Op de heenweg was ze al begonnen te klagen. Over de lelijke lantaarns in haar straat, haar pijnlijke rechterknie, het niet kunnen slapen, de kinderen van de buren die slakken in haar tuin hadden gegooid. En nu dit, niet wachten, niks zeggen, gewoon weglopen.

Louise hield zich in. Zodra ze waren ingestapt, zei ze zo luchtig mogelijk: ‘Op naar het hotel.’

Ze draaide de auto achteruit en toen ze daarbij opzij keek, zag ze dat Annie haar handen op haar schoot had gelegd, de vingers van de linkerhand gespreid, waardoor goed te zien viel dat Andrés trouwring om haar duim prijkte.

‘Je hebt Andrés trouwring om.’

‘Inderdaad. Het lijkt wel of je daarvan schrikt. Ik was van plan hem naast mijn eigen ring te dragen, alleen moest er dan een stukje uit gezaagd worden en dat wil ik André niet aandoen.’

‘Om je duim, Annie…’

‘Ja, waarom niet. En waarom heb jij die van Niek eigenlijk niet om? Je draagt die van jezelf niet eens meer. Gaf je wel om Niek? Ik heb me dat vaker afgevraagd. Ik heb zelfs gedacht dat je iets met een ander had. Maar dat zou je me verteld hebben, niet?’

‘Annie, wat haal je je in je hoofd?’

‘Ik heb ook gedacht dat André achter mijn rug om een verhouding had. Daar pieker ik steeds over. Vanmorgen nog. Dat schilderij in mijn slaapkamer dat tegenover mijn bed hangt. Het was reuze rustgevend, maar nu krijg ik er de zenuwen van, want veronderstel dat André er met een andere vrouw naar heeft liggen kijken. Hij was míjn man, bijna vijfenveertig jaar was hij míjn man.’

‘Dat weet ik toch, Annie.’

‘Dat schilderij moet de deur uit. Wil jij het soms hebben?’

‘Nou… Ik probeer juist een beetje op te ruimen. Ach, kijk eens naar die poel, daar staan een paar lepelaars, geweldig!’

‘De eerste spatjes,’ zei Annie. ‘Ik was er al bang voor. Vroeger, als ik in bed lag en ik hoorde de regen in de goot, stelde ik me voor dat we bij een beekje lagen, maar nu André er niet meer is, denk ik dat de goot wel weer verstopt zal raken door duivenpoep en andere rommel.’

‘Aan de kust kan het snel weer droog zijn,’ zei Louise.

‘Het regent te vaak en te veel en het is ook te vaak droog en te warm.’

‘Kijk naar de bermen, Annie. Fluitenkruid, margrieten, en al die klaprozen, zoveel klaprozen zijn er in jaren niet geweest, de bloemen hebben er zin in.’

‘Welnee, de aarde gaat eraan. Wat een zegen, iedereen opgehoepeld, eindelijk rust.’ En in één adem door: ‘Ik krijg hoofdpijn. Wandelen zit er voor mij niet in. Ik moet rusten voor het erger wordt. Jij vermaakt je wel zonder mij.’

‘Wil je een paracetamol?’

‘Die helpen niet bij dit soort hoofdpijn. Je moet de ruitenwissers aanzetten.’

De ruitenwissers deden een uithaal en herhaalden dit in de laatste paar kilometer nog twee keer.

‘Ik draag je koffer wel naar boven,’ zei Louise, nadat ze hadden ingecheckt en de pasjes hadden gekregen voor hun volgens de receptioniste ‘connecting rooms’.

‘Graag, ja. Die meid van de receptie deed of ze ons herkende. Ik geloof er niks van. En waarom moet tegenwoordig van alles in het Engels.’

Louise vroeg of Annie kamer drie of vier wilde. Al waren de kamers identiek, misschien wilde ze eerst even kijken?

‘Drie is geen geluksnummer voor mij,’ zei Annie, ‘dus vier.’

‘Hoe laat zal ik je roepen?’

‘Ik wil vroeg eten, want ik wil bijtijds naar bed. Als ik niet in mijn eigen bed lig, is het nog lastiger om in slaap te vallen.’

‘Tegen zes uur?’

‘Zoiets. En dan zie ik wel hoe het is en of ik trek heb.’

‘Sterkte,’ zei Louise.

Bedrukt reed ze even later naar een dichtbijgelegen duingebied. Ze maakte een wandeling van vier kilometer, aangegeven met blauwe pijltjes. Af en toe stond ze stil om uit te kijken over het landschap en diep adem te halen. Weer terug in het hotel las ze aan de leestafel in de brasserie een achtergelaten ochtendkrant en een lokaal krantje. Een bewoner, onlangs honderdvier geworden, werd herdacht. Een brouwerij had een prijs gewonnen met een bier dat anderhalf procent alcohol bevatte. Een bon voor een kop koffie met friandise bij aankoop van minimaal vijftig euro in een kledingboetiek.

Met ingehouden adem klopte ze om tien over zes op de deur die hun kamers verbond.

‘Ik zat al op je te wachten,’ riep Annie. ‘Ik kom eraan.’

Ze zag pips. Het leek wel of haar rimpels dieper waren en haar mondhoeken meer hingen. Andrés trouwring glom niet langer om haar duim. Ze wilde alleen een omelet met wat brood. De bediende, een knappe jongen met zuidelijk uiterlijk, zei dat een omelet voor de lunch was bedoeld. Toen Louise vriendelijk zei dat ze ook een omelet wilde plus frites en een salade, nam hij de bestelling op.

Annie zei geen woord. Ze at traag, stal af en toe een frietje en doopte dat dik in de mayonaise.

‘Altijd wat met mij, hè, de laatste tijd,’ zei ze opeens nadat ze de laatste hap van haar omelet had genomen. ‘Maar daar heb ik zo mijn reden voor.’

‘Wat is die reden dan toch, Annie? Ik ken je gewoon niet meer.’

‘Kan ik niet zeggen.’

‘Ben je ziek?’

‘Ziek? Ja, misschien ben ik wel ziek. Daarom ga ik nu maar weer naar boven. Tot morgenochtend.’ En met deze woorden liet ze haar oude vriendin alleen.

Louise nam, meer om de bediende niet teleur te stellen, een dessert van drie bolletjes sorbetijs zonder er veel van te proeven en zocht ook haar kamer op. Ze keek uit over het dorpsplein. Regen was er niet gevallen, de avond was helder en stil. Ze sloot de gordijnen en keek televisie, zonder dat iets tot haar doordrong. Om kwart over negen deed ze het licht uit om enkele uren later wakker te worden van een baan licht die over haar heen viel. In de deuropening stond Annie in haar nachthemd, bedrukt met blauwe visjes.

‘Wil je de reden weten?’ zei ze met een snik. ‘Dat ben jij. Ik denk dat jij iets met André had.’

‘Annie, hoe kom je erbij? Kom hier, kom op mijn bed zitten.’

Ze kwam, voetje voor voetje. Met afgewend gezicht begon ze: ‘Toen André al half in coma lag, zei hij een paar woorden. Hij was slecht te verstaan, maar ik verstond jouw naam en het klonk zo… zo liefdevol… Ik was al heel lang bang dat hij verliefd was op een ander, maar heb daarbij nooit aan jou gedacht. Toen begreep ik dus dat jij het was. Jij die hebt gestudeerd, lekker kan koken, slank is gebleven, met een computer kan omgaan, ik heb niet eens een rijbewijs… Wat heb ik al die jaren eigenlijk betekend?’

‘O, Annie.’ Louise begon nu ook te huilen. ‘Hij was dol op je, hoe kon je nou toch denken dat hij en ik…? Misschien had hij het over je kleindochter of jullie vroegere hond, ach nee, hij bedoelde natuurlijk jou! Hij kon niet goed meer praten, hij sliste ook altijd een beetje. Wat doe je jezelf aan? Al dat verdriet om iets wat nooit heeft bestaan… Ik zou je van mijn leven niet bedriegen, nooit!’

Ze trok haar vriendin naar zich toe, voelde hoe ze kalmeerde. Terwijl ze haar over haar dunne haar aaide dacht ze aan André en aan de liefde en hun bedrog jaren geleden. Het had niet lang geduurd, ze hadden besloten dat het niet kon, niet mocht om de anderen, maar elke keer als ze elkaars blik vingen, deelden ze die herinnering. Ook nu voelde Louise haar hart bonken. Om de herinnering, om haar eigen man, om de vriendin die ze nooit in de steek had willen laten.

‘Lekker, dat aaien,’ zei Annie. ‘Maar straks aai je me kaal.’

Ze schoten in de lach.

Louise zei: ‘In het bureau zit een ijskastje verstopt. Er ligt zo’n miniflesje wijn in. We halen de plastic bekertjes uit de badkamer om te proosten, want wij zijn er nog, kom op, we maken er nog wat van.’

Mensje van Keulen leest haar verhaal zelf ook voor op vrijdag 1 oktober, om 13.15 uur bij Omroep MAX op NPO1. Naast vele onbekende Nederlanders, burgemeesters, en vrijwilligers lezen er ook een aantal bekendere Nederlanders voor die dag. O.a. Martine van Os, Renze Klamer, Hedy D’Ancona, Sergio V​yent en Francis van Broekhuizen.

Lees ook: Lees hier het verhaal van Kees van Kooten voor de Nationale Voorleeslunch: Een rooie brandweerauto

Hank en Cato leven nu 144 dagen gescheiden en grosso modo gaat dat best goed. Op de bank fantaseren ze over het voorlezen aan zoon Fabian en dan onthult Hank een geheim. Kees van Kooten schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch die vandaag voor de achtste keer plaatsvindt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden