Naschrift Maarten Peters

De hulp die Maarten Peters (1963-2019) wenste, bleef uit

Maarten Peters met zijn twee kinderen

Dichter Maarten Peters was altijd openhartig over zijn psychiatrische aandoening. Op donkere dagen was hij op oorlogspad en vocht hij met zichzelf. Maar hij kon ook juist enthousiast en levenslustig zijn.

Onlangs kreeg dichter Maarten Peters van de eigenaar van de Utrechtse galerie Morren, waar hij veel kwam en huisdichter was, een kunstwerk. Het was een beeldje van een ijsbeer: een extreem knuffelbaar en tegelijk gevaarlijk dier. Net als Maarten. Ook hij was ontwapenend charmant, maar je moest niet te dichtbij komen. Hij was een koning in aantrekken en afstoten. In zijn sombere perioden was hij op ‘oorlogspad’: zo omschreef hij die dagen waarop hij in gevecht was met zichzelf en de wereld om hem heen. Dan zat zijn creatieve, zachtaardige kant diep weggestopt, was hij even geen levenskunstenaar, maar eerder een zogeheten ‘verwarde man’.

Maarten trad als psychiatrisch patiënt geregeld op bij bijeenkomsten van bestuurders in de geestelijke gezondheidszorg. Hij wilde duidelijk maken om wie het echt zou moeten draaien in de ggz: de patiënt. Hij genoot als hij op het podium stond in kleurrijke kleding en met grote oorbel: “Ik ben dus zo iemand over wie jullie vergaderen vandaag. Ik wil dood. Maar ik ben ook vader en dichter. Kan iemand mij helpen, want dat wil ik graag. Geholpen worden.” Hij maakte steeds weer diepe indruk.

Maarten Peters tijdens een lezing

Maar de hulp die hij wenste, bleef uit. Vaak kreeg hij te veel vrijheid tijdens de behandelingen waardoor hij niet de juiste behandeling kreeg. Ook kon hij lullen als Brugman, waardoor behandelaars een vertekend beeld van hem kregen. Dan waren er nog de ellenlange wachtlijsten, ontbrekende handtekeningen op formulieren, afspraken die werden afgezegd en langs elkaar heen werkende zorgverleners, die ervoor zorgden dat hij van de regen in de drup raakte.

Alsof het nog oorlog was

Maartens wieg stond in 1963 in de Utrechtse Schepenbuurt, waar hij met zijn twee zussen opgroeide in een warm gezin. Alle vakanties brachten ze door bij het Henschotermeer, waar ze een caravan hadden en hij graag soldaatje speelde. Zijn vader, een goeiige Brabander, was boekhouder en zijn moeder werkte als verpleegster in het Militair Hospitaal. Zij was van Indische afkomst en torste een oorlogsverleden met zich mee door haar ervaringen in een jappenkamp. Dit trauma was voelbaar in het gezin, maar er werd met geen woord over gesproken. Vlak om de hoek woonden zijn opa en oma. Opa was zijn held, zijn rolmodel. Met deze militaristische oud-Knil-soldaat, ook met een kampverleden, trok hij het meest op. Zijn opa bekeek het leven met een blik alsof het nog oorlog was en bracht dit beeld over op de gevoelige jongen.

In zijn puberteit had Maarten niet veel vrienden. Na de mavo ging hij naar de schildersvakschool en was ook daar een einzelgänger. Hoewel aangetrokken tot de punkbeweging vervulde hij zijn dienstplicht met trots. Hij genoot, voelde zich een echte militair; het maakte voor hem deel uit van het oorlogsverleden van zijn familie. Daarna stortte hij zich in de krakersscene en voelde zich thuis in die antipolitieke sfeer. Als punker ging hij drummen bij de punkband Noxious. In die tijd leerde hij Sacha kennen. Ze gingen samenwonen.

Maarten en Sacha in de jaren 80

Sacha was rustig, veilig, zorgzaam en stabiel. Tot aan zijn dood was zij de veilige haven waar hij altijd naar zou terugkeren. Tijdens de eerste jaren van hun samenzijn, was Sacha na de kunstacademie serieus aan het werk als vormgever en liever thuis. Maar Maarten dook na zijn werkdag als huisschilder in het bruisende nachtleven vol housemuziek, drugs en vrouwen. Hij bleef spanning zoeken.

Veel leed in het prille gezin

Als dertigers besloten de twee een volwassener leven te gaan leiden. Ze betrokken een huis in de binnenstad, Maarten richtte zijn eigen schildersbedrijf op en in 1996 werd hun dochter Nina Lora geboren. Dat hij kort na haar geboorte zijn eerste psychose kreeg, hadden beiden niet door. Wel viel op dat Maarten erg onrustig was en toen de klachten verergerden, kreeg hij medicatie. Dat mocht niemand weten. Hij hield de psychotische episodes voor zich, etaleerde liever de mooie kant van zijn leven.

Na de komst van zoon Max hield Sacha in haar eentje de boel draaiende, maar daar had Maarten weinig oog voor. Hij kon niet wennen aan het bedaarde leven als ouder en bleef houseparty’s bezoeken. De combinatie van medicijnen, alcohol en drugs zorgde voor veel leed in hun prille gezin. De twee gingen scheiden toen de kinderen 3 en 6 waren.

Het wegvallen van de druk van het vaderschap maakte hem iets kalmer en als Maarten in goeden doen was, haalde hij de kinderen op in het weekend. Dan gingen ze bij opa en oma op bezoek of Indisch eten bij Toko Mitra. Met Max ging hij weleens longboarden. Maar het kwam ook voor dat Sacha zag dat hij niet in orde was en hij onverrichter zake naar huis ­terugkeerde. Tegen de kinderen zei ze dan: “Papa is in de war”.

Wrang en bijzonder

Hoewel Maarten veel waarde hechtte aan zijn vaderschap en er vaak over sprak en dichtte, kon hij het in de praktijk moeilijk waarmaken. Soms schoot hij daarin zo door, dat hij een torenhoge stapel cadeaus voor de deur zette met Kerst of hun verjaardagen, wat schril afstak tegen zijn onvermogen tot aandacht en zorg in de rest van het jaar. Wrang en bijzonder was het dat Max in 2015 de Utrechtse Fotodok Award won met een fotoserie over zijn vader in de psychiatrie.

Maarten had zijn bedrijf toen allang opgegeven, en was een tijdje assistent beeldende vormgeving op een school. Verder bracht hij zijn dagen door in de stad of bij zijn vriendin van dat moment, meestal iemand die hij in de kliniek had ontmoet. Hij zag zichzelf als redder, wist goed hoe hij de ander blij kon maken.

Die betrokkenheid kwam goed tot zijn recht als lid van de vrijmetselarij. Met zijn pure enthousiasme en bevlogenheid voelde hij zich erg betrokken bij dat broederschap, dat aanvoelde als familie. Hij gedroeg zich als de rebel, de bon vivant en vond het fijn dat hij er zichzelf kon zijn. Hij hield van de rituelen, die hij met militaire precisie begeleidde en die daardoor inhoudelijk extra diepgang kregen. Zijn dichterschap en liefde voor taal kwamen goed van pas. Twee jaar was hij voorzitter, iets wat hem erkenning, maar ook de nodige stress gaf.

‘Therapieën houden mij in leven’

Inmiddels bezat hij een aardige lijst aan ­diagnoses, die hij niet onder stoelen of banken stak: een bipolaire stoornis, borderline, psychoses. Oprechte openheid vond hij belangrijk, zo ‘lulden mensen tenminste met hem en niet over hem’, zei hij.

Zijn eerste klinische opname was op de dag dat zijn dochter haar diploma-uitreiking had. Tijdens zo’n opname ontdekte hij hoeveel baat hij had bij structuur, een vast programma en een goede maaltijd. Binnen een dag of vier was hij onherkenbaar opgeknapt. Dan keerde zijn levenslust terug en nu zou hij het echt anders gaan doen. “Therapieën houden mij in leven”, zei hij.

Tijdens stabiele perioden trad hij op als dichter en droeg voor uit eigen werk. Of was te vinden bij galerie Morren waar hij eindeloos ­filosofeerde over de kunstwerken. Soms kwamen zijn problemen in zo’n gesprek naar voren, maar vaker hadden mensen niet door wat er allemaal in hem omging. Zijn charmante, intelligente welbespraaktheid verbloemde veel. Zijn ware gevoelens vertrouwde hij alleen toe aan papier: ‘Striemend gedrag – de dood op de hielen, mijn leven als vader en borderliner’ heet zijn dichtbundel. En op zijn blog publiceerde hij honderden gedichten:

‘Was dit t nu? Dat wat je leven noemt
was t een test of neem je me in de maling
je meent toch niet echt
dat dit, dat was en ik erbij stond.’

Flirt met de duisternis

Het laatste jaar overheersten zwarte perioden; zijn flirt met de duisternis was een innige relatie geworden. Ambulante hulp voldeed niet meer. Sacha, nog altijd zeer betrokken, en zijn inmiddels jongvolwassen kinderen smeekten de behandelaars meermaals om opname op een gesloten afdeling, uit veiligheid voor hemzelf en voor anderen. Op een zeker moment moest de politie eraan te pas komen om Maarten tot rust te manen. Toch bleef vanwege allerlei bureaucratische problemen die opname uit en zakte hij weg. Intussen zocht hij contact met de Levenseindekliniek. Zijn wanhoop groeide als weer een afspraak werd afgezegd of opname niet doorging. Maarten overleefde zijn geestesziekte niet.

Maarten Peters werd geboren op 17 september 1963 in Utrecht. Hij stierf in diezelfde stad op 2 oktober 2019. Praten over denken aan zelfdoding helpt en is mogelijk via de landelijke hulplijn: www.113.nl of 0900-0113.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden