Jan Konst (1963) is literatuurwetenschapper en hoogleraar Nederlandse literatuur aan de Freie Universität Berlin. Hij woont en werkt al meer dan twintig jaar in Berlijn.

InterviewJan Konst

‘De bevrijding ging wel met een gemis aan gemeenschapszin en betekenisgeving gepaard’

Jan Konst (1963) is literatuurwetenschapper en hoogleraar Nederlandse literatuur aan de Freie Universität Berlin. Hij woont en werkt al meer dan twintig jaar in Berlijn.Beeld Martijn Gijsbertsen

Vijftigers van nu, geboren rond 1965, hebben opvallend vaak dezelfde opvattingen: ze willen zelf beslissen, eigen morele oordelen vellen, niet onderworpen zijn aan gezag van anderen. Bevrijdend? Zeker, al hangt er wel een prijskaartje aan die ik-mentaliteit, ontdekte schrijver en hoogleraar in Berlijn Jan Konst.

Gerrit-Jan KleinJan

Een herfstbui valt met bakken uit de hemel als de gedachten van Jan Konst veertig jaar teruggaan in de tijd. Hij zit in een koffietentje in de Utrechtse wijk Lombok, pal tegenover de Antonius van Paduakerk. Konst zet een bril op zijn neus om de stortregen beter te bekijken. Terwijl hij zijn blik op de druppels richt, begint hij te vertellen over het beeldbepalende gebouw waarvan de klokkentoren ver boven de wijk uitsteekt.

Konst: “Toen ik begin jaren tachtig in de schaduw van die kerktoren een studentenkamer betrok, kreeg ik als gedoopt katholiek nog een brief van het parochiehoofd: ook ik was welkom om de heilige mis bij te wonen.” Het mocht niet baten. “Niks mee gedaan.”

Hij bleek niet de enige voor wie het oude verhaal geen kracht meer bezat. Met hem lieten leeftijdsgenoten massaal het geloof versloffen. Inmiddels roepen de klokken van de Paduakerk al enige tijd geen kerkgangers meer op. Het bedehuis is ‘onttrokken aan de eredienst’, zoals dat heet.

Zijn verhaal is dat van talloze leeftijdsgenoten

Jan Konst (Utrecht, 1963) haalt het verhaal ook op in zijn nieuwe boek Na de revolutie. Kind van de jaren zeventig. Konst, die van huis uit neerlandicus is (zie kader), stelt daarin in zijn jeugdjaren centraal.

Het boek verweeft zijn eigen biografie met die van de belangrijkste historische en sociologische ontwikkelingen in jaren zestig, zeventig en tachtig. Hij blijkt een vaardig schrijver, die de grote lijnen naadloos laat overgaan in de petite histoire van het eigen leven, steevast gekruid met treffende beelden. Het is, met andere woorden, het grote verhaal van ontzuiling, secularisering en individualisering teruggebracht tot de proporties van één familie en in het bijzonder één persoon: de schrijver zelf.

Zijn persoonlijke verhaal is, zo stelt Konst, óók het verhaal van talloze leeftijdsgenoten. De eigen ervaringen, merkt hij in de loop van zijn boek op, zijn tegelijk die van een ander. En die constatering leidt tot overpeinzingen. Hij schrijft: “Is ieder van ons uniek? Ja, uiteraard, want niemand is inwisselbaar. En toch… Soms lijkt het of we met elkaar hetzelfde leven leiden. Dat onze hoogstpersoonlijke ervaringen weinig meer zijn dan variaties op een en hetzelfde thema.”

Wat is de betekenis van het individu in die grote sociologisch-historische ontwikkelingen?

“Iedereen past zich aan sociale contexten aan, we maken deel uit van grote historische ontwikkelingen. Je zou kunnen denken dat mijn boodschap is dat het individu de speelbal is van de geschiedenis, dat er geen individualiteit is.

“Maar dat is niet wat ik wil vertellen. Want kijk je naar de jaren zeventig, het decennium dat ik centraal stel, dan is dat de tijd waarin werkelijk geloofd werd dat we vrij waren, dat we de wereld konden veranderen naar onze eigen inzichten. En dat gebeurde ook daadwerkelijk. Juist het verhaal van ontzuiling, ontkerkelijking, ontvoogding zoals dat in die tijd zijn beslag kreeg, laat zien dat mensen een hele nieuwe wereld konden maken. Centraal in die wereld stond de wens om zelf te beslissen, om eigen morele oordelen te vellen. Niet onderworpen te zijn aan het gezag van derden. En dat is ook gelukt.”

De maatschappelijke ontwikkelingen in die tijd, zegt Konst, hebben hem en zijn generatie mentaal gevormd. “Wat je tussen je vijftiende en vijfentwintigste levensjaar leert en meemaakt, vormt je voor de rest van het leven.”

Schrijver in Berlijn

Jan Konst (1963) is literatuurwetenschapper en hoogleraar Nederlandse literatuur aan de Freie Universität Berlin. Hij woont en werkt al bijna dertig jaar in de Duitse hoofdstad.

Konst vindt het relevant dat de kennis en inzichten van de geesteswetenschappen ook buiten de muren van de academie terecht komen. “Het is een manier van kijken die antwoord geeft op de vraag wie wij zijn en waar we vandaan komen. Dat is voor iedereen van belang.”

Om die reden schrijft hij veel voor een breed publiek. Bijvoorbeeld ‘De wintertuin’ (2020), de geschiedenis van zijn Duitse schoonfamilie. Hij publiceerde ook ‘Iedereen is op weg naar de Brandenburger Tor’ (2009). Dat boek gaat over de rol van Berlijn in Nederlandse en Vlaamse literatuur.

Als eerste van zijn familie naar het gymnasium

De omslag in denken is snel gegaan. Bij Konst verliep de verandering als volgt: als kleuter liep hij nog rond in een wereld waarin de oude orde nog helemaal intact leek. Geloof, gezin, klasse – het was allemaal net zo vertrouwd als de sigarenmerken Hofnar en Willem II, rookwaar die zijn grootvader in een tabakswinkeltje verkocht aan de Utrechtse arbeiders van Demka en Werkspoor.

Zijn tienerjaren werden nog bepaald door stevige katholieke waarden, inclusief regelmatige kerkgang. Daar was een paar jaar later nog maar weinig van over. Konst omschrijft het voor zijn eigen leven zo: “Een streng katholieke lagere school, nog wel eerste communie, maar geen vormsel meer.”

Het verlies aan kerkelijk gezag ging hand in hand met toegenomen welvaart en maatschappelijke stijging. Zijn ouders waren in de jaren van wederopbouw al voorzichtig een paar stapjes geklommen op de maatschappelijke ladder. Konst besteeg die trap verder. Als eerste van zijn familie ging hij naar gymnasium en universiteit. Uiteindelijk schopte hij het tot hoogleraar in Berlijn, de stad waar hij tegenwoordig woont. Een positie die voor zijn grootouders nog totaal buiten het blikveld lag.

Waarom vindt u het interessant om uw eigen biografie in een groter geheel te plaatsen?

“Mijn eigen leven is, net als dat van ieder ander, in principe triviaal en onbetekenend. Een manier om het interessanter te maken, is laten zien dat jouw ervaringen ook de ervaringen van anderen zijn. Je kunt laten zien: hé, het is niet zo bijzonder, zo ongewoon wat er in mijn leven gebeurt. Het staat voor de tijd.”

Zo’n manier van kijken, jezelf plaatsen in het grotere verband, kan compenseren wat verloren is gegaan in de jaren die hij beschrijft, denkt Konst. Want de vrijheid waarvan zijn generatie profiteerde, die kostte wel wat.

Uw boek laat zich ook lezen als een verlieservaring. U laat zelfs ergens de term vervreemding vallen. Wat bedoelt u daarmee?

“Het individualisme betaal je natuurlijk met het feit dat je niet meer onderdeel bent van een vanzelfsprekende gemeenschap om je thuis te voelen. Je bent veel meer op jezelf aangewezen. In plaats van die voorgeschreven biografie van de generatie van onze ouders, konden wij opteren voor een keuzebiografie, zoals sociologen dat uitdrukken. En dat hebben velen natuurlijk ook gedaan. Die bevrijding, die ontvoogding, die waardeer ik heel positief. Maar het gaat wel met een gemis aan gemeenschapszin en betekenisgeving gepaard.”

Een voorname rol besteedt Konst aan het ‘einde van de grote verhalen’, het verdwijnen van gedeelde ideeën die richting geven aan ons bestaan en overgaan van generatie op generatie. Bijvoorbeeld over familie, deugden, vaderland of geloof.

Toen zijn ouders trouwden, waren zij estafettelopers, tekent hij op. “Zij aanvaardden het verhaal van de christelijke heilsleer om het door te geven aan hun kinderen.” Bij hem stokte het doorgeefspel van het katholieke geloof.

Dat de grote verhalen niet meer verder worden verteld is ergens wel jammer, toch?

“Ik ben voor de vrijheid, voor de individualiteit. Maar natuurlijk, ik zie wel het risico, namelijk het verlies aan solidariteit, aan saamhorigheid, aan bereid zijn om iets voor elkaar over te hebben. Velen van mijn generatie hebben een anti-autoritaire opvoeding gehad. Dat heeft er ook toe geleid dat we autoriteit en gezag nauwelijks nog willen accepteren – in Nederland misschien nog wel meer dan in het land waar ik nu woon, Duitsland.

Konsts motief om dit boek te schrijven is dat hij in een andere levensfase is beland. Hij merkt dat terugkijken belangrijker wordt. “Het heeft ook met mijn dochters te maken. Zij zijn nu 17 en 19 jaar. Juist het meemaken van hun jeugd heeft me erop gewezen dat het tijdsgewricht waarin ik opgroeide in een heleboel opzichten zo totaal anders was.”

Wat is een groot verschil?

“Religie. Dat is weg. Onze kinderen zijn niet-religieus opgevoed omdat mijn vrouw en ik niet meer religieus zijn. Dat besef vervulde mij jaren geleden opeens met melancholie en weemoed. Mijn vrouw en ik namen onze kinderen toen mee naar zo’n kerstmarkt zoals je die alleen in Duitsland hebt. We stonden voor een kerststal en ik legde mijn dochters uit wat we daar zagen: Jozef, Maria, het kindje Jezus. Dat is zó verbonden met mijn identiteit, zo’n kerststal. Met het handje van mijn oudste dochter in de mijne vond ik het opeens ook zo zielig, die baby in de kou. Dat was zo’n moment waarop ik mij realiseerde: shit, de wereld is écht een andere geworden. Dat wat mijn identiteit uitmaakt – hoewel niet meer geleefd – kan ik dus niet meer doorgeven.”

Is er nog wel toekomst voor de vroegere gedeelde moraal?

“De christelijke normen en waarden zijn de onze, ook al beleven we die niet meer als expliciet christelijk. Je geeft ze in de context van het gezin natuurlijk nog wel degelijk door. Wij leven nog steeds in een christelijk-humanistische maatschappij. Al kun je je natuurlijk wel afvragen hoelang deze normen en waarden blijven als er niet meer die mal is van de oude verhalen.”

Zijn leeftijdsgenoten kregen het stempel ‘verloren generatie’ opgedrukt. Ze werden immers volwassen in een tijd van massawerkloosheid, economische neergang, zure regen, de opkomst van aids en wat achteraf bezien de laatste etappe van de Koude Oorlog was: de angst voor de bom. Begrippen als ‘doemdenken’ en ‘no future’ lagen in ieders mond bestorven.

Verloren generatie

Zo’n tweeënhalf miljoen Nederlanders, geboren tussen 1955 en 1965, worden gerekend tot de zogeheten ‘verloren generatie’. Zij groeiden op met de vrijheid, welvaart en overvloed van de jaren zeventig. Maar als jonge volwassenen krijgen ze begin jaren tachtig te maken met recessie, werkeloosheid en bezuinigingen.

Ondanks het predicaat ‘verloren’ heeft uw generatie zich toch aardig weten te handhaven.

“Het is, vind ik, een perverse formulering om mijn generatie verloren te noemen. Ik behoor tot een van de meest geprivilegieerde generaties van de twintigste eeuw. Zestig procent van mijn generatie is, net als ik, een sociale stijger. Vijfentwintig procent is gelijk gebleven en maar vijftien procent is weggezakt. De generaties na ons, zeker die van mijn kinderen, zijn misschien wel waarlijker verloren dan wij destijds.”

De twintigers van nu kunnen geen huis meer kopen. De klimaatproblemen zijn onloochenbaar…

“... en er is een democratisch probleem. Mensen van mijn generatie en gepensioneerden vormen electoraal de grootste groep. We leven zowat in een gerontocratie, waar de ouderen het bestuur bepalen. Democratisch gezien hebben wij de meeste macht omdat we met de meesten zijn. Dat is gewoon niet goed.”

Is daarvoor wel een oplossing te bedenken?

“Je zou kunnen beginnen met het stemrecht te verlagen tot ten minste zestien jaar. Waarom zou je dat niet doen? Jongeren zijn tegenwoordig al zo ver politiek onderricht, ze weten al zoveel meer van de maatschappij dan wij op die leeftijd, dat zo’n maatregel goed te rechtvaardigen is. Het is hún toekomst, ik heb nog maar twintig, dertig jaar.”

Als uw dochters over een jaar of dertig eenzelfde soort boek schrijven als u deed, wat is dan het thema?

“Doemdenken, dat was het woord in de jaren tachtig. Maar als je kijkt naar de klimaatverandering, daar is dat woord pas écht op van toepassing. Die angst vormt de generatie die nu volwassen wordt. Het enige dat uit de wereld van toen op dezelfde manier zo groot en overweldigend was, was de angst voor de bom. Net zo radicaal. Maar wel met dat verschil, dat mensen nog wat aan de bom konden doen: misschien dat er iemand niet op de knop drukt. Met het milieu kun je zo niet denken. Wat het milieu betreft is er allang op de knop gedrukt.”

Jan Konst, Na de revolutie. Kind van de jaren zeventig. Balans; 302 blz. 21,99 euro.

Bij het boek hoort ook een Instagramaccount: www.instagram.com/jan.konst/

Lees ook:

Schrijven over daders die in slachtoffers veranderden: het is ongemakkelijk

‘Life writing from below’, heet het in het Engels: het schrijven over levens van ‘gewone’ mensen. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw laat dit ‘biograferen vanaf de onderkant’ zien dat geschiedenis niet alleen door vorsten, generaals en politici wordt gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden