Interview Henny Groenendijk

Archeoloog Henny Groenendijk spoort collega’s aan groot te denken: ‘Beperk je niet tot potten en pannen’

Henny Groenendijk bij hunebed G1 in Noordlaren. ‘Men denkt dat onze archeologie niet spectaculair is.’ Beeld Reyer Boxem

Archeologen kunnen veel meer doen dat wat scherven tonen; ze kunnen betekenis geven aan de verbondenheid die mensen voelen met de plek waar ze leven, zegt Henny Groenendijk bij zijn afscheid van de Rijksuniversiteit Groningen.

 De Groningse hoogleraar archeologie woont in Noordlaren, vlakbij de grens met Drenthe. Vanuit zijn moestuin op de flank van de Hondsrug kijkt hij uit over het dal van de Hunze. Als het licht goed is, kun je het Zuidlaardermeer tussen de bomen zien glinsteren.

Voor iemand die naar eigen zeggen altijd 110 procent archeoloog is geweest, heeft Henny Groenendijk verrassend veel andere interesses. Behalve een moestuin, heeft hij bij zijn huis een boomgaard, kippen en schapen. In het verleden heeft hij bijen gehouden. En geiten. Onder een zeil in een van de schuren staat een Peugeot uit de jaren dertig te wachten op een opknapbeurt. Al meer dan veertig jaar, dat wel.

Henny Groenendijk kreeg zijn roeping tot archeoloog toen hij in militaire dienst liep te lanterfanten. Hij volgde een kandidaatsstudie kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en studeerde prehistorie in Leiden. In 1979 studeerde hij af en vond zijn eerste baan in de Duitse deelstaat Nedersaksen, waar een nieuwe monumentenwet de inventarisatie van archeologisch erfgoed verplicht stelde.

Drie jaar later, in 1982, werd een archeoloog gezocht om de grote herinrichting van Oost-Groningen te begeleiden, een super-ruilverkaveling waarbij grote delen van Groningen en Drenthe op de schop gingen. Groenendijk solliciteerde en kwam terecht op wat toen nog het Biologisch-Archeologisch Instituut heette, tegenwoordig het Groninger Instituut voor Archeologie. Het project zou lopen tot 1991, en het leverde zoveel nieuw materiaal op dat Groenendijk er zijn proefschrift aan kon wijden.

Toen er behoefte was aan een provinciaal archeoloog voor Groningen, was Groenendijk de aangewezen persoon. Hij vervulde deze functie tot zijn pensioen in 2015. Daarnaast is hij sinds 2009 bijzonder hoogleraar archeologie en maatschappij aan de Rijksuniversiteit Groningen. Komende week neemt hij afscheid.

Archeologie is in landen als Iran of Griekenland van groot belang voor de nationale identiteit. Is dat in Nederland minder het geval?

“Is er iets van nationale trots in Nederland? Nauwelijks. Men denkt dat onze archeologie niet spectaculair is. We hebben geen grote Romeinse bouwwerken, maar we zijn wel een kruising van wegen geweest. Mijn leermeester in Leiden, Louwe Kooijmans, zei altijd: ‘Het bijzondere van ons gebied is dat er allerlei culturen doorheen trokken’.

“Wij hebben geen rijke vondsten uit de bronstijd, zoals in Denemarken of Duitsland. Maar ik vind de periferie van een cultuur net zo interessant, want daar zijn de raakvlakken geweest met andere groepen. Dat is minder spectaculair, maar ook heel eenvoudige verhalen kunnen met goede technieken zo breed worden uitgemeten, dat ze interesse wekken.” 

Identificeren mensen zich met de prehistorische bewoners van hun eigen streek?

“Ja, als je maar een goed verhaal vertelt. Je moet niet te veel het verhaal van de potjes en pannetjes vertellen. Als je zegt: kijk, die scherven zijn zo oud, en kijk, er zit een vingerafdruk in, dan is dat maar een eerste ingang. Je moet vooral vertellen dat het boerenleven toen helemaal niet zo anders was dan het boerenleven in de jaren zestig. Toen was de Hollandse stal nog overal in zwang, en die week niet zo heel veel af van het middeleeuwse boerenhuis. Het verleden is dichterbij dan je denkt.”

En is het dan relevant of die mensen daadwerkelijk hun voorouders zijn?

“Nee, eigenlijk niet. Het is de identificatie. Ik ken een voorbeeld uit Oost-Groningen, waar ik in de gemeente Onstwedde een neolithisch graf (uit de late steentijd, red.) zou onderzoeken. De grondeigenaar had grote moeite met het feit dat ik een graf van zijn voorouders openmaakte. Ik kon toen zeggen: dat zijn zeker je voorouders niet, want er is in dit gebied een hele bewoningsonderbreking geweest. Maar ik heb de opzet van mijn onderzoek wel wat aangepast.

“Het is fijn om je verbonden te voelen met een plek, verbonden te voelen met gebruiken en gewoonten in een gebied.Ik merk dat zelf ook. Ik werk aan een boek over mijn voorouders in Pernis, die vissers waren op de Noordzee. Als ik daar kom, heb ik een andere beleving van het dorp dan wanneer ik in een ander, vergelijkbaar dorp zou komen. Ik identificeer me met die plek waar mijn voorouders gelopen hebben. Ik denk dat het dus inderdaad wél uitmaakt. Niet zozeer dat het precies klopt, maar de emotie die eraan verbonden is, die is echt.

“Identificatie met een plek, of identificatie met een traditie, of het gevoel dat iets je stamgebied is, dat heeft in het verleden gevaarlijke vormen aangenomen. Maar het is er wel, en dat moeten we accepteren. Gevaarlijk wordt het wanneer je zegt: we wonen hier al zo lang, wij willen geen nieuwkomers hebben. Want uit het DNA-onderzoek blijkt dat er nooit zoveel migratie is geweest als in de prehistorie.”

Beeld Reyer Boxem

Wat betekent die kennis voor Europa? Voor- en tegenstanders van Europese integratie lijkt steeds meer tegenover elkaar te staan. Welke boodschap heeft de archeologie voor hen?

“Sinds we weten dat mensen in het verleden door heel Europa trokken en hoge posities konden bekleden ver van hun geboortegrond, groeit in het prehistorisch onderzoek het besef dat wij anders moeten denken over herkomst en indringers, en over de assimilatie van gebruiken.

“We zien dat mensen welkom waren in andere gemeenschappen. Er is een voorbeeld van een vrouw uit de bronstijd. Zij leefde in Scandinavië, ik meen Denemarken, en moet daar, gezien haar grafgiften, een hoge positie hebben bekleed. Maar ze was afkomstig uit Zuid-Duitsland. Dat vind ik prachtig om te horen, want daarmee kantelt ons idee van Bodenständigkeit. En van ‘dat hebben wij altijd zo gedaan’.

“Ik denk aan mijn voorgeslacht, op de Zuid-Hollandse eilanden. Dat zijn vaak donkerharige en donker-ogige mensen. Ook in Zeeland zitten veel mensen met donkere ogen. Als je erop let, dan ga je de types herkennen. Maar dat zijn inwijkelingen, want het hele kustgebied, van Schele tot Wezer, heeft in de prehistorie een andere bevolking gehad: de Friezen. En die zagen er heel anders uit dan mijn voorgeslacht. Dan besef je, dat wat jij als oorspronkelijk ervaart, in werkelijkheid misschien zo oorspronkelijk niet is.

“Dat soort dingen houden we in de archeologie te veel voor ons zelf. Ik denk dat we dit nog veel beter naar voren kunnen brengen. Het is leuk om spectaculaire verhalen te vertellen, maar die zijn vaak bezijden de waarheid. Je moet als wetenschapper ook dingen doorgeven die minder spectaculair zijn, maar wel dichterbij de waarheid liggen.”

Zegt u daarmee ook dat archeologen zich te weinig mengen in de politiek?

“Ja. Ikzelf in de eerste plaats. Ik heb daar weinig aan gedaan. Ik heb me vooral op de regio geconcentreerd en op de samenwerking. Maar ik heb me nooit in de politieke arena begeven. Dat had ik meer kunnen doen.

“Ik geloof dat we, op het gebied van Europese integratie, vanuit de archeologie meer kunnen doen om een eerlijk verhaal te vertellen, tegenover de populisten en de ontkenners. Ook de klimaatontkenners, want zelfs aan de klimaatdiscussie kunnen we vanuit de archeologie een kleine bijdrage leveren.

“Archeologen willen in mijn ogen nog te veel gewoon vertellen hoe het in elkaar zit. Dat kun je doen met een tentoonstelling. Dat is heel veilig. Je zet iets neer, je maakt je verhaal en mensen komen dat zien. Zodra je in gesprek raakt met mensen, wordt het al heel anders.

“Bij de herinrichting van Oost-Groningen, aan het begin van mijn loopbaan, heb ik forse kritiek gekregen, met name uit de hoek van de landbouw. Mensen zeiden: eindelijk wordt het hier gereconstrueerd, worden onze gronden verbeterd en nu moeten we die archeologie toelaten. Dat is een luxeprobleem!

“Ik heb tegen onbegrip en onwil moeten vechten. En ik heb altijd de betrokkenheid van belanghebbenden om willen zetten in medeverantwoordelijkheid. Met burgerparticipatieprojecten, waarbij mensen veel ruimte kregen om te bedenken wat ze wilden. Dan blijkt dat wat mensen willen vaak te maken heeft met de identiteit van een gebied, van een dorp, of van een veenkolonie.”

Lees ook: 

Archeologie van de archeologie

Niet iedere archeoloog gaat steeds weer op zoek naar een maagdelijk nieuwe vindplaats. Sommigen keren terug naar bekende opgravingen, en onderwerpen de oude vondsten aan nieuwe technieken

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden