Antoine de Kom.

Tien gebodenAntoine de Kom

Antoine de Kom: ‘Onze maatschappij verloedert, er is een ont-schaving gaande’

Antoine de Kom.Beeld Mark Kohn

Antoine de Kom werd vernoemd en kreeg een opdracht mee. Doe iets. Iets in de geest van je grootvader: nationalist en verzetsstrijder Anton de Kom. Hij werd forensisch psychiater om ‘dat wat gruwelijk en schadelijk is te snappen’ en legt gedichten vast die tot hem komen. Dit jaar verscheen zijn zevende bundel ‘Demerararamen’.

Arjan Visser

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Als God zich netjes gedraagt en niet meteen begint te dreigen of zo, heb ik er helemaal geen probleem mee om Hem als patiënt aan te nemen. Ik denk dat Hij onmiddellijk de theodicee-problematiek op tafel zal gooien: hoe moet Hij, de Almachtige, in het reine komen met het feit dat er zoveel kwaad in de wereld blijft bestaan?

Eerlijk gezegd geloof ik dat God, als persoon, reddeloos verloren is. Dat zal ik natuurlijk niet zo tegen Hem zeggen – als psychiater veroordeel ik niemand – maar ik zal wel naast Hem gaan staan om met Hem mee te treuren. God heeft een te grote broek aangetrokken. Die verpersoonlijking van God heeft alleen maar tot conflicten geleid. Mijn godsbesef komt eerder in de buurt van het primordiale bewustzijn; er is iets wat aan alles ten grondslag ligt. We kennen het niet en we zullen het misschien wel nooit leren kennen, maar: het is er. Het is de punt die ik ‘de primordiale punt’ noem en boven mijn gedichten zet: waar alles uit voorkomt en ook weer in zal verdwijnen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Het beeld van mijn grootvader in Amsterdam-Zuidoost maakt een robuuste, onwrikbare indruk. Als ik naar al die kwalificaties eronder kijk; wie Anton de Kom was – nationalist, verzetsstrijder – en wat hij allemaal heeft gedaan, heb ik wel een beetje moeite te bevatten dat hij zo groot is, en almaar groter lijkt te worden.

In mijn jeugd was mijn opa nog iemand die het heel slecht getroffen had en door weinigen begrepen werd. Halverwege de jaren zestig werd hij door Surinaamse studenten in Nederland herontdekt. Hij kreeg steeds meer bewonderaars, men begon in te zien dat hij iets groots in gang had gezet, bijvoorbeeld door in 1933 naar de gouverneur van Suriname te stappen om het eens even over het oneigenlijke Nederlandse bewind te hebben. Zoiets kón gewoon niet, zeker niet in die tijd, door een man met zijn achtergrond.

Mijn grootvader werd een icoon, een held. Hij keerde zich tegen de overheersing, was iemand die mensen met verschillende achtergronden bij elkaar wilde brengen, hij stond voor vrijheid en rechtvaardigheid en ging daarin zo ver dat hij zich in de Tweede Wereldoorlog met zijn vroegere overheerser tegen een andere overheerser keerde en zo’n beetje alles verloor. Zelfs zijn leven, in dat laatste gevecht. Dus ja: een buitengewoon, voorbeeldig mens.

Voor mij persoonlijk is mijn opa altijd een schim gebleven. Ik herinner me dat ik, toen ik een jaar of zeven was, regelmatig bij mijn oma in de Johannes Camphuijsstraat op bezoek ging. Ze was, na een periode van armoede, inmiddels weer in goeden doen, had een kat, speelde piano en maakte regelmatig ruzie met haar Duitse bovenbuurvrouw. Ik wist nog niet veel over mijn grootvader – ik zou pas op mijn vijftiende Wij slaven van Suriname lezen – maar ik merkte aan haar wel dat ze was ‘overgebleven’. Ze had pas in 1960 gehoord dat haar man in een buitenkamp van Neuengamme was overleden. Tot die tijd had ze in de erker op hem zitten wachten, hopend dat hij op een dag om de hoek zou verschijnen.

Ik ben naar mijn grootvader vernoemd en ik werd er min of meer op aangekeken – in ieder geval binnen ons gezin – dat ik iets moest doen. Doe iets. In zijn geest. Bij mij is dat gaandeweg de poëzie geworden, maar ook in mijn gewone werk zie je die onuitgesproken levensopdracht terug: ik probeer dat wat gruwelijk en schadelijk is te snappen en, waar mogelijk, iets te doen om het de goede kant op te buigen.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Er is, denk ik, een ont-schaving gaande. Bij gebrek aan een nieuwe religie, gedeelde normen en waarden, verloedert onze maatschappij. Omgangsvormen verruwen, er ontstaat chaos er is meer geweld en de roep om de sterke man wordt sterker. De geschiedenis herhaalt zich niet steeds op dezelfde manier, maar toch: het is nu een eeuw geleden dat in Duitsland het nazisme opkwam en de omstandigheden waren min of meer gelijk.

We lijken wéér op een catastrofe af te stevenen. Het populisme neemt toe, de technologische vooruitgang – die inmiddels controlemogelijkheden tot in het lichaam biedt – neemt verontrustende vormen aan, en dan zijn we sinds de industriële revolutie ook nog bezig met het om zeep helpen van ons eigen milieu. Volgens mij moeten we ons gaan instellen op een leven buiten de aarde, al is het heel goed mogelijk dat de mens er in die gekoloniseerde ruimte ook weer een potje van gaat maken.

Somber? Nee, hoor. Ik geloof dat je zelfs in doffe ellende nog monter kunt blijven. Als je je eraan overgeeft, ben je helemaal verloren. Bovendien weet je nooit zeker of het ons toch niet lukt om er tijdig een andere draai aan te geven.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“De coronacrisis heeft helaas nog niet tot voldoende bezinning geleid. Ik zie vooral ad hoc maatregelen waarmee we achter de ontwikkelingen aan blijven lopen. Het is een akelig dilemma, maar ik geloof echt dat er harder moet worden ingegrepen. Een beetje volgens het Oostenrijkse model: lockdown en prikken.

We zouden deze gedwongen ‘sabbatsrust’ moeten gebruiken om na te denken over een nieuwe weerbaarheids-economie. Niet wachten tot alles weer ‘normaal’ is, maar in actie komen en onszelf krijgshaftiger gaan opstellen. Het leven en de wereld zijn veranderlijk; je kunt er niet van uitgaan dat je alles voor elkaar hebt en dan rustig achteroverleunen. Er komt steeds weer een nieuwe tegenslag, daar ben je voor gemaakt, daar móet je op kunnen reageren. Door mijn familieachtergrond ben ik altijd oplettend geweest. Ik weet dat het heel erg fout kan gaan. Dat moment kun je maar beter voor zijn.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader is vorige week, op Onafhankelijkheidsdag, in Suriname overleden. Hij is 93 jaar geworden. Ik kon op 3 december niet bij zijn begrafenis aanwezig zijn, maar ik had emotioneel, innerlijk, al afscheid van hem genomen. Ook van mijn 92-jarige moeder trouwens, terwijl zij nog in leven is. Ik bevind me wat mijn ouders betreft al een tijd in een overgangsperiode: ze verlaten het leven, maar zijn misschien wel pregnanter aanwezig dan ooit. Ik heb hier het zakhorloge dat van mijn grootvader aan moederszijde is geweest. Hij was ambtenaar der directe belastingen, een guitige, beetje kleinburgerlijke man die sigaartjes rookte en altijd keurig in het pak liep. Dit horloge is een erfstuk, het gaat al meerdere generaties mee. Het blijft maar tikken, waardoor de tijd gerekt lijkt te worden en iedereen die mij dierbaar is in mijn verbeelding voort kan leven.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Ik ben voor de herinvoering van een militaire opkomstplicht; we moeten leren hoe we onszelf, als het fout gaat, kunnen verdedigen. We moeten bereid zijn om offers te brengen. Ik denk dat mijn ideeën hierover voortkomen uit wat er in mijn familie is gebeurd. Mijn keuze voor de forensische psychiatrie heeft daar zeker mee te maken. In mijn werk zit ik heel dicht op risico’s; ik kijk het gevaar liever in de ogen dan dat ik me ervoor afsluit. Een andere motivatie voor deze beroepskeuze was de meegekregen levensopdracht die ik eerder noemde; proberen te begrijpen hoe het komt dat mensen grensoverschrijdend gedrag vertonen, hoe ze in staat zijn om tot doding over te gaan. Mijn belangrijkste inzicht tot nu toe is dat het altijd om keuzemomenten gaat. De mens is niet slecht, hij doet soms slechte dingen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Dit vind ik een moeilijke. Ik ben eerder getrouwd geweest en het voelt als een amputatie om niet langer met die ander verbonden te zijn. Ik mag niet zeggen dat ik iets kwijt ben, maar het is er ieder geval niet meer. Dat gevoel draag ik mijn hele leven bij me. Ik vind het niet fijn om hier, in afwezigheid van mijn ex-vrouw, over te praten. Ik kan je wel iets over mezelf vertellen: ik ben iemand die zich hecht, maar binnen die hechting ook op een bepaalde manier onthecht is. Het is een eigenschap die ik van mijn moeder heb meegekregen of overgenomen. Ik kan poëzie maken doordat ik me kan onthechten van dat wat op mij afkomt, ik kan de narigheid van patiënten verdragen zonder er werkelijk door geroerd te worden en binnen relaties speelt iets soortgelijks: ik ben met jou, maar er is ook een soort vrije sfeer die ervoor zorgt dat ik me, zonder weg te gaan, even terug kan trekken en stil mag vallen.”

VIII Gij zult niet stelen

“Ieder mens moet ergens in zijn jeugd wel eens iets gejat hebben om te leren wat het tot gevolg heeft, om te merken dat je geweten zich goed ontwikkelt en je er helemaal ongelukkig van wordt. Zo herinner ik mij het moment waarop ik als vijfjarige in de klas een speelgoedvliegtuigje zag liggen. Het was zo’n mooi Amerikaans militair model, heel courant in die tijd. Ik kon mijn ogen er niet van afhouden en ik merkte op een gegeven ogenblik hoe mijn hand het ding vastpakte en in de zak van mijn groene jekkie stopte.

Toen het jongetje, de eigenaar, zijn vliegtuigje ging missen, stapte hij naar juffrouw Toos die de zaak heel serieus opnam en ons aan het eind van de dag in een lange rij opstelde om vervolgens kind voor kind te fouilleren. Ik zag haar steeds dichterbij komen – nu gaat het gebeuren, nu gaat het gebeuren – juffrouw Toos bevoelde mij en… vond niets. Ik ging met het vliegtuigje naar huis, maar ik heb er geen dag van kunnen genieten. Het lag te branden in de speelgoedkist. Ik voelde me zó slecht dat ik daarna nooit heb gestolen of zelf maar heb willen stelen.

Het geweten is voor mij een soort automatische piloot geworden; ik hoef over bepaalde dingen niet meer na te denken. Er zijn codes, afspraken, nodig om een samenleving draaiende te houden. Die normen werden vroeger breder gedragen, ook doordat ze meer in religie verankerd zaten. Door de secularisering is er een probleem ontstaan want: hoe draag je nu die normen over?

Met de toename van technische mogelijkheden en de groei van sociale media kunnen mensen die er ándere normen op nahouden zich heel makkelijk legitimeren en dat zie je op grote schaal gebeuren. Gedrag moet nu gereguleerd worden door controle van buitenaf en daarmee verliezen we onze persoonlijke, individuele vrijheid. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn nauw verbonden en als je die verantwoordelijkheid – voor gedeelde normen – niet zelf draagt, moet het je worden opgelegd. Tegelijkertijd staat het gezag onder druk; we laten ons steeds minder zeggen. We weten zelf wel wat goed voor ons is. We worden in de gelegenheid gesteld om onszelf het centrum van de wereld te vinden. En dat zijn we gewoon niet.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Bij dichters moet je niet met De Waarheid aan komen zetten. Gedichten zijn reflecties op en transformaties van de werkelijkheid die niet per se waar of onwaar hoeven te zijn. Ik denk dat veel mensen een gedicht willen lezen dat hen op de één of andere manier steunt of verder helpt, maar bij mij is de poëzie vaak destructief of moeilijk te begrijpen. Ik ben een ramp voor recensenten. Bij de laatste bundel werd er zelfs eentje boos. De strekking van haar recensie was: ik ben heel wat gewend, maar hier kan ik geen chocola van maken! Anderen kwamen tot verbazingwekkende inzichten die mij pas duidelijk werden toen ik de recensies las.

Een goed gedicht kun je proberen te snappen, maar het is vaak lastig om er vat op te krijgen. Een gedicht komt tot mij. Ik wil niet weten hoe zoiets gebeurt. Op het moment dat je het gaat willen weten, stopt het. Het is een verbinding met wat ik eerder probeerde aan te geven, het primordiale bewustzijn. Die woorden zijn er al. Ergens. Ik ben pas in tweede instantie verantwoordelijk omdat ik degene ben die het gedicht geleidt, tot ontwikkeling laat komen en vastlegt.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Het staat me enorm tegen als mensen hoog opgeven over de spullen die ze bezitten. Ik verlang niet naar een eigen huis. Ik ben heel gelukkig als ik huur. Ik hoef niet in een dure auto rond te rijden, ik ga liever achter mijn vliegsimulator zitten, kies een willekeurige bestemming en zie zo de wereld op een heel andere manier, onthecht, onder me voorbijtrekken. Het geeft een gevoel van vrijheid, al moet ik ook goed blijven opletten om ervoor te zorgen dat ik niet zal crashen.

Het voordeel van een simulator is dat ik ’m ook gewoon kan stopzetten en even kan gaan lezen of schrijven als ik daar zin in heb. Van die ongedwongen, vrije sfeer zou ik niet kunnen genieten als ik écht zou vliegen. De piloten die ik wel eens spreek, vertellen me dat het er in de gewone luchtvaart een stuk minder romantisch aan toe gaat. Dat is dus precies wat ik bedoel: ik begeer geen brevet, ik wil niet werken voor mijn vlieguren, ik hoef niet alles te hebben. De ervaring alleen is goed genoeg.”

Antoine de Kom

Antoine de Kom (Den Haag, 1956) is dichter en forensisch psychiater. Hij werkte lange tijd voor het Pieter Baan Centrum, schreef in 2012 Het misdadige brein en publiceerde diverse dichtbundels. Voor Ritmisch zonder string, uit 2013, werd hij bekroond met de VSB Poëzieprijs. Demerararamen verscheen in maart 2021 bij uitgeverij Querido.

Lees ook:

Anton de Kom keerde in 1932 terug naar Suriname. Zijn achterkleinzoon vertelt wat er toen gebeurde. ‘Arresteert die kerel!’

Schrijver en activist Anton de Kom keert in 1932 terug naar Suriname, waar hij al spoedig wordt opgepakt en opgesloten, ondanks protesten van de bevolking die bloedig worden neergeslagen. Hij wordt verbannen naar Nederland. Achterkleinzoon Vincent de Kom tekent deze episode uit zijn leven op in het onlangs gepubliceerde boek Antonlogie. Een ingekorte versie.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden