ReportageZwemtraining

Zwemcoach Mark Faber heeft een hekel aan pushen: ‘Dat is als trekken aan een dood paard’

Mark Faber. Beeld Patrick Post
Mark Faber.Beeld Patrick Post

Zijn verleden bij het Cios en de paralympische sporters heeft Mark Faber gemaakt tot de trainer die hij nu is. Hoe begeleidt de nieuwe bondscoach van het zwemmen zijn pupillen? ‘Sporters moeten zonder welke vorm van knoop in hun buik kunnen trainen en racen.’

Esther Scholten

De relatie tussen zwemmers en hun coach is intensief, zegt Mark Faber. Hij is de man achter de successen van Arno Kamminga en Kira Toussaint. Waar zitten de aangrijpingspunten bij een sporter om te kunnen sturen? Dat is een zoektocht waar hij van houdt. “Een coach in het wielrennen is wellicht meer vanuit de computer en data actief. In de zwemcultuur sta je als trainer elke training aan de badrand. Ik zie mijn zwemmers letterlijk vijf à zes uur per dag. Dat zie je ook terug in de onderlinge relatie. Als je het niet met mekaar kunt vinden, hou je het niet vol.”

Na de ochtendtraining stopt Faber de stopwatch in zijn broekzak en loopt hij op Kamminga af voor een praatje. Ze hebben het over de laatste wedstrijd in Boedapest. Dan volgt een lach met Toussaint en een gesprek met de jonge Kenzo Simons over school. “Tijdens de training staat het werken centraal. Daarna is er tijd om wat zaken door te nemen. Soms alledaagse dingen of een korte evaluatie, ook kunnen er serieuze privézaken aan bod komen.”

Faber (48) vindt het belangrijk feeling te houden met de persoon achter de zwemmer. De sporters doen wat ze leuk vinden, maar zijn daar wel serieus mee bezig. Voor een aantal is het hun beroep. “Er staat echt druk op. Dat lukt niet als je als mens niet lekker in de wedstrijd zit. Dus ik hecht er veel waarde aan dat iemand zich goed voelt en dat alles in zijn of haar leven soepel loopt. Daar heb ik bewust aandacht voor.”

Je moet het zelf doen

In het kantoor van de staf van het zogeheten High Performance Centrum in Amsterdam, op de eerste verdieping van het Sloterparkbad, staan opvallend veel dozen opgestapeld. Faber grinnikt. “Dit is eigenlijk een soort pakketservice.” Omdat de zwemmers zoveel dagen in het buitenland verblijven, voor stages of wedstrijden, laten ze de spullen van de sponsors hiernaartoe sturen. Kamminga komt binnenvallen. “Komen er nog nieuwe bidonnetjes?”

Een Japans vlaggetje op het bureau van Faber herinnert aan hun mooie zomer in Tokio, waar de zwemmer twee olympische medailles won. Terwijl Faber iets verderop thee zet, legt Kamminga uit waarom hij zijn coach zo nadrukkelijk credits geeft voor dat succes. “Mark heeft alles in huis: qua ervaring en kennis. Maar wat hem vooral zo goed maakt, is zijn manier van doen. Er zijn twee type trainers. Degene die heel erg pusht en het eigenlijk nog liever wil dan de sporter zelf. En degene die je met rust laat en zegt: ‘Ik geef je alle kansen, maar je moet het zelf doen’. Mark zal je nooit uit bed bellen met de vraag waar je blijft voor de training, of je oppeppen als je het zwaar hebt. Het is je eigen verantwoordelijkheid. Hij helpt me met mijn doelen. Dat geeft vertrouwen en werkt perfect voor mij.”

Bewust van de tijdgeest

Het is een les die Faber leerde in de jaren buiten de topsport. Begin deze eeuw was hij vijf jaar lang docent aan het Cios in Arnhem, de opleiding voor sportleiders. Daar waren de leerlingen niet allemaal even gemotiveerd. “Dat heeft me de andere kant van de wereld laten zien. Ik hou ervan om te werken met mensen met een eigen drive en oprechte ambitie. Als de intrinsieke motivatie ontbreekt, is het als trekken aan een dood paard.”

Dat doet hij dus niet. Ook om zijn vrolijke humeur te bewaren. Omgekeerd vindt hij de gemoedstoestand van zijn pupillen minstens zo belangrijk. In zijn visie zijn ze eerst mens en dan pas zwemmer. “Dat is de basis. Een fundamenteel ding. Als dat niet in orde is, kun je ook niet vragen om te presteren. Ze moeten in balans zijn, zonder welke vorm van knoop in hun buik kunnen trainen en racen, anders komen ze er niet.”

Een interessante visie op het trainerschap, zeker in deze tijd waarin topsport onder een vergrootglas ligt. Naar aanleiding van de misstanden in andere sporten had Anneke van Zanen, voorzitter van sportkoepel NOC-NSF, het onlangs over grenzen verleggen zonder die te overschrijden. Faber: “Ik ben door de turndiscussie wel alerter geworden en me bewuster van de tijdsgeest en de wijze waarop mensen naar topsport kijken. De do’s-and-don’ts. Maar ik denk dat ik door de jaren heen altijd de mens en het plezier in de sport centraal heb gehad. Dat zit ’m ook in dat niet pushen, waar Arno het over had.”

“Als je al wat langer meeloopt, ben je misschien wel efficiënter in de zaken die je onderkent bij de jongens en meiden. Je hebt natuurlijk al heel wat koppen voor je neus gehad. Dus zie je sneller waar het goed gaat en waar minder goed.”

Een deceptie in een vingerknip

Faber is clubtrainer geweest, bondscoach van het paralympische zwemmen en sinds 2016 zwaait hij de scepter over een van de twee nationale trainingscentra voor olympiërs. Daarbij is hij sinds kort ook de bondscoach. Hij zal de sporttechnische lijnen uitzetten richting de Olympische Spelen van Parijs, over drie jaar. “We moeten een goed plan maken en dat ook echt koersvast uitvoeren. Dat wil ik brengen. Duidelijk zijn in wat we willen, duidelijke doelstellingen, en die met een doorgesproken plan uitvoeren.”

Die doelstellingen zitten ’m niet in het aantal medailles, zegt hij, zekere podiumplaatsen zijn een illusie in een mondiale sport als zwemmen. Iedere kleine misser in de voorbereiding, elke disbalans in je plan kan al funest zijn. “Er zijn tientallen zwemprogramma’s over de wereld waar veel en veel meer geld in wordt geïnvesteerd dan hier in Nederland. Bij Arno klopte het in Tokio en zijn zilveren races waren ook in lijn met hoe hij zich ontwikkelde, maar een zekerheidje was het nooit. De nummer vier zat er dertienhonderdste van een seconde achter. In een vingerknip had het een deceptie kunnen zijn.”

De een heeft een kleine romp, een ander lange armen

In de toekomst is er volgens Faber nog winst te boeken door op het technische vlak meer te gaan testen en meten. Er is al veel kennis over de start van Ranomi Kromowidjojo – de vrije slag was de voorbije jaren overheersend in Nederland – maar er is veel minder bekend over de schoolslag van Kamminga of de rugcrawl van Toussaint. “Dat zijn dingen waar we echt nog hard aan moeten werken. Ik denk dat we de wetenschap meer moeten inzetten om de juiste beslissingen te kunnen nemen in ons plan richting Parijs.”

Faber houdt van het zoeken naar ruimte voor verbetering. “Er wordt vaak aan mij gevraagd wat het plafond is. Daar denk ik nooit aan, want zeker in een duursport als zwemmen – met cyclische bewegingen – kun je nog eindeloos doorontwikkelen.”

Het is ook niet one size fits all. “De ene heeft een kleine romp, een ander lange armen. Daardoor ontstaan er allemaal eigen stijltjes. Het draait om het vinden van het optimum per stijl.” Daarbij helpt zijn ervaring als coach van sporters met een beperking. “Iemand zonder benen kan niet dezelfde opdracht uitvoeren als een blinde. Daar word je als trainer heel creatief van. Je moet echt out-of-the-box denken. Daardoor kijk ik nu bij de valide sporters ook iets anders naar techniek en uitvoering. Ik haal minder uit het tekstboekje van de trainersopleiding en probeer aan te sluiten op de specifieke lichaamskenmerken van een zwemmer.”

Topsport is maatwerk, benadrukt Faber, zowel fysiek als mentaal.

Lees ook:

Arno Kamminga neemt mooie lessen mee uit Tokio. ‘Dit is prachtig, en het is pas het begin’

Achter het zilveren succes van Arno Kamminga schuilt de bijzondere samenwerking met zijn coach Mark Faber. ‘Zwemmen gaat over potjes winnen, niet over persoonlijke records klokken.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden