null Beeld Trouw
Beeld Trouw

ColumnMarijn de Vries

Zijn fiets wist waar hij naartoe moest, net als mijn oom

Marijn de Vries

Tijdens mijn eerste ritje op de racefiets in het nieuwe jaar kwam ik een jongen tegen op zijn fietsje, onderaan de dijk. Hij was niet ouder dan vijf jaar. Hij fietste alleen, aan de verkeerde kant van de weg, op een plek waar het veel te druk is voor vijfjarigen om alleen te fietsen.

Hij stopte even, verward van al die mensen die vroegen of hij verdwaald was. “Mijn fiets weet waar ik naartoe moet”, zei hij plots, en stapte weer op. Even later sloeg hij linksaf. Een schelpenpaadje op, een brug over en weg was hij.

Zal hij zich dit herinneren, later, als hij mijn leeftijd heeft? Dat hij niet verdwaald was, maar gewoon wat dwaalde, op zijn fiets? Het is wonderlijk hoe het brein werkt. Een van mijn eerste jeugdherinneringen staat me nog zo helder voor de geest. Ik ging naar de kleuterschool bij mijn oom en tante. Ik logeerde daar lang. Dat was omdat mijn broertje in het ziekenhuis lag.

Op mijn eerste dag was er gymles. Alle kinderen hadden een tasje met gymschoentjes, een t-shirt en een broekje. Maar ik niet. Ik mocht niet meedoen, en weet nog dat ik huilde bij de vreemde juf op schoot. Die bankjes, dat wandrek en die hoepels zagen er zo heerlijk uit.

De kleuterschool, van volgens mij maar twee lokalen groot, stond achter de kerk. Mijn oom en tante woonden daarnaast, in de pastorie, want mijn oom was de dominee van het dorp bovenin Friesland, niet ver van de zeedijk. De pastorie was in mijn beleving een paleis. Groot en oud. ’s Nachts groeiden de ijsbloemen op de binnenkant van de ramen als het vroor. Duimendik zelfs, in die nacht voor de laatst gehouden Elfstedentocht, vandaag precies 25 jaar geleden. Mijn verkering-van-toen had in bed een muts opgezet, zo koud was het.

’s Ochtends renden we snel naar de gaskachel in de keuken. Daar was mijn tante al wakker en was het warm. Overdag speelde ik als kind in de grote ruimtes. Er was één plek waar ik bijna nooit mocht komen: de studeerkamer van mijn oom. Daar dacht hij na en schreef hij zijn preken. De studeerkamer rook zoet, naar pijptabak. Er was een grote wand met oude boeken, en er stond een enorm bureau. Aan de muur hing een echt schoolbord. Heel af en toe mocht ik erop tekenen. Of paardje rijden op mijn oom zijn knie.

Later, toen mijn broertje beter was, gingen we met de hele familie op vakantie. Met onze tenten en reuzenpannen vol met eten namen we de halve camping in beslag. Op een dag was mijn oom niet voor de avondmaaltijd terug. De bidder was verdwaald, zeiden we. Zo noemden we hem, ‘de bidder’, omdat hij voor het eten altijd voorging in gebed.

Natuurlijk dook hij snel weer op. Of mijn oom echt verdwaald was, of dwaalde, ik heb me dat tot nu eigenlijk nooit afgevraagd. Ik denk dat laatste. Hij liep gewoon graag zijn neus wat achterna. In gedachten verzonken – zo heb ik hem tenminste voor de geest. Hij zei nooit veel, hij observeerde. Hij was bedachtzaam, lief en zacht.

Op Nieuwjaarsdag, toen ik de jongen met de fiets-die-wist-waar-hij-naartoe-moest ontmoette, is mijn oom langzaam vertrokken. Hij overleed ’s nachts naast mijn tante in hun bed. Ik vind het fijn om stilletjes te denken dat zijn neus wist waar hij naartoe moest. Mijn oom werd bijna 85 jaar.

Journalist en voormalig profwielrenner Marijn de Vries fietst u elke dinsdag door de sportweek. Lees hier eerdere columns terug.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden