Wielervereniging Schijndel op pad, met rechtsvoor Elise Uijen.

AnalyseTopsportkinderen

Wielrenners winnen steeds jonger. Is dat erg?

Wielervereniging Schijndel op pad, met rechtsvoor Elise Uijen.Beeld Merlin Daleman

Wielrenners winnen steeds jonger. De ontwikkelingscurve komt zo onder druk te staan. De jonge meidengroep van WV Schijndel wordt juist ‘met plezier’ opgeleid voor topsport.

Speciaal voor de gelegenheid hebben zowel Marith Vanhove (17) als Elise Uijen (17) hun zwart-rode clubtenue ingeruild voor een wit shirt met een blauwe band en gele ster: de trui van Europees kampioen. De truien zijn nu nog brandschoon. Maar de belofte om negentig kilometer te fietsen in de miezerregen, optrekkende mist en met modder bedekte wegen biedt één zekerheid: de shirts zijn niet meer wit bij thuiskomst.

Vanhove en Uijen zijn onderdeel van de meidengroep van wielervereniging Schijndel, een van de beste lichtingen in het land, met rensters tussen de veertien en zeventien jaar oud. Hier rijden, als het goed is, de opvolgers van onder meer Anna van der Breggen, Marianne Vos en Annemiek van Vleuten. Maar daar gaat het op deze mistige dag nog niet over. Wel over warm blijven op een fijne trainingsdag. Er stapelt zich een klein heuveltje aan tassen op, met daarin extra kleding. 

Acht nieuwelingen en tien junioren trainen deze week op de rustige wegen rond Schijndel, waar ze over de gehele ronde één stoplicht tegenkomen. Twee daarvan zijn dus al Europees kampioen in hun klasse. En de meesten willen profrenster worden, wellicht al over een of twee jaar.

Dat past in een trend in het wielrennen. Wielrenners worden steeds jonger winnaar, vooral bij de mannen. Lorena Wiebes is met haar twintig jaar al massasprintser in het profpeloton. En kijk naar Tadej Pogacar, die in september op zijn twintigste al Tourwinnaar werd. Of Egan Bernal, die hetzelfde deed vorig jaar, toen 22 jaar oud. En Remco Evenepoel, het Belgische megatalent dat vorig jaar al de Clasica San Sebastian won: hij is ook nog maar twintig jaar.

null Beeld Merlin Daleman
Beeld Merlin Daleman

Die ontwikkeling van de wielersport is ‘zorgwekkend’, zegt Peter Zijerveld, verantwoordelijk voor de talentontwikkeling binnen de Nederlandse KNWU. In zijn beleving komt de periode waarin een kind zich kan ontwikkelen onder druk te staan. Meer en meer komt de focus volgens hem op succes te liggen. Juist omdat mensen winnen, zijn ze goed. En dus moet een aanstormend talent ook veel winnen om goed te worden. “Maar dat leidt juist tot het tegenovergestelde: een vroege burn-out, en voortijdig stoppen.”

Groeispurt

Sinds een jaar heeft de KNWU een document dat als leidraad dient voor de ontwikkeling van wielrenners. Kinderen doorlopen een proces dat is teruggebracht tot zes fasen: spelend sporten, twee ‘opbouwfasen’ (één waar de groeispurt centraal staat en één voor kracht en uithoudingsvermogen), een ‘specialisatiefase’ (aansluiting maken bij de top) en twee ‘prestatiefasen’. Het is een op de wielersport gerichte uiteenzetting van een mondiaal erkende opleidingsstructuur. Zijerveld: “Hiermee kunnen we voor elk kind een landschap schetsen met een eigen plan, zonder dat het zich al snel afgewezen voelt.”

Wie topsporter wil worden, moet al die fases door. Voor elke fase staat ongeveer een jaar of twee. Die ontwikkeling komt wel onder druk te staan, zegt Veneberg. “Bij de junioren moet je nu al serieus begeleid worden, omdat je je niet kunt veroorloven dat je jaren mist. Je drukt de ontwikkelkolom in elkaar, want de kinderen hebben dan ook te maken met veranderingen in schoolsituaties, lijf, hormonen en je mag ook wat gaan drinken. Er gebeurt zoveel: dat kan in een aantal gevallen te veel zijn.” Veneberg pleit voor zo lang mogelijk een open blik: “Ik denk niet dat het noodzakelijk is dat je die fases korter aflegt. Er zijn uitzonderingen, denk aan Mathieu van der Poel. Het is zaak voor de bond en de teams om sporters die niet als een malle door die fases schieten niet af te schrijven. Volgens mij is het ook prima als je op je 25ste de Tour de France wint.”

In Schijndel is Angelo van Melis verantwoordelijk voor de 22 nieuwelingen en junioren die bij de club rijden. Oud-prof, en nu een goedlachse trainer. Hij klikt de megafoon nog even vast op het dak van de ploegleiderswagen. In de filosofie van Schijndel staat het plezier voorop, zegt Van Melis, ook al moeten ze presteren. “Zeventien- en achttienjarigen zijn nu allemaal bang te laat te zijn. Ze zien trainingen van elkaar, die op de app Strava openbaar zijn. Ze vergelijken zich met elkaar. Maar we laten ze de kop niet gek maken. Renners en rensters moeten juist fouten maken.”

Iedereen erbij te houden

Zijn taak is vooral om ‘iedereen erbij te houden’. “Want je maakt niet van alle rensters toppers. Vergeet dat maar.” Natuurlijk begeleidt hij zijn rensters wel naar een hoog niveau. Zo moeten ze na de fietstraining nog wel wat krachtoefeningen doen (in spelvorm: wie kan het langst in een plank blijven, met gestrekte rug alleen steunen op onderarmen en tenen?) Maar in zijn methode krijgt de winnaar dan ook het laatst van hem felicitaties. “Want die heeft toch al genoeg aandacht. Het gaat mij veel meer om leren fietsen. En, hoe werk je samen.”

null Beeld Merlin Daleman
Beeld Merlin Daleman

Wie bij Schijndel fietst, heeft zich te conformeren aan die manier van fietsen. Het maakt voor de populariteit niet uit, want sommige meiden komen vanuit heel Nederland naar de Brabantse vereniging. Van Melis: “Soms slaan ouders en kinderen veel verenigingen over om hier te komen. Dat betekent dat ze blij zijn met hoe wij denken: dat tot je achttiende het belangrijkste is dat je vertrouwen krijgt en dat je je veilig voelt.”

Dat wil niet zeggen dat individueel niet met een persoonlijke trainer mag worden gewerkt. Iemand als Elise Uijen vindt dat nog niet nodig. Zij ‘ziet verder wel hoe het gaat’ en eet ‘gewoon’ Hollandse pot. Maar bijvoorbeeld Yuli van der Molen staat er iets anders in. Zij balanceerde in haar jeugd ooit fabuleus op een eenwieler en toen werd moeder Esther door haar neef erop attent gemaakt: zet dat kind toch op fietsen. Die neef wist waar hij het over had. Niki Terpstra is zelf profrenner.

Inmiddels heeft Yuli zelf een persoonlijke trainer gevraagd: Mike Terpstra, Niki’s broer, zelf ook geen onverdienstelijk fietser. Dagelijks hebben ze whatsappcontact, en ze laadt al haar ritten op naar een app, zodat Terpstra kan zien hoe het met haar ontwikkeling staat. “Ze is een meisje met een Terpstra-motor”, zegt hij. “Een heel stevige basis. En iemand die richting wedstrijden meer intervals moet trainen.”

Er zijn veel wegen naar de top

Van der Molen traint graag met Terpstra, zegt ze in Schijndel. “Hij heeft er toch veel verstand van. Meestal ben ik na de finish niet moe. Dan zeg ik wel tegen mezelf dat ik het niet goed heb gedaan. Zijn advies heb ik wel nodig.” Terpstra helpt Van der Molen zo al op jonge leeftijd na te denken over wat het betekent om wielrenner te zijn. “Het eerste was waarom we gingen trainen. We gingen naar vastigheden in de week. En nu komt er wat voeding bij. Ze mag van mij geen biefstuk meer eten voor een klimkoers. Dan zeg ik tegen haar: er is een reden dat profrenners pasta eten en niet elke avond gourmetten.”

Een ander aspect van het gegeven dat jonge wielrenners sneller resultaten halen, is dat profteams proberen de jonge talenten snel een plek te bieden. Niet voor niets zijn er bij Jumbo-Visma en Team DSM eigen opleidingsploegen. Veneberg vindt dat te snel selecteren moet worden vermeden. “Selecteren geeft verwachting en druk. Er heerst een gedachte: als ik belofterenner word, moet ik in een groot continentaal team of bij een opleidingstak van een profploeg zitten. Ben ik niet in beeld, dan haal ik het niet. En dan haken ze af.”

Maar dat hoeft helemaal niet, zegt Veneberg. Er zijn veel wegen naar de top, ook op een manier waarop druk en stress minder is. “Het is niet goed dat we naar een voetbalmodel gaan om twaalfjarigen te selecteren. Dat heeft het voetbal ook niet heel veel extra’s gebracht.”

Wat Veneberg wil, is dat junioren die boven het verenigingsniveau uitstijgen (hij schat zo’n veertig), regionaal kunnen worden geholpen, iets waar nu nog geen geld voor is in de begroting van de wielerbond. Het liefst in samenwerking met profteams, die toch al de kennis hebben om talenten te begeleiden. “Maar niet dat jij al in een geel shirtje van Jumbo-Visma gaat rijden, of in het blauw-zwart van Team DSM. Dan til je ze er bovenuit, en dat willen we niet.”

Tussen de meiden

Bij de meiden in Schijndel hangen de profploegen ook al om de groep heen. De Belgische Marith Vanhove, een van de twee Europees kampioenen uit het begin, heeft al met twee ploegen contact gehad. Maar ze heeft er nog geen ja op gezegd, vertelt ze, terwijl ook haar moeder Nathalie driftig haar hoofd schudt. Marith: “Ik wil eerst nog een jaar zonder druk rijden hier, tussen de meiden.”

En dat is toch opvallend, want Vanhove rijdt elk weekend 2,5 uur voor de training vanuit Izegem in Westvlaanderen naar Schijndel. Maar haar moeder zit er niet mee. “Ik doe waar zij plezier in heeft. En hoe langer de stress wegblijft, hoe beter. Laat haar hier maar eerst leren en ervaren.”

Dat vindt ook de moeder van Elise Uijen, Yvette. Zij geeft al jaren haar weekenden op om mee te gaan met haar dochter (“Dit is een levensstijl”), maar laat haar vooral zelf beslissingen maken.

Ook als het gaat om de ‘gewone’ zaken in het leven. Uijen: “Ik zit nu in 6 vwo. Er komt begin volgend jaar ook een toelating voor de studie psychologie in Nijmegen. Dat lijkt me ook heel leuk.”

Ook Van der Molgen heeft nog haar meidenstreken. Zo zat ze onlangs drie keer achter elkaar bij de McDonalds, vertelt haar moeder Esther. Haar dochter moet wat besmuikt lachen. Terpstra roept twee dagen later keihard ‘foei’ door de telefoon, als hij ervan hoort. Hij laat haar daarin vrij: “Toen ik jong was zat ik na bijna koers lekker in de McDonalds, haha. Natuurlijk moet het een gezonde balans zijn voor haar. Stap voor stap. Dat moet ze ook zelf ontdekken, ik moet dat niet voor haar bepalen. Ik hoop alleen dat ze in de Mac niet te veel hamburgers eet.”

Want wielrennen, zo zegt ook Veneberg, is uiteindelijk gewoon een beroep. “Daar moeten ze voor naar school in principe. Maar het moet wel stimulerend blijven op de lange termijn. Als ze zelf bepalen welke stappen ze nemen en snelheid dan heb je de meeste kans ze gemotiveerd te houden.”

In Schijndel hebben de meiden daar nog geen problemen mee. En die witte Europese trui? Die is bij terugkomst inderdaad niet wit meer. Maar dat maakt niet uit, zo klinkt het. Een keertje wassen en dan kan de trui gewoon nog een keer aan. En wie weet zijn er nog genoeg te winnen, in de toekomst.

Trouw belicht in een serie het fenomeen topsportkinderen. Wat zijn de gevaren als iemand op jonge leeftijd alles op alles zet voor een carrière in de sport? Maar ook de mooie kanten van zo’n doelgericht leven komen aan bod. Rode draad is de vraag hoe het kind onder die omstandigheden kind kan blijven. Heeft u een reactie of wilt u eigen ervaringen delen? Mail naar sport@trouw.nl.

Lees ook: 

Topsport vraagt offers. Maar is het normaal om die al van kinderen te vragen?

De schokkende verhalen deze zomer over misstanden in de Nederlandse turnwereld roepen veel vragen op. Hoeveel druk ligt er op kinderen die een topsportcarrière ambiëren? Is de prijs niet te hoog? Trouw duikt in hun dagelijkse werkelijkheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden