In de Nations League speelde Nederland op 4 september tegen Polen in een lege Johan Cruyff Arena.

Terugblik 2020

Wat beklijft er straks, van zo’n sportjaar van protest en leegte?

In de Nations League speelde Nederland op 4 september tegen Polen in een lege Johan Cruyff Arena.Beeld ANP

2020 was een veelbewogen sportjaar. Trouw blikt in een serie terug. Vandaag: over de misstanden die werden aangekaart in een wezenloos sportjaar dat duidelijk maakte hoe belangrijk sport eigenlijk kan zijn.

Harrie Lavreysen is een levend brok graniet uit de Brabantse Kempen. Het is wonderlijk dat zijn fiets al zijn kracht overleefde toen hij op het WK baanwielrennen in Berlijn begin maart naar zijn derde wereldtitel stampte. Voor Lavreysen lonkte een unieke trilogie op de Olympische Spelen in Tokio. Voor zijn prestaties in Berlijn zou hij sowieso al sportman van het jaar geworden zijn.

Maar die verkiezing is dit jaar helemaal niet gehouden. De baansprinter uit Luyksgestel heeft sinds maart zelfs geen enkele wedstrijd meer gereden. De Spelen werden afgeblazen en verschoven, net als het EK voetbal. Hortend en stotend kwam deze lente de hele sportwereld tot stilstand. In Nederland zorgde het afbreken van de eredivisie, de bruusk ontnomen promotiekansen van Cambuur en de verdeling van de Europese tickets voor nog wat polderlandse ophef, waar zelfs een rechter mee lastiggevallen werd.

Corona zou het mondiale sportcircus tot bezinning brengen, was de stille hoop in die tijd. Was de kalender onder invloed van tv-rechtenhouders en sponsoren – lees geld – niet véél te vol geworden? Moest dat straks nog wel, al die sporters die voortdurend de wereld overvlogen?

De hoop op verandering vervloog snel. Sportcompetities werden weer opgestart, in troosteloze stadions met lege stoeltjes. Voortgedreven door de financiële belangen drukten grote voetbalbonden zelf nog harder op het gaspedaal, met nog meer wedstrijden in korte tijd.

De Britse Formule-1-coureur Lewis Hamilton voerde actie voor de Black Lives Matter-beweging. Zoals hier voor de Grand Prix in Duitsland in oktober. Beeld Hollandse Hoogte/AFP
De Britse Formule-1-coureur Lewis Hamilton voerde actie voor de Black Lives Matter-beweging. Zoals hier voor de Grand Prix in Duitsland in oktober.Beeld Hollandse Hoogte/AFP

Toch gebeurde er iets bijzonders, deze zomer. Het leek een beetje alsof het stilvallen van de sport en het wezenloze vervolg in doodse arena’s en afgesloten bubbels de topsporters had teruggeworpen op zichzelf, en op de vraag wat nu echt belangrijk is. Het leek alsof ook sporters een grens gingen trekken dit jaar. Ze werden activistisch, gingen partij kiezen in maatschappelijke zaken of zich uitspreken over ernstige misstanden die altijd onder het tapijt waren gebleven. Meer dan ooit.

Memphis Depay had al op de Black Lives Matter-demonstratie op de Dam gestaan toen in Amerika Naomi Osaka weigerde te tennissen omdat er in de wereld belangrijkere zaken aan de hand waren. Spontaan braken daarna in de hele Amerikaanse profsport stakingen uit. Ook de lange mannen van de NBA deden eraan mee, vanuit hun bubbel in Florida waar ze met elkaar opgesloten zaten. Ze gingen pas weer spelen na afspraken over campagnes tegen racisme en voor het gaan stemmen bij de presidentsverkiezingen. Ondertussen bereikte de koning van de Formule 1, Lewis Hamilton, een publiek van honderden miljoenen met zijn boodschap tegen discriminatie en racisme. Ook in Nederland trokken de spelers van Oranje een grens toen Johan Derksen in ‘Voetbal Inside’ een onsmakelijke grap had gemaakt over rapper Akwasi. De internationals besloten het tv-programma voorlopig te boycotten.

Sport is waardenvrij, de sportwereld is dat allerminst. Juist in een tijd van polarisatie lijken sporters zich daar bewuster van geworden. Misschien is het toeval dat uitgerekend dit jaar ook de misstanden in het Nederlandse turnen echt naar buiten kwamen, ze passen wel in de geest van 2020. De intimidatie, het gescheld, de fysieke mishandeling; van weleer, het moest niet langer verzwegen worden. En passant wierpen de oud-turnsters de wezenlijke vraag op hoe hoog de prijs van succes mag zijn en of de veiligheid van topsporters niet in het geding is.

Alleen, wat beklijft er straks, van die nieuwe mondigheid van sporters en van de morele vragen, in het post-coronatijdperk? Blijven voetballers zo solidair met elkaar dat ze gezamenlijk het veld aflopen, zoals laatst bij Paris Saint-Germain toen de vierde official zich racistisch had uitgelaten? Of dat een werkelijke ommekeer is geweest in de houding van sporters zal moeten blijken als de stadions weer vol zitten en het vuil ook weer van de tribunes komt.

Ouders keken buiten het sportveld toe hoe hun kinderen nog wel mochten sporten. Beeld Hollandse Hoogte/ANP
Ouders keken buiten het sportveld toe hoe hun kinderen nog wel mochten sporten.Beeld Hollandse Hoogte/ANP

En zullen de sportorganisaties iets leren, van zo’n jaar? Voorlopig wijst weinig daarop. De spelersvakbonden en coaches konden waarschuwen wat ze wilden voor de gevaren van psychische en lichamelijke overbelasting en een golf van blessures; dikke tv-contracten bepaalden dat alle toernooien en competities door moesten gaan. Spelers die protesteerden – zoals Kevin De Bruyne – bleven roependen in een woestijn. Ook de Nederlandse clubs hebben het tv-geld hard nodig. De grote vraag voor 2021 is hoeveel clubs deze crisis toch niet zullen overleven, waarmee de schade voor de hele sportwereld pas komend jaar echt zichtbaar zal worden.

Voorlopig zitten we met een overdaad aan voetbal die schaadt, blijkt ook uit de teruggelopen kijkcijfers. De naargeestige ambiance van galmende betonbakken benadrukt steeds opnieuw wat je zo mist: het publiek en daarmee de beleving. Mensen die met een broodje kroket, een cola of biertje naast elkaar op de tribune zitten, voor wie het voetbal een belangrijke bijzaak in het leven is, of zelfs nog meer dan dat.

Misschien had het wielrennen nog het minste last van de afwezigheid van publiek. De dramatische ondergang van Primoz Roglic en Jumbo-Visma in de Tour, de eenzame strijd van Wilco Kelderman in de Giro en die weergaloze overwinning van Mathieu van der Poel in de Ronde van Vlaanderen: toptelevisie. Hooguit was het jammer dat het bourgondische decor van pintenlierende Vlamingen op puisten als de Oude Kwaremont ontbrak.

Het publiek moest in de Ronde van Vlaanderen wegblijven van de Kwaremont. Beeld BELGA
Het publiek moest in de Ronde van Vlaanderen wegblijven van de Kwaremont.Beeld BELGA

Het enthousiasme van die nazomer ebde in de herfst weer weg, bij al die wezenloze sport in lege arena’s. Ook zelf mochten we als breedtesporters niet meer de hal of de wei in. We werden dikker en chagrijniger. De grensrechters van het OMT en het RIVM, of eigenlijk dat virus, hadden alle amateursporters weer buitenspel gezet. Terwijl de winkelstraten en de Ikea’s nog vrolijk vol stroomden, werd de sociale en vitaliserende kracht van sport meer dan ooit ondergraven. Conclusie, aan het einde van zo’n jaar? Er waren mooie sportmomenten, ondanks alles. We genoten van Harrie Lavreysen, maar ook van Anna van der Breggen, Patrick Roest, Kirsten Wild, Femke Bol, van Luuk de Jong die Sevilla de Europa League-winst bezorgde, het wervelende AZ dat Ajax in Amsterdam klopte en het superieure Bayern dat Barcelona vernederde.

Maar het was vooral een droevig sportjaar. Er was in 2020 heel veel sport niet. Afgelast, verplaatst. En wat er was, werd extreem beknot.

Misschien werd juist dit jaar wel duidelijk waarom sport zo elementair is. Je weet pas wat je mist, als het er niet is. Sport bezorgt ons vertier en troost, laat ons juichen of ons opwinden, met na afloop een verzoenend biertje in de kantine, of een gesprek de volgende dag bij de koffie-automaat.

Sport houdt ons lichamelijk en in het hoofd gezond en levert sociale contacten van buiten onze eigen bubbels op. Ja, sport kent akelige uitwassen, maar evengoed biedt ze een platform om de wereld toch weer een beetje beter te maken. En wat hebben we het nodig, zo’n ventiel.

P.S. Stuur de Jaap Edens s.v.p. gewoon op, naar Harrie Lavreysen en de familie van de plotseling overleden shorttrackster Lara van Ruijven.

Het gemis van ‘de spierpijn achteraf’

‘Niet dat ik gewoonlijk op hoog niveau speel (reserve derde klasse zondag, ik blink eigenlijk nooit uit) of dat ik atletisch talent heb (mijn motoriek is log, op het houterige af). Maar al zolang ik me kan herinneren structureert voetballen mijn dagen. Ik houd van die geconcentreerde afleiding. Het concrete, afgebakende nastreven van een overwinning. De spierpijn achteraf. Het gebrek aan andere gedachtes of overpeinzingen tijdens het spelen; in het dagelijks leven zit ik veelal piekerend achter een scherm, maar zolang ik voetbal, wil ik niets anders dan winnen, een goal voorkomen, een goal maken - en dan doet de rest van de wereld er niet toe. Logischerwijze is de behoefte daaraan alleen maar toegenomen sinds de pandemie losbarstte, sinds de grondtoon van nieuwsberichten nog pessimistischer was dan voorheen en er verder nauwelijks nog afleiding voorhanden was, dagen achtereen zat ik in mijn eentje thuis, wachtend zonder te weten waarop’.

Fragment uit ‘Voetbal in coronatijd’ van Thomas Heerma van Voss in ‘Hard Gras’, december 2020, Uitg. Ambo-Anthos.

Lege tribunes, niemand luistert

Mart Smeets volgde, zoals altijd, ook dit jaar de sport op de voet. Hij schreef erover, met liefde, soms afkeer, vaak met verbazing. Zo keek hij bij Fox Sports naar de huldiging van Demi Schuurs en Kveta Peschke na het winnen van het vrouwendubbel van het toernooi van Cincinnati. Hij ziet ze een tikje gegeneerd hun bekers tonen aan een enkele cameraman en fotograaf. ‘Stilte op de achtergrond. Dan volgen de bedankjes van de speelsters. Let wel: voor een compleet leeg stadion, met nog diezelfde coaches die lui onderuitgezakt vanaf de tribune landerig toekijken en met een sponsorvertegenwoordiger die half blij staat te zijn. Ze bedanken de ballenjongens en ballenmeisjes, roepen dat ze volgend jaar graag terugkomen en wensen hun tegenstanders veel succes in de rest van het seizoen. Uitgeholde woorden. Lege tribunes, niemand luistert, het zijn platitudes en erger, en de speelsters doen alsof ze blij zijn.’

Uit ‘Stille sport, sportverhalen’, Mart Smeets, november 2020, Uitg. De Kring

Eén uitwedstrijdje, 110 dagen van huis

In het boekje ‘Stille velden’ heeft journalist Hans Klippus het bijzondere sportjaar als een chroniqueur minutieus vastgelegd. Met de grote verhalen en kleine anekdotes, zoals die over het rugbyteam van Samoa dat half februari het tropisch eiland verliet voor een trainingskamp in Nieuw-Zeeland en een wedstrijd in Australië. Maar na de zware verliespartij in Perth (27-52) kunnen de Samoanen niet naar huis. In hun land is een acute lockdown afgekondigd; niemand mag het eiland nog op. De rugbyers betrekken de slaapzaal van een kerk in Auckland. Uiteindelijk wachten ze er tweeënhalve maand. De twintig mannen doden de tijd met fitness en bingo. Eind mei wordt het sein in Samoa op groen gezet. ‘Daar wacht ze nog een onaangename verrassing: de sporters moeten eerst veertien dagen in quarantaine, voordat ze naar hun gezinnen mogen. Al met al zijn ze 110 dagen van huis voor die ene, verloren, uitwedstrijd.’

Uit ‘Stille velden, bizarre sportverhalen uit de lockdown’, Hans Klippus, november 2020, Uitg. Edicola

Lees ook:

Minister Tamara van Ark: We waren ons te weinig bewust van de risico’s in sport

Ook de sport werd dit jaar hard geraakt door de coronapandemie. De financiële zorgen zijn groot en de bewegingsarmoede nam toe. In het turnen kwamen ernstige misstanden naar buiten. Tamara van Ark (46), de nummer twee op de VVD-lijst voor de verkiezingen in maart, is sinds juli minister van sport. Een gesprek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden