Atletiek

Waarom de talentontwikkeling van de Atletiekunie werkt: deze bijzondere generatie is geen toeval

Nadine Visser. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Nadine Visser.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

De Nederlandse kampioenschappen indoor kennen dit weekend meer blikvangers dan lang gebruikelijk was. Waarom gaat het zo goed met de Nederlandse atletiek?

Het waren bijzondere records die de afgelopen weken sneuvelden, nationale records die al decennialang stonden. Vorig jaar baarden meerdere talenten opzien met hun eerste zege in een prestigieuze Diamond League-wedstrijd. Niet alleen Dafne Schippers en Sifan Hassan kunnen zich tegenwoordig meten met de mondiale top, maar ook bijvoorbeeld Femke Bol, Lieke Klaver en Nadine Visser. Het gaat goed met de Nederlandse atletiek, dat is duidelijk. Maar hoe goed? En waarom?

“Het speciale aan de huidige generatie is dat de groep zo breed is”, stelt Ad Roskam, technisch directeur van de Atletiekunie. “Het niveau van de nationale atletiek zit al lange tijd in de lift. Als je kijkt naar de grootte van de bond en het aantal verenigingen, is atletiek geen grote sport in Nederland en daarom denk je: hoelang kunnen we die opgaande lijn vasthouden?” Dan lachend: “Dat blijven we ons afvragen.”

Volgens een oud gezegde is talent er altijd en overal. “Het is dus zaak dat je een goed systeem hebt dat talent vindt”, zegt Roskam. “Wij zijn sinds 2014 heel gericht gaan scouten.” Daarbij wordt vooral gelet op de potentie van een atleet. Hoe groot is de kans dat iemand zich doorontwikkeld? Het prestatieniveau wordt gewogen: welke resultaten zijn behaald met hoeveel trainingsarbeid. Net als de fysieke en mentale kenmerken van de atleet. “Het motortje dat erin zit, is belangrijk. De kop die erop zit ook, zoals we in de sport oneerbiedig zeggen. Is iemand ambitieus, analytisch en in staat tot zelfreflectie?”

Femke Bol (rechts) in actie in Torun, Polen. Beeld Reuters
Femke Bol (rechts) in actie in Torun, Polen.Beeld Reuters

Per talent wordt er bekeken wat de beste vervolgstappen zijn. Daarbij ligt de regie op het nationaal trainingscentrum Papendal. “Dit doen we al langere tijd structureel en nu zie je dat er veel grote talenten komen bovendrijven. Sporters van de buitencategorie, zoals Schippers en Bol, zijn natuurlijk een geval apart. Het is vooral in de breedte te organiseren.”

Het systeem werkt, getuige de resultaten. Dat komt ook omdat de Atletiekunie het blijft verfijnen, verklaart Roskam. “Coaches die het verschil kunnen maken op het hoogste niveau zijn er niet veel in Nederland. Daarom hebben wij die kennis en kunde ingekocht, in de personen van eerst Rana Reider en later Laurent Meuwly. Jarenlang hebben wij vooral tijd gestoken in de talentontwikkeling van de sporter en veel minder in de talentontwikkeling van de trainer. Drie jaar geleden zijn we met een opleiding voor topcoach gestart.”

Ellen van Langen, olympisch kampioen 800 meter in 1992

“Ik ben heel blij met de ontwikkeling van de Nederlandse atletiek. Er is echt een brede, nieuwe lichting van twintigers die internationaal mee kunnen. Dat is toch anders dan een aantal jaar geleden. Dat heeft alles te maken met de voorwaarden die er geschapen zijn. Er is een goede situatie op Papendal met een grote groep gekwalificeerde coaches. Toen ik sportte, lag het zwaartepunt veel meer bij de verenigingen. Er was slechts af en toe een centrale training. De bond had minder zicht op hoe talenten zich lokaal ontwikkelden. Ik heb zelf heel veel geluk gehad met mijn coach, die ik bij toeval trof bij de club. Ik voelde meteen dat hij me verder kon helpen. Nu zijn atleten minder afhankelijk van die geluksfactor.

Omdat ik pas op relatief oudere leeftijd ben begonnen, was ik een vreemde eend in de bijt. Ik specialiseerde me op de 400 en 800 meter, terwijl het destijds gebruikelijk was om allround te worden opgeleid. Op mijn eerste centrale training moest ik opeens ook hordenlopen. Tot mijn schrik, want dat kon ik helemaal niet. Daar werd ik wel een beetje om uitgelachen. Nu is de atletiekwereld minder conservatief. Er wordt meer gekeken naar waar sporters vandaan komen. De aanpak is individueler, en dat is denk ik ook winst.”

Topsport is een vak. Dat draagt de Atletiekunie al sinds 2012 naar atleten uit. Neem je eigen verantwoordelijkheid. “Als je sporters zo van jongs af aan begeleidt, worden ze betere en zelfstandigere atleten. Dat maakt de kans groter dat ze het leven van een topsporter, met alle druk en verwachtingen, aan kunnen.”

“De mens is een kopieermachine. Je leert veel van wat je om je heen ziet. Als bond proberen we de atleet daarom in een lerende omgeving te zetten, waarin hij of zij vanzelf tegenkomt wat er allemaal bij een succesvolle carrière komt kijken. Daarom werkt Papendal zo goed. Als je in dezelfde ruimte traint als Churandy Martina of Dafne Schippers zie je vanzelf wat zij doen. Als zij op hun voeding letten, vind je dat normaal. Als zij hun eigen beslissingen nemen, vind je dat normaal. Dat is het meest krachtige element in talentontwikkeling. Een kenmerk van een talent is immers ook dat-ie snel dingen oppikt. Zo zien wij dus meteen of iemand in potentie een topatleet is, of misschien toch niet.”

Lieke Klaver na winst in de Diamond League in Rome in september 2020. Beeld AFP
Lieke Klaver na winst in de Diamond League in Rome in september 2020.Beeld AFP

Rens Blom, wereldkampioen polsstokhoogspringen in 2005

“Bij internationale wedstrijden doen nu meestal meerdere Nederlanders mee. Dat is weleens anders geweest. In mijn tijd was ik vaak de enige. Ik denk dat de verandering komt door de focus van de Atletiekunie op topsportprogramma’s. Toen ik een tiener was, moest ik naar België rijden voor de techniektraining. Hier in Nederland waren geen faciliteiten. Eén keer in de twee weken bracht mijn vader me. Daar aangekomen moesten we eerst zelf de aanloop uitrollen en de valmatten opbouwen. Om meer met polsstok te kunnen trainen, ben ik uiteindelijk naar Duitsland verhuisd.

In het verleden zijn er een paar uitzonderlijke prestaties geweest, die puur en alleen voortkwamen uit de inzet en bevlogenheid van de atleet zelf. Mijn titel is daar ook een voorbeeld van. Die prestaties hebben de ogen van de beleidsmakers geopend. Ik weet nog dat we bij de Olympische Spelen van Sydney, in 2000, met Joop Alberda om de tafel zaten, de toenmalige technisch directeur van NOC-NSF. Hij zei: ‘dit gaat zo niet langer, er moet iets veranderen in de atletiek’. Daarna is Papendal als centrale trainingslocatie opgebouwd. Daar ligt denk ik de basis voor het hoge niveau van dit moment. Het is echt bijzonder dat er nu over verschillende disciplines toppers bij zitten.”

Lees ook:

Jong atletiektalent van eigen bodem breekt mondiaal door

Femke Bol en Lieke Klaver beleefden dit atletiekseizoen hun internationale doorbraak. Waarom bracht juist de 400 meter – hun afstand - Nederlands succes?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden