ColumnMarijn de Vries

Vroeger mocht dat nog, bier drinken en worst eten op de Oude Kwaremont

Hij reed door een tunnel van geluid, die laatste handvol ­secondes. Gejuich, geklap, gejoel. Aanmoedigend gebalde vuisten, met of zonder roze ballon erin. De tifosi hadden natuurlijk liever een Italiaan zien winnen, maar als het een ander moest zijn: vooruit, die stijvolle Nederlander dan. Smaakmaker in tijdritten, sinds enige tijd.

Zaterdag was het precies drie jaar geleden dat er historie werd geschreven: Tom Dumoulin pakte zijn eerste roze trui in de Giro d’Italia die hij won. Een beetje onwennig op het podium hoekte hij bijna de rondemiss neer, op het moment dat ze hem wilde kussen. Nog elf etappes moesten er komen, dat poepincident, en twee dagen Nairo Quintana in het roze. Maar in de afsluitende tijdrit naar Milaan trok Tom, als eerste Nederlandse man ooit, de Giro naar zich toe.

De beelden na die etappe staan voor eeuwig op mijn netvlies. De euforie van de hele ploeg van Sunweb, op het podium met de armen om elkaar heen. Juichend, vierend, de wereld tonend: Tom heeft dit niet alleen gedaan. Het was een teamprestatie. Heel Milaan vierde mee. De mensenmassa rondom het podium, schouder aan schouder, de deinend roze zee.

Daar moest ik aan denken toen ik de eerste beelden van de herstart van het Duitse voetbal zag. Dortmund tegen Schalke. Normaal een net zo kolkend feest. Maar nu hebben we het nieuwe normaal – met verlatenheid rondom immense stadions. Leegte in de catacomben. Looproutes voor het handjevol mensen dat beroepshalve wel bij de wedstrijd mag zijn. De mondkapjes, het afstand houden. Je kan het ontsmettingsmiddel bijna ruiken. Zo klinisch.

De romanticus in mij weet zich geen raad. Dus betrap ik mezelf steeds vaker op de oma-modus. Vroeger. Och jongens, vroeger. Vroeger was alles beter. Toen mocht je elkaar nog omhelzen bij een doelpunt. Toen mocht je nog met z’n allen juichen in een stadion. Toen mocht je nog bier drinken en worst eten op de Oude Kwaremont. Of op elkaars hakken trappen bij de finish. Toen mocht je nog.

Ik verdwijn steeds vaker in herinneringen aan wat ooit was. Het lijkt zo lang geleden, al. Wat moet je dan? Wennen aan een wedstrijd als een echoput? Het dode ploffen van de bal, het kale roepen van de spelers naar elkaar. “Hier, hier!” Nee. Liever droom ik van vroeger. En hoop ik vurig dat het terugkomt, en rap een beetje. Voor mezelf, als sportkijker. Maar ook voor de sporters zelf.

Als je weet hoe het voelt om door publiek gedragen te worden, weet je ook dat het een essentieel verschil maakt of ze er zijn of niet. De Oude Kwaremont tijdens de Ronde van Vlaanderen, de Muur van Huy tijdens de Waalse Pijl. De ploegentijdritten tijdens wereldkampioenschappen. Florence was verreweg de mooiste. Over de kasseien naar de Duomo, door de luxe winkelstraten, met mensen, zoveel mensen, rijendik.

Kippenvel tot in m’n ingewanden. Nu zou je de tijdritfietsen horen rammelen. Carbongeklapper en gestuiter. Daar is echt niets romantisch aan. Daar krijg je alles behalve vleugels van. Goed, als het moet, omdat er anders helemaal geen koers is. Tuurlijk. Maar net als in de Bundesliga wordt het anders. Er mist een cruciale factor. Zonder publiek is sport niet alleen ontzettend kaal, sporters missen net dat extra zetje. Dat extra duwtje. Dat vonkje publiek in benen, voeten of armen. Dat is eruit.

Het is niet anders. Maar oma hier verlangt vreselijk terug naar vroeger. En troost zich deze weken elke dag met fragmenten uit die Giro van 2017.

Journalist en voormalig profwielrenner Marijn de Vries fietst u elke maandag door het sportweekend. Lees hier eerdere columns terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden