InterviewHomoseksualiteit

Voor mannen die op mannen vallen, is in de topsport nog altijd geen plek

Oud-hockeyer Pepijn Keppel schreef een boek over zijn coming-out als topsporter. Beeld Patrick Post
Oud-hockeyer Pepijn Keppel schreef een boek over zijn coming-out als topsporter.Beeld Patrick Post

Uit de kast komen is in de topsportwereld nog altijd een taboe. Voormalig tophockeyer Pepijn Keppel heeft over zijn eigen ervaringen een boek geschreven.

Esther Scholten

Hij dacht niet aan winnen, alleen aan verliezen. Pepijn Keppel bracht zijn jeugd door op de hockeyvelden. Een groot talent was hij, dat in de nationale selecties speelde. Maar om zichzelf te kunnen zijn, moest hij uiteindelijk stoppen. “In topsport is geen ruimte voor mannen die op mannen vallen. Homo is een scheldwoord. Het wordt in één adem genoemd met ziektes en verdriet.”

Keppel (26) is een van de eerste Nederlandse topsporter die uit de kast komt en daar een boek over schrijft. Volgens hem is het een van de laatste taboes: een coming-out in de wereld die draait om het recht van de sterkste en het verleggen van fysieke grenzen. Zelf ging hij er mentaal bijna aan onderdoor.

Topsportgevangenis

Veelzeggend is wat dat betreft de passage over het moment dat hij verkozen werd in Oranje onder-16. Die dag stierf er naar eigen zeggen wat. Keppel spreekt van een ‘topsportgevangenis’, “een gouden kooi waar je lastig uitkomt”. In die onveilige omgeving moest hij op zoek naar zijn eigen identiteit. “Ik voerde de hele tijd een dubbel gevecht: tegen de tegenstander en tegen mezelf. Het was niet alleen ik tegen die ander, maar ook altijd ik tegen ik.”

Aan de muur in de woonkamer van zijn appartement, vier hoog achter in Amsterdam, hangt een oude wielrenfiets. Het frame dient als decoratie, maar staat ook symbool voor herwonnen vrijheid: fietsen betekent sporten zonder beoordeeld te worden. Keppel geniet er van. De diepe eenzaamheid ligt achter hem, net als de angst om ontmaskerd te worden.

Hij vindt het belangrijk om zijn verhaal te delen. Er zijn in de sport weinig boegbeelden van seksuele diversiteit. Bij de mannen kent hij in het hockey, voetbal of tennis – toch de grotere sporten – niet één Nederlandse topsporter die op dit moment openlijk homoseksueel is.

“Dat is problematisch. Bij de vrouwen zie je dat voorbeelden voor jongeren de drempel verlagen om zichzelf te durven zijn. Ik hoop dat mijn boek bijdraagt aan de dialoog. Wat betekent het om in de kast te zitten? Hoe is het om jong geselecteerd te worden en daardoor geïsoleerd te raken van je omgeving? Verhalen over die combinatie zijn zo schaars.”

Een ander leven

De topsportwereld verergerde Keppels worsteling met zijn geaardheid. Om dat goed te begrijpen, zegt hij, moet je weten wat het effect is van topsport bedrijven op jonge leeftijd. “Je leidt een heel ander leven dan je klasgenoten. Als zij buiten schooltijd met elkaar afspreken, ben jij er niet bij. Je krijgt daardoor niet de kans om je sociaal te ontwikkelen op andere momenten dan in het klaslokaal of op het hockeyveld.”

null Beeld

Keppel verdwaalde binnen dat beperkte referentiekader, in zijn eigen verwarrende gevoelens. Alleen was hij, alleen bleef hij. Niet voor niets heeft hij nog contact met welgeteld één oud-ploeggenoot, terwijl hij met meer dan honderd jongens heeft samengespeeld. “Als die sportwereld een heteronormatieve omgeving is waar je niet jezelf kunt zijn, die bovendien vol zit met excessen, dan ben je zo erg bezig jezelf een plek aan te meten in een vijandig milieu dat je ook binnen die wereld geïsoleerd raakt.”

Als achttienjarige was Keppel 48 uur per week bezig met hockey. Dat zegt volgens hem alles over hoe extreem die wereld is. Het werd zijn identiteit. Hij was topsporter. Punt. Alles gebeurde op de grens. Hij wist niet anders. “Je traint op de rand van overbelasting. Zo ga je ook met elkaar om: je gaat tot de grens van wat de ander accepteert.” Na een korte pauze: “Bij mij lag die grens wat eerder, denk ik.”

Bang om ontdekt te worden

“Als puber wil je geen scheldwoord zijn. Je wil hetzelfde zijn als iedereen, anders ben je bang dat je er niet meer bij hoort. Als er flikker werd geroepen, greep dat me bij de keel. Ik was heel erg bang om ontdekt te worden, maar ook om te stoppen met hockey. Wie ben ik dan nog?”

Daarom leed hij in stilte. Hij was zoekende en vond daar geen ruimte voor. Waar competitie regeert, laten de macho’s hun testosteron gelden. Maar ook voor hetero’s is topsport een lijdensweg. Daar is Keppel van overtuigd. “Alles moet wijken voor de prestatie. Je moet zoveel opofferen dat dat het bijna rechtvaardigt om losbandig te zijn. Na een toernooi wordt er tot diep in de nacht gedronken en dan moet alles kapot. Niet alleen de barkruk die tegen het plafond kapot geslagen wordt, iedereen zuipt ook echt z’n kop eraf. Het ene extreme wisselt het andere extreme af.”

Keppel is mild. In zijn boek en in dit gesprek. Hij begrijpt de uitspattingen, ook de verbale. De druk is immers immens. Zelf vocht hij iedere maandag tegen de demonen in zijn hoofd. Het kon na elke training met Oranje plots afgelopen zijn. “Dan werd je van iets niets. Van vedette tot loser in een dag, zonder aankondiging.”

Er is geen schuldige

Bewust heeft hij zijn geschiedenis anekdotisch beschreven, zonder oordelende toon. Hij laat zien hoe het was en hoe hij dat ervaren heeft. “Er is ook geen schuldige in dit verhaal. Dat ik me zo alleen heb gevoeld, kan ik niemand kwalijk nemen. De hockeybond niet, mijn ouders evenmin. Mijn vader en moeder hebben mijn boek gelezen en wisten driekwart niet. Dat vind ik best confronterend. De strijd heeft zich grotendeels in mijn hoofd afgespeeld.”

“Natuurlijk vraag ik me weleens af: wat als ik het gewoon had gezegd? Dan was het denk ik anders gelopen. Ik hoop dat mijn boek de jongere generatie leert dat je niet bang hoeft te zijn voor je seksualiteit. Als ik destijds meer vrede had gehad met mijn geaardheid en de ruimte had gevoeld dat ik mezelf kon zijn, dan had ik een rolmodel kunnen zijn. Maar ik ben gestopt en het enige wat ik nu nog kan doen, is het voor de hockeyers na mij iets makkelijker maken.”

Hockey is een sport waarvan men denkt dat de kastdeur er niet zo dicht zit. Ten onrechte, weet Keppel. “Hoogopgeleid zijn is echt iets anders dan weldenkend zijn. Bij de meeste verenigingen kunnen ze heel goed in termen van winst en verlies denken, maar minder in sociale acceptatie. Er zijn veel stereotypen aanwezig: de helft van de leden is arts of advocaat. Ze verwachten dat jij ook eindigt met een Range Rover, een vrijstaand huis en het liefst drie kinderen.”

‘Normale’ waarden meegeven

Nadat Keppel stopte met tophockey en zijn ‘nieuwe ik’ liet zien, bleef hij aanvankelijk nog wel verbonden aan zijn club Bloemendaal. Hij coachte een jeugdteam. Tot zijn verbijstering kwamen meerdere ouders van zijn pupillen naar hem toe om te zeggen dat ze zo blij waren dat hij de trainer was: ‘want dan kregen de kinderen ook wat anders mee’. “Dat vond ik zo kwalijk. Ik ben hetzelfde als jullie. Je mag toch hopen dat ik de spelers ‘normale’ normen en waarden meegeef: dat iedereen gewaardeerd moet worden om zijn eigen talent.”

Hij noemt het de oude-wereld-manier van kijken naar anderen. Hij is blij met de emancipatie van de lhbti-gemeenschap in de samenleving, die de laatste jaren in een stroomversnelling lijkt te zitten. Nu de sport nog.

Keppel wil graag het gesprek aangaan, maar wacht nog altijd op de eerste uitnodiging van de hockeybond. “De KNHB heeft mij alleen naar voren geduwd in een of andere diversiteitscampagne, maar ik ben nooit op het bondskantoor gevraagd om te vertellen hoe het voor mij is geweest. Dat noem ik pinkwashing. Net als aanvoerders met een regenboogband. Het is de façade waar je tegenaan kijkt, maar de binnenkant is nog steeds volledig rot.”

Fragmenten uit De laatste man

Opgeven is voor de zwakken, de minderen onder ons. Succes is maakbaar, pijn een emotie: die voel je alleen als je je ervoor openstelt.

De trainer noemde ons ‘mannen’, terwijl we nog jongens waren. Jongens hoorden fouten te maken en daarvan te leren. Wij werden afgerekend op onze fouten.

Mijn wedstrijd ging over wie ik was, en niet kon zijn. Als ik maar goed zou hockeyen, dan kwam vast niemand er ooit achter wie ik werkelijk was.

‘Wat een gaybal. Je bent toch geen mietje, knijpen in je stick.’ ‘Je moet wel heel gay zijn om die bal naast het doel te krijgen.’ Ik probeerde het niet te horen. Toch stierf er telkens iets.

Wie was ik? En wie zou ik nog zijn als ik niet meer zou sporten? Ik was hockeyer, topsporter, waar ik ook kwam. Het was mijn identiteit die me genadeloos in een wurggreep hield.

Als ik zeg wie ik ben, is er geen plek meer voor mij. Dan word ik afgestoten door een wereld waar ik al die jaren in heb rondgelopen. Ik heb niets anders. Het is alles wie ik ben.

De laatste man van Pepijn Keppel verschijnt bij uitgeverij Thomas Rap (208 blz.; 21,99 euro)

Lees ook:

Homodiscriminatie blijft onbestraft in de sport. ‘Er is nog nooit een wedstrijd om stilgelegd’

Hij juicht het toe, alle aandacht voor racisme in het voetbal, maar het wordt tijd dat ook discriminatie van homo’s in het voetbal en homofobe spreekkoren worden aangepakt, vindt Thijs Smeenk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden