SerieTopsport

Veel topsportouders weten het zeker: sport is oorlog. Maar dat is het juist níet.

Beeld Joren Joshua

Duizenden kinderen worden in Nederland opgeleid voor topsport. Lang niet allemaal zijn ze er geschikt voor. In hun begeleiding schort het aan pedagogische vaardigheden bij de coaches. En topsportouders leiden vaak aan ‘het Michels-syndroom' waarin sport ‘oorlog’ is. Dat is het juist níet. Deel 5 van een serie over kinderen en topsport.

Ze dromen van een geslaagd leven als topsporter en trainen soms twintig tot dertig uur per week om de nieuwe Epke, Dafne, Memphis of Lieke te worden. Heel veel topsportkinderen halen die top nooit. Ondanks hun fanatieke trainers en coaches, of misschien wel dankzij die begeleiders?

Topsport op jonge leeftijd heeft schaduwkanten. Schelden, intimidatie, pesten, fysieke uitbuiting en mishandeling blijken geen misstanden die exclusief voor het turnen gelden. Het klimaat is voor kinderen in andere sporten ook lang niet altijd veilig. Dat werd ook duidelijk in het onderzoek dat sportkoepel NOCNSF vorige week presenteerde. Topsportkinderen lopen extra gevaar, of ervaren hun omgeving als onveilig. Niet elk getalenteerd kind kan tegen de druk die de omgeving – coaches, trainers, ouders – uitoefent, niet elk kind is geschikt voor topsport.

Jan-Bram van Luit heeft dat al vaak gezien. Hij was jarenlang waterpolocoach in allerlei geledingen, is zelf opleider van coaches en daarnaast conrector van de Alberdingk Thijmscholen in het Gooi. “Je ziet veel selfmade coaches. Die zijn heel gedreven en kwalitatief erg goed in hun sport, maar het zijn geen experts als het gaat om de pedagogische begeleiding. Daarin zijn ze niet opgeleid. Verdient een kind een schop onder zijn kont of juist een aai over de bol?”

In de kinderopvang worden allerlei veiligheidseisen gesteld, bij sport niet 

“Dit probleem begint bij verenigingen. Neem het waterpolo. Het enige criterium is daar vaak: heeft er iemand tijd? Kennis van zaken is minder van belang. Vanuit bonden worden geen eisen gesteld. Papa’s of mama’s of oud-spelers worden trainers, maar als je jonge kinderen wilt begeleiden heb je meer bagage nodig. Daar ontbreekt het heel erg aan. En dat is vreemd. Aan werknemers in de kinderopvang worden allerlei veiligheidseisen gesteld, en terecht. Waarom dan niet bij sport?”

Over de vraag wie hier in gebreke blijft, wijzen veel vingers naar de bonden en sportkoepel NOCNSF. Hun trainers en coaches hebben in de begeleiding van jonge talenten lang te weinig oog gehad voor pedagogische aspecten. Als er maar gepresteerd werd. De laatste twintig jaar is onder leiding van NOCNSF succesvol gewerkt aan wat de sportkoepel ‘een winnend topsportklimaat’ noemt. Dat resulteerde in veel medailles op EK’s, WK’s en de Olympische Spelen.

Sinds 2000 groeiden de investeringen in de topsport van 27 miljoen euro naar nu 55 miljoen euro per jaar. Dat geld komt vooral van de overheid. NOCNSF verdeelt het over de sporten. Wie minder presteert, krijgt minder geld. Presteren is een verdienmodel, meent Jacques van Rossum. Hij deed als ontwikkelingspsycholoog en bewegingswetenschapper tientallen jaren onderzoek naar talentontwikkeling in de topsport. “Ik herinner me dat Jong Oranje bij het hockey een keer door het ijs zakte op een EK. Iemand van de bond bond zei toen tegen mij: dit scheelt ons zeven ton. Dat is eigenlijk onbestaanbaar.”

Sport zou nu eenmaal een harde leerschool zijn

Bij de druk op bonden, trainers en clubs om nieuwe toppers te genereren, ontbreekt het vaak aan kennis om dat verantwoord te doen, meent Van Rossum. Hij ziet dat de sportinstanties te veel met rendement van hun investeringen bezig zijn. “En dus niet met de ellende die dat oplevert, op de werkvloer. Coaches zijn vrijwel altijd ouderwets bezig. Het perspectief van het kind wordt snel uit het oog verloren. Wetenschappelijk weten we dat dat niet de beste en effectiefste weg is. Bonden en NOCNSF blijven hangen in een model van mythes. Dat sport nu eenmaal een harde leerschool is.”

Zelf had Van Rossum jarenlang een missie, maar met zijn concept ‘Coaches Die Nooit Verliezen’ kreeg hij weinig voet aan de grond. Die wetenschappelijk onderbouwde visie draait om positief coachen en luisteren naar het kind. “De meeste begeleiders, ouders en bestuurders hebben weinig sjoege van welke vaardigheden er bij komen kijken een kind goed en veilig te laten presteren. Er wordt nu te eendimensionaal gekeken, net als in onze economie: hoeveel winst maken we? Sport is véél meer. In de opleiding moet een sporter veel meer zelf te zeggen hebben. Laat het kind zijn eigen verantwoordelijkheid beseffen. Dát is opleiden.”

Grotere autonomie van het kind, en bijvoorbeeld topsportkinderen regelmatig met een vragenlijst naar feedback over de coach uithoren; het wordt al snel als soft gezien. Ook door ouders van talentvolle kinderen. Een coach die foetert langs de lijn, die dwangmatig wijst op het belang van afvallen, die kleinerende of denigrerende opmerkingen maakt tijdens de trainingen, die niet ingrijpt als een ander kind in de groep homovijandige of seksistische grappen maakt; ouders zijn geneigd het te vergoelijken. Omdat het bij de harde wetten van de top zou horen.

Meegezogen in de cultuur

“Dat noem ik het Michels-syndroom. Dat voetbal oorlog is”, zegt Van Rossum. “Topsportouders letten heel erg op elkaar. Allerlei machinaties zorgen ervoor dat zij al snel meegaan in wat gebruikelijk is, dat alles vanuit de prestatie wordt bepaald. Als nieuwe ouder denk je: wat is dit? Daarna word je langzaam meegezogen in die cultuur. Ouders richten hun levens ook in naar hun topsportende kinderen. Dat kind gaat denken: ik moet het wel goed doen. Mijn stelling is: je moet ouders ook trainen, leren, opvoeden. Hoe ze in gesprek kunnen blijven met hun kind. Ik stelde dat bij de jeugdopleiding van Ajax voor maar dat wilden ze niet. Ze waren bang dat ouders zich overal mee gingen bemoeien.”

Als je ouders er niet bij betrekt, dreigt het kind alleen te komen staan, overgeleverd aan vaak ambitieuze trainer-coaches die zelf ook carrière willen maken. “Het gevaar zit vooral bij de subtoppers, degenen die het net niet halen”, zegt Van Luit. “Dat zie je ook bij het turnen. Als ik de dochters Wevers zie, denk ik: die zijn wel opgewassen tegen zo’n regime. Maar de meesten hebben er moeite mee. De topsport heeft die subtoppers nodig, die kan zich niet bedruipen met één of twee talenten. De subtopper wordt vaak een beetje gebruikt. Maar als je je alleen richt op die ene winnaar, creëer je 99 losers. Door het uitvergroten van dat ene succes verwaarloos je de rest.”

In een kamertje op sportcentrum Papendal wil Maurits Hendriks graag wat nuances aanbrengen. De technisch directeur van NOCNSF is in zijn vrije tijd ook coach van het hockeyteam van zijn zoontje van twaalf en ziet wekelijks hoeveel plezier die kinderen hebben. “Heel veel kinderen sporten veilig en willen zelf winnen. Dat begint al heel vroeg.” En in de topsport? NOCNSF staart zich echt niet blind op medailles, zegt Hendriks. “Maar het wezen van topsport is wel dat je je best doet het maximale eruit te halen. Als je dat loslaat, haal je de essentie weg. De financiële bijdrage van NOCNSF aan bonden is gebaseerd op hoe sporten zich ontwikkelen en echt niet alleen op medailles. Bij talenten gaat het om de brede ontwikkeling als mens. Maar daarbij is het óók van belang dat je kinderen een uitdaging biedt.”

Het rapport was een ‘wake-up call’

Toch erkent Hendriks dat er vanuit NOCNSF jaren te weinig aandacht is geweest voor een goed en veilig klimaat bij de opleiding van talenten. Het onderzoek in 2017 naar grensoverschrijdend gedrag in de sport door de commissie onder leiding van oud-minister Klaas de Vries was een ‘wake-up call’. Hendriks wijst op wat er sindsdien is gebeurd: een meldplicht over misstanden voor bestuurders en coaches, een Centrum voor Veiligheid en Sport en het thema veiligheid werd besproken in het Nationaal Coachplatform.

Hendriks: “Voor sommige coaches was het de eerste keer dat ze met het thema geconfronteerd werden. Er is dus nog een lange weg te gaan. Dan heb ik het alleen nog maar over de topsport. Er is nu een leerlijn in ontwikkeling die loopt van het beginniveau bij een vereniging tot het professionele niveau. Daar zijn we nog niet. We hebben nog steeds veel bondscoaches die onvoldoende opgeleid zijn.” Leeft bij de sportbonden het besef dat zij hierin een belangrijke rol hebben? Hendriks: “Doen ze genoeg? Nee, natuurlijk niet. Dat moet veel beter.”

Met een poging tot een cultuuromslag is wel al een begin gemaakt. Paul Wylleman speelt daarin een belangrijke rol. De Vlaamse psycholoog is hoogleraar in Brussel en tevens verbonden aan de Nederlandse sportkoepel. Sinds zijn komst naar Papendal in 2014 ontwikkelde hij een nieuwe, wetenschappelijk onderbouwde aanpak waar bonden en verenigingen mee aan de slag kunnen. Wylleman spreekt van een ‘holistisch model’. “In de ontwikkeling van het kind moet het niet alleen draaien om de sportprestaties. Ook het studieniveau en de sociale en psychologische ontwikkeling zijn belangrijk. Het uitgangspunt is dat de kinderen beter tegen mogelijke excessen worden beschermd als we ze sterker maken, autonomer, zelfstandiger”, zegt Wylleman. “Wij proberen die benadering bij onze eigen coaches en langzaam bij de bonden te krijgen, vervolgens naar verenigingen en de ouders.”

Niet beperken tot de relatie pupil-coach

Ook Wylleman gelooft dat de belangrijke sleutel bij de ouders ligt. Hele gezinnen die emigreren omdat een kind in de jeugdopleiding van een Engelse topclub mag gaan voetballen, Wylleman fronst er zijn wenkbrauwen bij. “Elke ouder vindt het mooi als zijn jonge kind een soort superstatus krijgt, het kind zelf ook, maar we moeten ouders wel gaan informeren wat dat betekent, wat de risico’s zijn als een kind voor topsport kiest. Je kunt dit probleem niet beperken tot de relatie pupil-coach.”

Zowel Wylleman als Hendriks zou hierover graag meer uitwisseling van kennis op gang brengen met het onderwijs en de culturele sector. Ook daar moeten kinderen op jonge leeftijd onder soms hoge druk presteren. Hendriks: “Dit thema is breder dan de sport. Laten we er dan ook gezamenlijk naar gaan kijken.” Wylleman: “Het uitwisselen van kennis zie je in de wetenschappelijk wereld volop, maar in de praktijk, tussen het sportveld, de muziekzaal, en de scholen helaas nog niet.”

Jan-Bram van Luit vindt dat NOCNSF zelf kan beginnen door bij de verdeling van het geld voor topsport andere prioriteiten te leggen. “Stop dat geld vooral in de ontwikkeling van verenigingen en hun coaches.” Jacques van Rossum heeft niet zo veel hoop dat de sportkoepel of bonden echt verandering teweeg gaan brengen. “De afgelopen jaren is ongelooflijk slecht geïnvesteerd in trainer-coaches en begeleiding van jonge sporters. Ik adviseer verenigingen het heft in eigen hand te nemen en niet meer te wachten tot de bond een keer iets doet. Ga eigen kader opleiden en stel kwaliteitseisen op. Laat je niet vertellen door de bond hoe het moet. Die hebben laten blijken het niet te weten, of het niet belangrijk te vinden.”

72 procent in jeugd te maken met grensoverschrijdend gedrag

Van mensen tussen de 18 en 50 jaar oud heeft bijna 72 procent in de jeugdjaren minimaal één keer grensoverschrijdend gedrag in de georganiseerde sport ervaren. Bij ruim twintig procent gaat het om ernstig emotioneel grensoverschrijdend gedrag. Bij 13 procent was dit (ook) lichamelijk, bij 7 procent was sprake van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De daders waren in 87 procent van de gevallen mannen. Deze cijfers werden vorige week gepresenteerd in een onderzoek dat sportkoepel NOCNSF liet uitvoeren door I&O Research en CentERdate. Ruim 9 procent van de georganiseerde sporters doet dat op (hoog) nationaal of internationaal niveau. Zij lopen verhoogd risico het slachtoffer te worden van grensoverschrijdend gedrag. “Te veel met name jonge sporters maken dit mee, soms zo ernstig dat zij daar hun leven lang last van hebben”, zei directeur Gerard Dielessen van NOCNSF in een reactie. 

 Reageren? 

Trouw belicht in een serie het fenomeen topsportkinderen. Wat zijn de gevaren als iemand op jonge leeftijd alles op alles zet voor een carrière in de sport? Maar ook de mooie kanten van zo’n doelgericht leven komen aan bod. Rode draad is de vraag hoe het kind onder die omstandigheden kind kan blijven. Heeft u een reactie of wilt u eigen ervaringen delen? Mail naar sport@trouw.nl

Lees ook: Topsport vraagt offers. Maar is het normaal om die al van kinderen te vragen?

De schokkende verhalen deze zomer over misstanden in de Nederlandse turnwereld roepen veel vragen op. Hoeveel druk ligt er op kinderen die een topsportcarrière ambiëren? Is de prijs niet te hoog? Trouw duikt in hun dagelijkse werkelijkheid.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden