InterviewJudo

Van niets naar wereldkampioen judo: het overkwam Noël van ‘t End

Beeld Patrick Post

Noël van ’t End werd in Japan wereldkampioen judo, nog geen jaar na een zware periode en nog geen jaar voor de Spelen. In het hol van de leeuw, tegen een Japanner, in de geest van Anton Geesink.

Als op 29 augustus een gebutste en gehavende Noël van ’t End zijn eerste ‘dikke vette plak’ weet te winnen, is hij voor altijd gelinkt aan Anton Geesink. Beiden zijn sinds dat moment winnaars in de legendarische Budokan-judohal in Japan. Van ’t End wordt er wereldkampioen judo. In de geest van olympisch kampioen Geesink.

Terug naar het allereerste begin. Van ’t End wordt op 15 juni 1991 geboren in Houten en verhuist snel naar de bossen rond Den Dolder, niet ver van Utrecht. Zijn vader wil een huis waar hij omheen kan lopen.

De tuin blijkt een vrijbuitersplaats voor de vier kinderen van het gezin, judo is de sport binnen de hechte familie. In de jaren negentig reist vader Peter met de kinderen in een felrode Mitsubishi-bus het land door, soms voor twee toernooien per weekend. Kleine Noël vindt judo fantastisch. Het is een sport van tactiek, souplesse, respect en discipline. Het is knokken, maar ook iemand te slim af zijn.

Judo is ook keihard, ondervindt Van ’t End. Bij een sport als zwemmen kan iemand op meerdere afstanden in actie komen. Bij judo kan dat niet. Het is één dag, één moment.

Wakker worden, hardlopen!

Zijn trainingen zijn ook keihard. Om naar de Spelen van Rio de Janeiro te mogen moet hij in 2014 verhuizen naar Haarlem, naar de professionele judoschool Kenamju. Van ’t End leert er werken. Collega Henk Grol staat regelmatig vroeg voor de deur van zijn appartementje. Wakker worden, hardlopen!

De gevleugelde uitspraak van oud-judocoach Cor van der Geest prent hij in: ‘Veel mensen zijn bang ergens 100 procent voor te gaan’. Zo iemand is hij niet, vindt Van ’t End. Zijn studie civiele techniek geeft hij op. Er is geen ‘plan B’. Hij traint dag in, dag uit.

Maar de Spelen van Rio worden een ramp. Van ’t End verliest zijn eerste partij en moet met de ‘losersvlucht’ naar huis. Vijf dagen later rijdt hij naar Frankrijk. Hij gaat er samenwonen met zijn vriendin, de Franse judoka Clarisse Agbegnenou die in Rio zilver wint.

Zij wordt gefêteerd in eigen land, Van ’t End wil niets liever dan zijn sport ontvluchten. Zijn zin in judo is voor het eerst in zijn leven verdwenen. Hij verbouwt hun huis in de Parijse buitenwijk Choisy-le-Roi en gaat met zijn vriendin mee naar recepties. In Togo, waar de ouders van Agbegnenou vandaan komen, mag hij de president niet ontmoeten omdat hij geen nette schoenen aan heeft.

Beeld Patrick Post

De relatie verloopt moeizaam, er komen ruzies. Van ’t End gaat na een half jaar toch weer judoën en wil zich tot Fransman laten naturaliseren, omdat hij zo kan meetrainen met de Franse ploeg. Bovendien is het in Frankrijk goed geld verdienen. Maar de Nederlandse bond laat hem niet gaan. Ze hebben te veel in hem geïnvesteerd om zomaar toe te geven.

Pendelen

Van ’t End moet om de twee weken heen en weer pendelen, maar daardoor leeft hij half-half. Bovendien voelt hij zich niet thuis in Frankrijk. Hij spreekt de taal niet, is niet gedisciplineerd genoeg voor een zelfstudie en wil liever bij familie zijn die elke zaterdag naar opa en tot drie jaar geleden ook oma gaat. “Alles ging tegen mij”, zegt hij.

Dan volgt het besluit: hij geeft de relatie op, trekt weer in bij zijn ouders. Hij sluit zich mentaal kapot op in zijn kamer. Vlucht in PlayStation-games als Fortnite of Call of Duty. De headset is zijn enige manier van communicatie. Hij speelt vaak en veel, altijd met zijn broers. Op die manier zijn zij er voor hem.

Zijn judoprestaties lijden lange tijd onder de chaos in zijn hoofd. Op de WK in Azerbeidzjan eind september 2018 wordt hij negende. Dat heeft grote gevolgen. Hij verliest zijn A-status bij NOC-NSF. Plotsklaps heeft hij geen inkomen, geen eigen huis: het leven is meer dan slecht.

Bij de Grand Prix in Den Haag een maand later bereikt hij zijn dieptepunt. Hij verliest op de mat, voor de zoveelste keer. Bovendien is het definitief uit met Clarisse. In zijn auto ligt nog een schilderij dat hij die dag terug gaat geven. Ze ondertekenen papieren, sluiten hun toekomst af. “We zouden gaan trouwen. Ik dacht echt dat zij de ware was.”

Waarom judo ik nog?

Er gonzen na afloop talloze vragen door zijn hoofd. Waarom deze pijn? Waarom judo ik nog? Waarom woon ik op mijn 28ste nog thuis? Wat dóe ik eigenlijk?

In de auto naar huis volgt een lang gesprek met zijn vader, die bij elk toernooi van zijn zoon aanwezig is. Terug naar die 100 procent, is de conclusie. Ze vinden een appartement bij Papendal. Maar maandenlang wil hij er niet slapen. Hij wil niet alleen zijn, heeft geen zin om te koken. Pas heel langzaam begint hij te wennen.

Gek genoeg is het sportief dan opeens gaan lopen. Na ‘Den Haag’ is de druk eraf. Van ’t End wordt in november tweede bij de Grand Slam in Osaka. Het is zijn beste toernooi van zijn leven. Hij merkt dat de stijl van zijn nieuwe trainer hem helpt. De Brit Jean-Paul Bell is niet zo van de harde aanpak. Relaxed en met humor: Van ’t End wordt er veel zelfverzekerder door. Inmiddels gaan ze elke woensdag uit eten in Arnhem.

Van oud-tegenstander Guillaume Elmont hoort hij bovendien dat hij niet ‘moet’ winnen, maar ‘kan’ winnen. Elmont leert hem ademhalingsoefeningen (vier seconden in, vier seconden vast, vier seconden uit) en maakt mindmaps (een diagram met informatie, red.) van tegenstanders. Van ’t End vindt één filmpje van opponenten kijken vaak genoeg, maar ook een topsporter moet huiswerk maken, of hij het leuk vindt of niet.

Van ’t End-dag

Dan is het 29 augustus 2019 in Japan. De wekker gaat om 08.00 uur. In de Budokan-hal wordt die dag de wereldkampioen in de klasse tot negentig kilo gekroond. Het is Van ’t End-dag. Posters van Anton Geesink hangen overal. Geesink werd op dezelfde plek in 1964 olympisch kampioen, door in de vrije gewichtsklasse een Japanner te verslaan. Sinds die dag wordt de Nederlander vereerd. Meer nog in Japan dan in Nederland.

Van ’t End is niet gelovig, maar veel andere mensen wel, dus misschien helpt het. Daarom smiespelt hij voorafgaand aan zijn partijen zacht voor zich uit. Hij vraagt iemand om hulp. Dit keer is het Geesink. “Help me, Anton.”

Als Van ’t End de opwarmruimte inloopt, scant hij de omgeving, op zoek naar een prullenbak. Sinds hij zich volledig op het judo heeft geworpen, speelt de stress hem parten. Zijn leven is afhankelijk van resultaat, maar dat gegeven brengt zoveel spanning mee dat hij voor bijna elke wedstrijd moet overgeven. Meestal moet hij voor de weging van een wedstrijd vier tot vijf kilo afvallen. Daarna is het geaccepteerd om bij te eten. Van ’t End doet dat nooit, omdat het er bij hem toch weer uitkomt. Zo staat hij nooit topfit op de tatami.

Ademhalingsoefeningen

Hoewel hij zijn gevoel steeds vaker kan onderdrukken, schuift hij in de budokan de prullenbak toch tien meter dichterbij. Voor de zekerheid. Misschien kan hij zijn ontbijt van een shake en havermout niet binnenhouden. De ademhalingsoefeningen helpen hem rustig blijven. Hij weet: één dag, één moment.

In de eerste ronde is de Duitser Trippel geen partij. Van ’t End houdt zich aan zijn ‘abc’tje’. Links mouw, rechts revers, en linkerarm meenemen: A-B-C. Het is iets wat hij leerde om het woordje ‘moeten’ te ontwijken.

Op de mat is de wereld kleiner dan ooit. Van ’t End heeft een cilinderafwijking. Myopie van -5. Vanaf zijn vijfde draagt hij al een bril. Op de mat mag een bril niet, en lenzen heeft hij ook niet in. Die zitten na een flinke klets al scheef. Daarom ziet hij niet of er twintig haren op een hand zitten, maar wel dat die hand komt en in welke richting. Dat is voor hem genoeg.

Slecht zien is een voordeel, vindt hij. Al het andere dan de tegenstander wordt ruis. Soms moet hij knijpen om op het scorebord te zien hoe lang de partij nog duurt. Dan denkt iedereen dat hij boos is, terwijl dat echt wel meevalt.

De eerste vier partijen doet Van ’t End niets fout. Hij laat zich niet verleiden, houdt de regie. Na winst op de Fransman Clerget zit hij in de halve finale. In de pauze tussen ochtend- en middagprogramma zondert hij zich af. ‘Great Spirit’ van Armin van Buuren knalt door zijn koptelefoon. Van ’t End doet nog even zijn ogen dicht. “Help me, Anton.”

In de halve finale wordt hij behandeld voor een wondje. Bovendien scheuren zijn nagels af. Er komt steeds meer tape om zijn vingers. Een bult onder zijn rechterwenkbrauw doet het zicht flink verminderen. Er is weinig meer over van zijn Clark Kent-imago, de ‘burgerversie’ van Superman. De Serviër Majdov vliegt desondanks in de golden score hoog door de lucht en eindigt vol op de rug.

O-soto ko-soto

Finale. Op dezelfde plek waar Geesink stond. Ook tegen een Japanner, Shoichiro Mukai, in hét judoland ter wereld. Het hol van de leeuw. Van ’t End heeft geen idee in wat voor situatie hij is beland. Pas als hij bij de eerste pakking twee harde stoten op zijn borst krijgt, is hij wakker.

De wedstrijd gaat tot 39 seconden voor tijd gelijk op. Dan heeft Van ’t End al een minuut lang gezien dat Mukai zijn linkerbeen wat ver naar voren houdt. Hij haakt zijn linkerbeen achter de linker van Mukai. De Japanner wankelt naar achter, denkt dat hij de aanval heeft afgewend. Maar het rechterbeen van Van ’t End maakt dan al een veegbeweging en zwiept de enkel van Mukai van de mat. Hij heeft ruim een jaar getraind op die combinatie, de o-soto ko-soto.

Het is een score. Het is geen ippon, maar waza-ari. Er zijn nog luttele seconden te gaan. Van ’t End is streng voor zichzelf. Als ik dit verlies, kan ik mezelf nooit meer aankijken. Hij houdt vol. Hij is wereldkampioen, nog geen jaar na het diepste dal. Zijn vader klimt onhandig de tribune af, uitzinnig van vreugde. Van ’t End heeft geen idee wat hij moet zeggen. Alles is een roes.

Eenmaal in zijn hotel verbindt hij zijn telefoon met het wifi-netwerk. Hij krijgt een NOS-pushbericht:

‘Noël van ’t End wereldkampioen judo’. Wow, denkt hij. Dit is wel echt geschiedenis, anders wordt het echt niet zo gemeld. Van ’t End is de eerste Nederlandse wereldkampioen judo in tien jaar.

Op naar Tokio

Later hangt Mark Rutte aan de lijn. Een maand later spreekt hij in Nederland wederom met de premier. Van ’t End voelt zich op zijn gemak bij de staatsman die zijn All Stars aan heeft en hem vertelt dat hij ook ademhalingsoefeningen doet. Tijdens een diner met de koning en koningin weet hij niet goed hoe hij zich moet gedragen.

In januari is alle aandacht voorbij, belooft hij zichzelf. Dan pakt hij zijn topsportleven weer op. Op naar Tokio 2020, de Spelen in de Budokan. Krachttraining, gamen en in de avond judo. Dat is waar hij zich prettig bij voelt.

Belangrijker is dat hij persoonlijk nooit meer zo diep gaat vallen als na 2016, of na 2018. “Ik ga niet zoveel meer opgeven voor mijn sport. Er zijn genoeg opties voor een plan B. Ik kan doorgaan tot de Spelen van Parijs, of ik ga studeren. Ik doe nu een opleiding tot judocoach. Er is genoeg wat ik leuk vind. Dat is goed voor mij.”

Lees ook: 

De Nederlandse ploeg verrast ook zichzelf met het judosucces in Japan

Nederland keek terug op een succesvol WK judo in Japan. Maar succes nu, is geen garantie voor mooie prestaties op de Olympische Spelen volgend jaar, waarschuwt de bondscoach. ‘Dan is alles net wat scherper, net wat sneller.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden