null Beeld

ColumnMarijn de Vries

Stop met stoer en heldhaftig doen, stap gewoon van je fiets af met een botbreuk

Liefst had ik natuurlijk een lyrisch verhaal ­geschreven over het eerste weekend van de Tour. De Tour, die er eindelijk is. In augustus. Nou ja, september bijna. De Tour! Het zwarte gat dat het jaar tot nog toe was, is eventjes ­gesloten, er is iets te beleven, iets anders dan ziekte en ellende, er is iets léuks te volgen op tv!

Toen bleek de eerste etappe er ook eentje vol ellende. Een kegelbaan werden de wegen rondom Nice, de regen maakte het asfalt, dat al tijden niet echt nat was geweest, spekglad. Olie van de auto’s en rubber van de banden, het doet glijden en glibberen als er water op komt. Bijna alle renners vielen vroeger of later in de koers. De een met meer zeer dan de ander.

Wout Poels viel hard. Ik heb een zwak voor Wout. Die lange slungel met zijn grote bruine ogen, waar hij zo vriendelijk uit kijkt. Hij viel zo hard dat een rib scheurde en zijn longen kneusden. Zaterdagavond spuugde hij bloed, las ik in een bericht van NOS-verslaggever Han Kock, maar zondag ging hij toch van start. Net als vele gehavende collega’s, minder gehavend weliswaar, maar gehavend waren ze.

De discussie in het wielrennen gaat al een paar weken over veiligheid. Dranghekken, massasprints bergaf, afdalingen met gaten en met grind: het is al jaren hetzelfde, er verandert niks. Er moet nu eindelijk eens écht paal en perk aan gesteld worden. Iedereen wees naar de UCI. Doe iets! Zelf deden de renners ook wat, althans, Tony Martin spreidde aan kop van het peloton zijn armen toen het echt te gortig werd. We rijden rustig verder, gebaarde hij, geen gekoers meer – er hebben genoeg mannen op de grond gelegen nu.

Botbreuken. Grote wonden. Hersenschuddingen.

Heel goed, dacht ik, toen ik na de finish Robert Gesink hoorde briesen over de gladheid op het parcours. Dat de UCI dat eerder serieus moet nemen en niet halfslachtig, met het stilzetten van de klok op drie kilometer voor de finish. Zeg het, Robert, dacht ik. Zeg er eindelijk wat van. Datzelfde dacht ik gisterochtend nog een keer, toen ik las dat Wout Poels ­gewoon weer starten ging.

Hoe groot mijn zwak voor Wout ook is en hoezeer ik hem na jaren knechten zijn kopmanschap ook gun, is opstappen met zulke kwetsuren nou verantwoord? Is dat veilig gedrag? Is het logisch een grote mond te hebben over een parcours met mankementen, te ­wijzen naar koersorganisaties en UCI, als renners op vlakken waar ze zelf alle invloed op hebben de veiligheid niet zo serieus lijken te nemen?

Jarenlang was het stoer en heldhaftig om met grote blessures de Tour uit te rijden. Met botbreuken. Grote wonden. Hersenschuddingen. Want wielrenners zijn de gladiatoren van de weg. Als je er weldenkend naar kijkt, moeten we echt eens stoppen met het verheerlijken daarvan. Het is niet stoer. Het is geen goed voorbeeld.

Ik bedoel: wat wil je uitstralen als sport? Dat je een jankerd bent, omdat je afstapt vanwege iets ‘futiels’ als een gebroken bot? Dat is toch geen gezond sportklimaat?

Het verheugt me dat zoveel renners de laatste weken feller zijn geworden als het gaat om veiligheid. Maar ­eigenlijk vind ik dat het peloton ook naar zichzelf moet kijken. Heb je een botbreuk of iets vergelijkbaars? Dan stap je af, zelfs in de Tour. Voor jezelf en voor je sport.

Als renners de sport veiliger willen, dan mag het naast dranghekken ook best over gezondheid gaan.

Journalist en voormalig profwielrenner Marijn de Vries fietst u elke maandag door het sportweekend. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden