Pieter van den Hoogenband, thuis in Waalre: 'Wat is nou de waarde van het leven? Vrienden en verhalen, dat zijn mijn drijfveren.'

InterviewPieter van den Hoogenband

Pieter van den Hoogenband: ‘Het leven draait om het opdoen van verhalen’

Pieter van den Hoogenband, thuis in Waalre: 'Wat is nou de waarde van het leven? Vrienden en verhalen, dat zijn mijn drijfveren.'Beeld Merlin Daleman

Vijf maanden voor de Olympische Spelen praat Pieter van den Hoogenband (41) over zijn rol als chef de mission. ‘Ik geloof in de stoïcijnse filosofie.’

Hij woont fraai en ruim, in de bossen van Waalre, onder Eindhoven. Hemelsbreed is het amper twee kilometer van het bad waar hij ontelbare uren in het water lag en de tegeltjes eindeloos vaak onder zich voorbij zag glijden. Het heeft Pieter van den Hoogenband veel opgeleverd. In zijn eigen werkkamer hangen grote zwart-witfoto’s van zijn helden: Martin Luther King, Fanny Blankers Koen, Bob Marley, Johnny Weismuller, Mohammed Ali, Einstein. Mensen die miljoenen in de wereld wisten te inspireren.

Van den Hoogenbands vrouw Marie-José hangt er met een groot portret ook tussen. Samen met haar runt hij een samengesteld gezin met vier kinderen, twee van haar en twee van hem uit eerdere huwelijken. Marie-José, een ex-makelaar, ontmoette hij acht jaar terug. Zij bewaakt nu zijn afspraken en geeft een ongezouten mening als het moet.

“Zelf je kritiek organiseren, dat is belangrijk”, zegt Van den Hoogenband. “Ik geef een voorbeeld. Op weg naar de Spelen van Sydney in 2000 blaakte ik van het vertrouwen. Ik was zesvoudig Europees kampioen, sportman van Europa en Nederland, ik was helemaal klaar voor mijn ultieme doel. Er speelde toen iets met mijn blindedarm. Ik had discussie met de medische staf en mijn vader Cees-Rein. Ik zag die blindedarm als het enige risico dat mij van olympisch goud kon afhouden. Kijk, dan sla je dus door. Dan heb je mensen nodig die je bij de les houden. Ik heb nu verschillende critici om me heen. Marie-José is er een van.”

Aan dit huwelijk ging een scheiding vooraf, niet lang na je actieve carrière. Dat is een periode waarin je een nieuwe balans moet zoeken. Had je last van het zwarte gat?

“Nee. Dat ik minder voor mensen ging betekenen, interesseert me echt helemaal niks. Ik deed het daar nooit voor. Rijkdom en roem waren en zijn bijzaken. Jacco Verhaeren, mijn trainer, en mijn pa hebben er altijd voor gezorgd dat ik hoofd- en bijzaken scheidde. De hoofdzaak was mijn intrinsieke motivatie en mijn passie voor zwemmen. Bekendheid was bijzaak. Dat is ook een van de redenen waarom ik het niet had hoeven doen, chef de mission worden. Ik had een fijn leven, ik zit niet op die schijnwerpers te wachten.”

Maar als je stopt, ben je die hoofdzaak, die passie, ineens kwijt.

“Iets nieuws vinden waar je de beste van de wereld in bent, gaat nooit meer lukken. Dat moet je accepteren, anders raak je gefrustreerd. Wees dankbaar voor wat er wel is. Ik hoef nu niet meer onder die discobal in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ik sta nu bij wijze van spreken aan de bar te genieten van de mensen die nu onder de discobal staan. Ik heb geen moeite met die rol. Ik was ook te nieuwsgierig naar het leven na de sport. Ik deed met mijn 40 studiepuntjes geneeskunde dingen in het bedrijfsleven en moest met de lunch weer gewoon in de rij aansluiten met mijn dienblad. Maar hé, eigenlijk niets bijzonders. Als zwemmer sliep ik ook in Formule 1-hotelletjes, ergens in Charleroi.”

Nu ben je het hoofd van de olympische ploeg. Wat neem je daarin mee uit je eigen carrière?

“Voor mij was het altijd belangrijk om niet opnieuw het wiel te hoeven uitvinden. Hoe organiseren andere sporten hun succes? In Atlanta in 1996 hadden we best wat bereikt, maar we waren geen wereldtop. We moesten slimmer worden. We zagen bijvoorbeeld hoe Paul Haarhuis en Jacco Eltingh als succesvol dubbel over ieder detail nadachten. We vroegen coaches uit andere sporten, Bram van Bokhoven, Jac Orie en Henk Kraaijenhof, om bij ons als een soort raad van kritiek naar de training te komen kijken. Die kruisbestuiving zou ik nu nog veel meer willen stimuleren. Op Papendal gebeurt dat al, dat ademt echt sport, je ziet verschillende sporters samen krachttraining doen. Maar dat kan nog naar een next level.”

Pieter van den Hoogenband. Beeld Merlin Daleman

Met Jacco Verhaeren heeft Van den Hoogenband nog altijd een ‘onverwoestbare vriendschap’. Tijdens het interview belt Verhaeren, vanuit Australië, waar hij hoofdcoach is van de zwemmers. Na Tokio keert hij terug naar Europa. Onlangs zinspeelde Verhaeren op een rol als technisch directeur bij NOC-NSF.

Zou dat een goed idee zijn?

“Jacco zou dat met zijn kwaliteiten zeker kunnen, maar met Maurits Hendriks zit er nu al een heel goede man op die positie. Het is niet aan de orde. Ik weet ook dat er aan Jacco wordt getrokken vanuit de International Swimming League, maar ook vanuit de Franse zwembond met het oog op Parijs 2024. En bovendien, Maurits is echt de architect van hoe goed het nu is georganiseerd. Al die mensen die op Papendal rondlopen, daar zit me een kénnis, ik ben daar echt van onder de indruk. Maurits is nu alweer bezig met de Winterspelen van 2022 en de afspraken voor Parijs 2024.”

Is voor jou het IOC-lidmaatschap de volgende stap? Nederland heeft nu niemand in het IOC.

Na lang nadenken: “Nee.”

Waarom niet?

“Ik voel me op deze positie nu enorm senang. Ik heb een ondersteunende rol en ben bewaker van het optimale prestatieklimaat. Ik moet ook het plezier erin houden, zorgen dat mensen niet verkrampt raken. Dat ligt mij. Een rol in het IOC is heel bestuurlijk, daar ben ik totaal niet mee bezig. Ik betwijfel ook of mijn competenties daar tot hun recht komen. Ik was laatst op uitnodiging van het IOC in Lausanne om met andere chefs te praten over de toekomst van de sport. Vanuit deze rol kan ik ook veel impact hebben.”

Je bent toch ooit voor het IOC gepolst, door koning Willem-Alexander?

“Ach, wat is gepolst? Er zijn destijds gesprekken geweest, rond de Spelen van Peking in 2008, maar ik was nog heel bleu en had jaren met oogkleppen op geleefd. Ik moest nog echt meters gaan maken. Over mijn gesprekken met Willem-Alexander ga ik niet uitweiden. Gezien de relatie die ik met hem heb, vind ik dat niet netjes. We spraken toen wel vaker met elkaar, over diverse onderwerpen. Maar we hadden toen ook te maken met andere bestuurders, de Bolhuizen, Terpstra’s en Verbruggens met hun ambities. Het IOC had en heeft gewoon niet mijn prioriteit. Ik ben nu op mijn plek.”

Waarom is dit zo leuk?

“Ik heb in mijn leven best wel wat meegemaakt, sportief maar ook privé, met die scheiding. En ik heb dierbare vrienden verloren. Dat zijn cruciale gebeurtenissen, waarbij je je afvraagt: wat is nou de waarde van het leven, wat is echt belangrijk? Vrienden en verhalen, dat zijn mijn drijfveren. Het leven draait om mensen die je gaat missen, als ze er niet meer zijn. En het draait om het opdoen en beleven van verhalen. Avonturen verrijken je leven. De functie van chef de mission zie ik ook zo.”

Waar heb jij al een verschil kunnen maken?

“Dat kun je niet van jezelf zeggen. Ik stuur op vertrouwen en eigen verantwoordelijkheid voor de sporters, niet op controle, want dat is indirect wantrouwen. Nu hoor ik van hen terug: ‘Mooi chef, want hoe meer regeltjes hoe recalcitranter ik word’. Dat had ik zelf ook. Ik was ook een rebel, niet om te rebelleren, maar om functioneel verzet te plegen. Ik heb nu veel aan chefs die ik zelf heb meegemaakt. Mickey Huijbregtsen in Atlanta bijvoorbeeld, die vroeg: ‘Wat hebben jullie de komende jaren nodig om nog beter te worden?’ Aarzelend zeiden wij: ‘75.000 gulden?’ ‘Bij deze geregeld’, zei Huijbregtsen. Hij gaf meteen vertrouwen. Later leerde ik veel van Jan Loorbach, die ondanks zijn lengte totaal niet in de weg liep. Ik zag hoe hij met humor een fantastische bijdrage leverde aan het succes van Sydney.

“Ik geef sporters verantwoordelijkheid. Je wordt er toch gek van, als de leiding bepaalt wat je mag en niet mag? Ik ben van de lusten en de lasten. Ga dus netjes met de kleding en sponsors om. Maar giet dat niet in zoveel regels dat er een kramp ontstaat. Doe gewoon normaal. Ik ga uit van het principe dat de meeste mensen deugen. Ja, er is altijd wel iemand die buiten de lijntjes gaat. Vaak zijn dat wel kleurrijke figuren.”

Yuri van Gelder zorgde in Rio voor een flinke rel. Ben jij op dat soort zaken voorbereid?

“Dat probeer ik. Door met mensen te sparren. Het gaat ook om acceptatie van het grijze gebied. In de sport is veel zwart en wit. Ik kom er nu achter dat er altijd een context en nuances zijn. Je moet je eerst goed informeren en even uitzoomen. Ik ben in Tokio om onze missie op rolletjes te laten verlopen, zodat sporters en coaches hun ding kunnen doen. Maar er is een heel team dat mij adviseert. En vervolgens moet je je eigen morele kompas volgen.”

Eén verkeerde zin voor de camera van CNN kan jouw imago enorm aantasten.

“Zo denken, dat is leven in angst. Hopelijk geven Nederlandse media mij bij een onhandig moment het voordeel van de twijfel. Maar ik leef en denk heel autonoom. Ik ben niet bang. Ik geloof in de stoïcijnse filosofie, dat je onder alle omstandigheden kunt functioneren. Dat ik voorheen in een iets te kleine zwembroek op een startblok stond, terwijl er twee miljard mensen naar mij keken... Ik heb het gedaan, en dat was véél enger. Vijftig gezinnen vraten van mijn twee banen borstcrawl, dat was een grote verantwoordelijkheid. Been there, done that.”

Hoe staat de Nederlandse sport er nu voor?

“Ik heb gemerkt hoe enorm die is gegroeid. In Sydney 2000 had je een bundeling van talenten die veel zelf hadden geregeld. Mark Huizinga, Leontien, Anky en Inge en ik, we hadden onze eigen teams opgezet. Het waren toevalstreffers, al zullen de beleidsmakers van toen het daar niet mee eens zijn. Nu zitten gezichtsbepalende atleten als Epke en Dafne in structuren met topcoaches en veel specialisten eromheen. Dat heeft de sporters ook veranderd. De regel dat ze niet mee mochten lopen met de openingsceremonie als ze binnen 48 uur in actie moesten komen, was er niet zomaar. In de jaren negentig zag je nog sporters het olympisch dorp in stappen en zichzelf verliezen, in de gamehal, de eetschuur. Ze verloren door alle bijzaken de hoofdzaak uit het oog. Nu zijn sporters veel bewuster, professioneler. Dus is die regel niet meer nodig.”

Wat kunnen we verwachten van Tokio, een record aan medailles?

“Dat noem ik nou olympische kolder. Ik heb me in het verleden gestoord aan met name buitenlandse chefs de mission, die liepen te oreren over medailleklassementen. Dat vond ik zo misplaatst en vervelend. De eigenaren van die medailles zijn de sporters en coaches. Al die voorspellingen moet je met een korrel zout nemen. Het is niet te voorspellen. Dat is nou het mooie van sport.”

Lees ook:

Nederland zendt een recordaantal sporters naar de Spelen

Winnen ze ook meer goud dan ooit, zoals wordt voorspeld?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden