Beeld Trouw

ColumnHenk Hoijtink

Nee, Rensenbrink zag geen tactiek, de Astridparkspeler

Anderlecht speelt morgen met zijn naam op de shirts, zo’n veertig jaar na zijn laatste wedstrijd in Brussel. De club opende een condoleanceregister en hing in een herdenkingshoek in het stadion een shirt met zijn naam en rugnummer, 11. (De linksbuiten had 11.)

Zo groot was Rob Rensenbrink in België, in Brussel, in – die komt terug – het Astridpark.

In een YouTube-filmpje vol uiteraard vloeiende bewegingen valt mij bovenal een passje op. WK 1974: hij draait, even teruggevallen als een soort linkshalf, om zijn as en geeft de bal mee aan Ruud Krol, die hij met ogen in zijn rug heeft zien wegsprinten. Krol zet voor, Johan Cruijff tikt de bal bij de eerste paal zwevend in: 2-0 tegen Brazilië, iconisch doelpunt.

Zo’n passje – tegenwoordig zouden analisten en journalisten over elkaar heen buitelen: geniaal! In die tijd, mijmer ik, was het een goede pass die een goede voetballer moet kunnen geven.

Ik bel Jan Mulder. “Ik moet niet gaan zwelgen”, had ik hem met Mulderiaanse zwaarte bij Fox horen zeggen, kort nadat hij namens de familie Rensenbrinks overlijden bekend had gemaakt.

‘Dat deed hij goed, met dat ranke lichaam’

Hij kent het passje, Rensenbrinks kompaan in het Vlaamse, en hij zwelgt niet. “Dat deed hij goed, met dat ranke lichaam”, zegt Mulder. Maar nee, in het verwijt aan de analisten van nu gaat hij niet mee. Het spel is zoveel sneller, de voetballers kunnen zoveel meer dan zij. “Zoals zelfs Van Dijk de bal met een lange pass net over een verdediger kan laten vallen – dat zag je vroeger één keer per jaar, van Netzer.”

Eén zo’n zin, die namen, de hyperbool, en je weet wat we al zo lang moeten missen op de Nederlandse tv.

Ik bel Mulder vooral, omdat ik wil weten hoe hij keek naar Cruijff en Rensenbrink in één team. Met Cruijff erbij kwam de introverte Rensenbrink in Oranje nooit uit diens schaduw. Mulder bewonderde hen beiden. Het zou kunnen dat hij, met zijn inslag, dat zo nu en dan met de nodige spijt heeft aangezien.

Nee, zegt hij, hij bekeek dat ‘pragmatisch’. Cruijff was de betere. “Cruijff was een revolutie”, zegt Mulder. “Dat accelereren, altijd recht vooruit.” Dat was zo niet eerder gezien. Rensenbrink paste in een traditie van linksbuitens. “Dzajic was er ook zo één”, zegt Mulder. Weer zo’n naam, in één klap het bredere perspectief.

“Hij was een Astridparkspeler”, zegt hij. (Het stadion heet nu Lotto Park, maar wat de commercie ook wil, voor hem speelt Anderlecht voor altijd in het Astridpark.) “Als we naar Luik moesten, of naar Sint-Truiden of zoiets grofs, dan was ik een klasse beter, hoor.”

‘Hij heeft ons veel gegeven’

Mulderiaanse scherts. Hij heeft van hem genoten. “Hij heeft ons veel gegeven.”

Hij vertelt hoe ze later eens samen naar voetbal keken. “‘Zie jij ook tactiek, Rob?’, vroeg ik hem. Ik ook niet natuurlijk, maar ik wilde het van hem bevestigd hebben. ‘Nee’, zei hij. ‘Ik kijk alleen naar hoe ze een bal aannemen.’ Voetbal puur als techniek.”

Morgen zal hij met andere oud-spelers voor de wedstrijd op het veld staan, om hem te eren, om de gedachten naar het Astridpark te laten afdrijven. Zo zal het goed zijn, zegt hij.

Ik probeer nog wat: willen ze, moeten ze de zichzelf exposerende voetballers van nu niet voorhouden hoe voetbal ooit ook voor de besten is bedoeld? Nee, zegt hij. Van Doku en Lokonga – hij noemt zomaar wat Anderlecht-spelers – mogen we niet verwachten dat ze hem kennen, dat ze zo naar hem kunnen kijken.

“Ooit komt er weer zo één”, zegt Jan Mulder. “En ik hoop daar, hij is er broodnodig.”

In het Astridpark, bedoelt hij.

Redacteur Henk Hoijtink bespreekt in zijn columns de voetbalwereld. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden