Sportief Elftal Overbelasting

Meer wedstrijden, meer blessures. Waar ligt de grens qua belasting?

De sportkalender raakt steeds voller. Sporters worden meer en meer belast en de hersteltijd is korter, waardoor blessures op de loer liggen. Hoe kun je dit managen?

De FIFPro, de internationale vakbond voor profvoetballers, maakt zich ernstige zorgen over de gezondheid van hun beroepsgroep. De bond waarschuwt al langer voor overbelasting van voetballers. Een recente studie onderschrijft die zorg. Spelers moeten steeds meer wedstrijden spelen en krijgen steeds minder tijd om te herstellen. Met als gevolg een grotere kans op blessures. Toppunt was vorig seizoen het geval van de Zuid-Koreaan Son, werknemer van ­Tottenham Hotspur. Hij speelde 78 wedstrijden en reisde meer dan 110.000 kilometer. Is hier sprake van een probleem? Wat kan een organisatie doen om overbelasting te voorkomen? Of moeten voetballers niet zeuren en een voorbeeld nemen aan bijvoorbeeld hockeyers, die op toernooien vaak om de dag spelen?

“Sporten als voetbal en hockey zijn onvergelijkbare grootheden”, vindt oud-voetbaltrainer Foppe de Haan. Maar toch kan er onder topsporters een belangrijke stap gezet worden, meent oud-zwemster Conny van Bentum, die als teamarts werkzaam is bij de Nederlandse hockeyploeg. “Je hoopt dat spelers leren om de verantwoordelijkheid voor hun eigen lichaam te dragen.”

De Haan: “Als je naar de top kijkt, dan is er sprake van een probleem. Clubs willen veel geld verdienen, waardoor ze ook veel wedstrijden moeten spelen. Er wordt daarbij te weinig gekeken vanuit het oogpunt van de speler. De voetballerij zit wat dat betreft in een vicieuze cirkel. Het aantal wedstrijden wordt eerder meer dan minder.”

Van Bentum: “Dit lijkt me een reële zorg. Het is bij meer sporten van toepassing. In het hockey hebben we sinds vorig seizoen de Pro League, waarbij we een weekje naar Australië en Argentinië vlogen om daar wedstrijden te spelen. Dat vergt fysiek en mentaal veel van spelers, die daarnaast ook nog eens studeren of werken.”

De Haan: “Wil je dit als topsporter blijven volhouden, dan zul je goed met je lichaam om moeten gaan. Je kunt voetbal niet vergelijken met bijvoorbeeld wielrennen, waar iemand als Mathieu van der Poel zowel in de winter als zomer fantastische prestaties levert. Hij heeft vooraf een heel programma bedacht waar hij naartoe werkt. Dat kun je in het voetbal veel minder doen.”

Van Bentum: “In het hockey is dat ook lastig. Eind juni was de finale van de Pro League in Amsterdam. De meeste internationals hadden toen net de play-offs met hun clubs achter de rug. Ze waren gewoon op.”

De Haan: “Als organisatie zul je goed moeten periodiseren. Er is steeds meer kennis over de belasting en belastbaarheid van sporters. Dat kun je monitoren met data. Daarnaast: individualiseren. Zeker tegenwoordig, met allerlei toernooien, zul je voetballers indivi­dueel maatwerk moeten geven. Het heeft ook te maken met de wijze waarop je elftal speelt. Speel je tactisch, of vergt een systeem juist veel kracht? Dat maakt een groot verschil.”

Van Bentum: “Het monitoren van sporters is erg belangrijk. In het hockey laten we spelers regelmatig formulieren invullen met vragen als: Hoeveel zin heb je in hockey? Hoe was je ochtendpols? En heb je pijn of blessures? Niets weegt echter op tegen het in de ogen kijken van sporters. Dan weet je wat er echt speelt. Als teamarts moet ik er­bovenop zitten en feeling houden met de sporters.”

Periodisering

De Haan: “In mijn tijd beschikten we nog niet echt over data. Ik periodiseerde veel meer op gevoel. Ik hield van veel trainen, maar wel met verstand. Met SC Heerenveen speelden we destijds de Intertoto Cup, wat je nu kunt vergelijken met de Europa League. Omdat die wedstrijden vroeg in het seizoen vielen, trainden we in blokken. Dat was: tien dagen trainen, wedstrijd spelen, een paar dagen afbouwen. En dan wilde ik sommige spelers een week niet zien. Dat werkte vrij goed.”

Van Bentum: “Tijdens de Cham­pions Trophy speelden we soms zes wedstrijden in acht dagen. Uit onderzoek is gebleken dat hockeyers bijna dezelfde afstand afleggen als voetballers, maar de intensiteit is veel hoger. Vorig seizoen waren sommige spelers echt hockeymoe. We hebben zeker niet minder blessures gehad.”

De Haan: “Spelers moeten leren om naar zichzelf te luisteren. Ze zullen alleen niet snel zeggen dat iets te veel is, want dan zijn ze bang voor hun plek. De communicatie tussen speler, trainer en de medische staf moet goed zijn.”

Van Bentum: “Honderd procent mee eens. Bij de hockeyploeg hebben we een bondscoach, Max Caldas, die ons respecteert als medische staf. Hij zal ons nooit overrulen. Die verstandhouding moet je hebben. Als arts voel ik mij verantwoordelijk voor de gezondheid van de spelers. Ik hoop aan de ene kant dat ze lang en met plezier sporten, maar ik wil ook dat ze geen chronische blessures overhouden aan hun topsportcarrière.”

De Haan: “Als je goed periodiseert, dan weet je ook wanneer je in het rood moet zitten. In het rood zitten is helemaal niet erg. Ook daar moeten spelers mee leren omgaan. Je ziet tegenwoordig dat veel jonge spelers al veel wedstrijden spelen. Dat is eigenlijk verkeerd. In de beginfase van je carrière moet je eerst veel trainen, en daarna pas veel spelen. Jonge spelers hebben nog veel te leren. Dat moeten we niet vergeten.”

In het sportief elftal buigen zich, naar het voorbeeld van de elftallen van onze redactie religie & filosofie, per aflevering twee van de elf deskundigen over een actueel sportief vraagstuk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden