ReportageBeweegarmoede

Kansenongelijkheid in de sport: wie arme ouders heeft, is vaak minder sportief

Moeder Bianca heeft te weinig geld om haar twaalfjarige dochter Roos te laten sporten. Beeld Werry Crone
Moeder Bianca heeft te weinig geld om haar twaalfjarige dochter Roos te laten sporten.Beeld Werry Crone

Nederland moet meer bewegen, maar de kansenongelijkheid in sport is groot. Deel 6 van een serie: wat betekent opgroeien in armoede voor het beweeggedrag van kinderen?

Esther Scholten

Natuurlijk weet ze dat sporten belangrijk is. Ook voor haar dochter. Maar als het leven vaker bijt dan lacht, wat kun je dan nog? Ze kijkt even uitdagend als vragend. Bianca is een vrouw van middelbare leeftijd met zorgen. “Als je voor de zoveelste keer in de put zit, dan denk je: doei, het interesseert me allemaal niet meer.”

Wat betekent opgroeien in armoede voor het beweeggedrag van kinderen? Het huidige beleid is vooral gericht op het verlagen van de financiële drempels, weet Laura Butselaar van Kenniscentrum Sport & Bewegen. Er zijn tig regelingen. Toch blijft het beeld hetzelfde: kinderen uit gezinnen met een laag inkomen sporten beduidend minder dan hun meer welgestelde leeftijdsgenoten.

“Gemeenten denken te veel: we hebben een voorziening, dus we kunnen een vinkje zetten. Maar als je naar de cijfers kijkt, werkt de praktijk anders. Met alleen een pot geld ben je er niet om kansenongelijkheid in de sport écht te verminderen. We missen nog steeds een grote groep. Op die kwetsbare kinderen moet je inzoomen. Wij noemen dat hooghangend fruit.”

Kleding en speciaal schoeisel

Roos is twaalf jaar en woont samen met moeder Bianca, hun hond en twee fretten in een bovenwoning in Utrecht. Met sport heeft ze niet zo veel ervaring, behalve de gymles op school en zwemles vroeger. Ze zou best wel lid willen worden van een vereniging. Waarom? “Gewoon, om plezier te maken en andere mensen te leren kennen.”

Maar de ene sport is te ver weg. Hoe kom je daar zonder auto? De andere vindt mamma te duur, omdat er naast de contributie ook nog kleding en speciaal schoeisel moet worden aangeschaft. Dan blijft er geen tegoed over op de U-pas, de gratis ‘meedoen-pas’ in Utrecht voor mensen met een kleine portemonnee. Bianca: “We willen van dat geld ook naar de bioscoop kunnen”.

Het kenniscentrum vindt het tijd voor een volgende stap in de aanpak van de beweegarmoede onder de Nederlandse jeugd. “In tien jaar tijd is er niet zo veel veranderd”, stelt Butselaar. Het sociaal-economische milieu waarin kinderen opgroeien blijft van invloed op hun fysieke activiteiten.

Vaker buiten spelen

De feiten. Van de kinderen (vier tot twaalf jaar) uit gezinnen met een laag inkomen sport 46 procent wekelijks, versus 76 procent uit de gezinnen met een hoog inkomen. Bij de jongeren (twaalf tot achttien jaar) is dat 59 om 86 procent, blijkt uit cijfers van het kenniscentrum en het Mulier Instituut.

Wat betreft het voldoen aan de beweegrichtlijnen ontlopen de percentages bij de jongste jeugd elkaar niet zo veel: 53 en 54. Dat is opvallend, maar verklaarbaar. Kinderen van ouders met een laag salaris of bescheiden uitkering spelen in hun vrije tijd vaker buiten en lopen of fietsen meer naar school dan hun leeftijdsgenootjes.

Hoe ouder ze worden, hoe meer ze binnen blijven, achter gamecomputer of huiswerkboek. Dan weegt de sportparticipatie dus zwaarder om aan de beweegrichtlijnen te voldoen: één uur per dag matig intensief bewegen en drie keer per week spier- en botversterkende activiteiten. Bij de jongeren bewegen slechts 27 en 45 procent voldoende.

Leefwereld van kinderen moet leidend worden

Waar gaat het mis? En belangrijker nog: wat is er aan te doen? Voor antwoorden is het belangrijk om in gesprek te gaan met de families zelf. “Er is veel onderzoek over jongeren gedaan, maar nog heel weinig met ze”, verklaart Butselaar, specialist ‘meedoen door sport en bewegen’.

Het kenniscentrum heeft daarom enkele ‘kindportretten’ opgesteld, om de complexiteit te laten zien van de dagelijkse realiteit van gezinnen met geldzorgen. “Om te komen tot een passend aanbod, zal de leefwereld van deze kinderen leidend moeten worden, en niet het bestaande systeem met wet- en regelgeving, belemmerende procedures en het hokjesdenken.”

Ook Roos en Bianca hebben meegewerkt aan de verdieping van het onderzoek, waarvan zaterdag de eerste portretten worden gepubliceerd. Hun verhaal willen ze best nogmaals vertellen aan de verslaggever van de krant, maar wel anoniem. Er is veel schaamte. Bianca: “Na mijn scheiding ben ik veel vrienden kwijtgeraakt. Ik wil niet dat ze weten dat het een ellende is; dat ik aan de grond zit. Dat lachertje gun ik ze niet.”

Niet bovenaan het prioriteitenlijstje

De ontvangst is gastvrij. Wilt u iets drinken? De toon openhartig. Haar volwassen zoon is aan de drugs verslaafd, vertelt ze. Hij woont bij het Leger des Heils. De echtgenoot van een vriendin is nog niet zo lang geleden met geweld om het leven gebracht. Haar ex-man ging er met haar beste vriendin vandoor. Ze wil maar zeggen: sporten staat niet bovenaan het prioriteitenlijstje.

“Kijk, ik wil best een sport voor Roos regelen, maar dan moet haar vader in zijn weekenden ook mee naar het sportveld. Dat zie ik niet gebeuren en ik ga niet voor vier keer in de maand betalen als ze maar twee keer gaat. Dat vind ik zonde van het geld.”

Zelf doet ze sinds kort aan aquajoggen. Dat is de enige fysieke bezigheid die ze zonder pijn kan doen. Bianca worstelt met overtollige kilo’s en benauwdheid. “Ik ben een stress-eter.” Een sportschool durft ze niet binnen te lopen. “Ik ga niet tussen al die barbiepoppen staan. Dan ben ik de kleinste en de dikste.”

De wijk zorgt voor stigmatisering

In armere gezinnen is doorgaans minder beweegervaring, aldus Butselaar, met motorische achterstanden tot gevolg. De stap om ergens lid te worden, is groter. Ook omdat het minder vanzelfsprekend is dan in welvarende families. Daarbij zorgt de wijk waar je woont vaak voor stigmatisering. “Dan is het extra belangrijk dat je bij een sportvereniging gezien wordt en aandacht krijgt. En dat één keer te laat komen niet meteen wordt afgestraft.

“De klassieke sportvereniging is daar nog onvoldoende op ingericht. Daar gaat het vaak toch om het aanleren van sporttechnische vaardigheden en niet over: hoe ga ik kinderen uit minder welvarende gezinnen een plek geven? Voelen ze zich thuis? De pedagogische kwaliteiten is bij sportverenigingen wel een vraagteken.”

De urgentie is er niet minder om. Een op de veertien minderjarigen groeit in Nederland op in een gezin met geldzorgen. Dat zal door de huidige economische omstandigheden niet snel dalen. Juist voor deze groep kan sport een lichtpuntje zijn, stelt Kenniscentrum Sport & Bewegen, en voor gelijke kansen zorgen op ontdekking en ontwikkeling van talenten en sociale vaardigheden.

Kleedje en een picknickmand

Bianca vindt het aan de ene kant wel belangrijk dat haar dochter sport. “Maar aan de andere kant doen we al veel avontuurlijks samen. Soms pakken we ’s ochtends de scooter met een kleedje en picknickmand.”

Vindt ze het ook belangrijk met het oog op de gezondheid? “Ja tuurlijk. Ik wil niet dat ze zoals ik wordt.”

En Roos? Die is blij. Haar school had laatst aan de bel getrokken, omdat ze zo verdrietig was. Nu mag ze drie proeflessen rollerskaten volgen. Die zijn gratis.

Lees ook:

Nederland komt niet in beweging, en het kwartje wil niet vallen

Twee jaar corona heeft de maatschappelijke relevantie van sport onderstreept. Maar is haar positie in de samenleving ook veranderd?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden