Paralympische Spelen

Hoeveel vernieuwingen uit de parasport bereiken de samenleving?

Bo Kramer in actie tegen Algerije op het rolstoelbasketbaltoernooi. Beeld Reuters
Bo Kramer in actie tegen Algerije op het rolstoelbasketbaltoernooi.Beeld Reuters

Nieuwe technologie voor rolstoelen en blades wordt regelmatig bij de paratopsport uitgevonden. Maar hoeveel sijpelt door naar de samenleving?

Nog voor de Nederlandse rolstoelbasketbalsters er waren, stond gisteren een uniek rijtje opgesteld langs het veld: twaalf wielen, naast elkaar, als reserveonderdelen voor het geval er in de wedstrijd tegen Algerije iets mis gaat. Allemaal anders, specifiek afgesteld voor één speelster.

Het is maar een voorbeeld van al het materiaal dat deze vrijdag op de Paralympische Spelen wordt gebruikt. Materiaal is zo belangrijk, dat de paratopsport het Formule 1 van de technologische ontwikkelingen is: daar wordt nieuwe technologie voor een rolstoel bedacht, of voor een prothese. Technologie die uiteindelijk doorsijpelt naar de samenleving.

Binnen een half uur brak het ding in tweeën

Nederland is al sinds de jaren tachtig wereldwijd leidend als het gaat om technologische ontwikkelingen in de parasport, zegt Coen Vuijk, in Tokio chef materiaal voor de Nederlandse ploeg. Universiteiten en hogescholen in Groningen, Amsterdam, Delft en Den Haag zijn betrokken bij onderzoek.

De paralympiërs zijn een goede onderzoeksgroep, vooral omdat ze na jaren training gewend zijn om belast te worden. Toen een rolstoelatleet eens voor de Universiteit Groningen in een pas ontworpen stoel ging zitten, brak hij dat ding binnen een half uur door alle kracht in tweeën, iets wat alle studenten zonder beperking nooit was gelukt.

In de paratopsport zitten de vragen die zorgen voor ontwikkeling, zegt Vuijk, die als ‘spion’ deze Spelen nog onder een roeiboot van de concurrentie lag om foto’s te maken. “Bij de topsporters leeft de vraag hoe een rolstoel of blade optimaal benut kan worden. Atleten zijn leidend. Die vraag is leidend voor hoe onderzoek verder gaat.”

Monique Berger, lector technologie en bewegen aan de Haagse Hogeschool, werkt samen met haar onderzoekers samen met het Nederlands rolstoelbasketbalteam. In promotieonderzoek wordt eigenlijk iets heel basaals onderzocht: hoe bewegen de basketbalsters zich? Hoe draaien ze, hoe snel naar links of naar rechts, en hoe snel zijn ze nu? Het doel is om de sensoren na afloop openbaar te maken, te koop bijvoorbeeld. “Voor hardlopen is het heel gewoon, maar hoe mooi zou het zijn als een rolstoelgebruiker op zijn smartwatch kan zien wat hij of zij precies op een dag heeft gedaan.”

Topsport leidt tot nieuwe technieken

Alle ontwikkeling moet naar de samenleving doorsijpelen. Om zo ook de ‘gewone mens’ met een beperking vrij en fijn te laten bewegen. In Nederland loopt de bewegingsparticipatie van gehandicapten achter. Beweegt zo’n 53 procent van de totale bevolking, bij mensen met een beperking gaat het om 24 procent. Een van de oorzaken daarvoor is slecht materiaal. Het kenniscentrum sport & bewegen concludeerde vorig jaar dat enkele tienduizenden mensen niet sporten omdat ze niet de goede hulp(middelen) hebben.

Topsport leidt tot nieuwe technieken. Maar veranderingen hebben ook tijd nodig. Vuijk: “Rolstoelen van nu waren twintig jaar geleden alleen voor topatleten. Mensen met een amputatie lopen op wat tien jaar geleden een sportblade was.”

En dan is er nog het geld. Elk universitair onderzoek van vier jaar vraagt ongeveer een miljoen euro aan subsidie. Berger: “Blades zijn maatwerk. Daarvoor krijg je bij de subsidieaanvraag niet alle handen op elkaar. Bij rolstoelen is dat alweer makkelijker, omdat de populatie groter is.” Bovendien is de markt voor protheses en rolstoelen te klein en te individueel om voor grote bedrijven interessant te zijn. Vuijk: “Als je als bedrijf racefietsen maakt, geef je één ploeg op maat gemaakte fietsen. Dan zet je dezelfde fiets met fabrieksinstellingen in de etalage en verkoopt die met duizenden. Doe je dat met een rolstoel, dan koopt niemand die.”

Waanzinnig veel

Dat wil niet zeggen dat ontwikkelingen uit de topsport niet doorkomen. Berger noemt onder meer de Mentelity Foundation (vernoemd naar Bibian Mentel), die mensen helpt met protheses. En de technici hebben vaak een eigen bedrijf. Neem Frank Jol, die de Nederlandse atletiekploeg begeleidt. Zijn bedrijf wordt niet door de sport overeind gehouden. Hij ziet ook niet-sporters in zijn werkplaats die een blade of prothese nodig hebben. “Zij hebben een betere technicus aan mij, omdat ik overal heb gezien wat het beste werkt.”

In Tokio maakt de Nederlandse ploeg gebruik van ontwikkelingen die mogelijk later het publiek bereiken. Vuijk: “In de manier waarop ortheses kunnen worden gebruikt, of de manier waarop mensen kunnen leunen op een racefietsstuur. En wij hebben voor de wheelers ook een nieuwe band ontwikkeld. Kleine dingen misschien, maar alles is ergens belangrijk voor.”

Lees ook:

Esther Vergeer: ‘De paralympische sporter staat niet op en denkt: goh, weer wat om te overwinnen vandaag’

Esther Vergeer is kritisch over het totaal aan onderdelen op de Spelen. “Als ik hier zo in de rondte kijk, hoeven we volgens mij niet voor alle handicaps in alle sporten in alle categorieën onderdelen te hebben. Kijk naar het zwemmen (146 onderdelen, red.) en de atletiek (167).”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden