ColumnMarijn de Vries

Het record van Femke Bol telt niet... Als zij niet baalt, doe ik het wel

Grote wolken jagen langs de lucht. Het maïs, hoog alweer, kromt zich over het land. Ik kan over de velden turen wat ik wil, maar er is geen vogel te zien. Terwijl ik er juist nu zo naar verlang dat er eentje naast me vliegt. Een koolmees, het liefst.

Het ene moment hangt zijn zwarte petje ter hoogte van mijn hoofd. Even later scheert hij met zijn gele buikje langs de grond. Van hoog naar laag, van laag naar hoog vliegt hij in grote bogen aan mijn zij. Fladderend. Glijdend. Fladderend en glijdend.

Aan een koolmees moest ik denken, toen ik vertraagde beelden van Femke Bol bekeek. Omhoog, bijna stil hangend in de lucht zweeft ze over de horde heen. Naar beneden, in een glijvlucht, en dan met rappe stappen naar de volgende horde. Omhoog, ze glijdt. Omlaag, ze fladdert.

Over de blauwe atletiekbaan van Papendal vliegt Femke, eerst nog met een andere atlete aan haar zij. Maar al snel alleen. Harder en harder rent en zweeft ze. Haar benen boven de horde opengesperd als een snavel: links gestrekt als eerste er overheen. Rechts zwiept ze er met een krachtige draai in heup en knie moeiteloos bij. Haar passen lang, steeds langer, lijkt het.

‘Och kak toch’, roep ik zachtjes

Femke Bol is 20 jaar en ze voltooit de 400 meter horden razendsnel. Sneller dan het nationaal record. 54,47 loopt ze; vijftienhonderdste sneller dan er ooit in Nederland gelopen is. Toen het oude record neergezet werd, door Ester Goossens, was Femke Bol min twee.

Maar hoewel een starter met pistool zich met moeite op een verhoging hees, er officiële tijdswaarneming aanwezig was en zelfs een tegenstandster – de Europees kampioene van twee jaar terug Léa Sprunger uit Zwitserland – telt Femke’s tijd niet. Tenminste, niet als Nederlands record. Daarvoor moet je met ten minste drie atleten in een wedstrijd zijn.

“Och kak toch”, roep ik zachtjes. Want: Femke’s prestatie was extra knap. De helft van de wedstrijd liep ze zelfs helemaal alleen. Haar tegenstandster Léa stapte na 200 meter uit; ze was te vermoeid.

Ik kijk nog eens over de velden, terwijl ik verder fiets. Geen vogel laat zich zien. Ik tuur. Nee. Ook in de verte niet. De wind buldert in mijn oren. De lucht wordt donkerder. Er komt regen aan. Ik ben alleen.

Was zij maar niet alleen geweest. Had er, naast Léa Sprunger, nóg maar iemand naast haar gelopen. Of iets. Een kat. Een hond. Al vloog er een koolmees in grote bogen met haar mee. Misschien had de tijd dan wel geteld. Was Femke dan wel recordhoudster geweest.

Zoals een echte atleet betaamt, is Femke Bol niet uit het veld geslagen. Integendeel. Ze ziet haar snelle benen als een opsteker. Wie had verwacht dat ze zo goed zou zijn, vlak na deze coronatijd? Zij niet.

Ze was sterk. Het voelde fijn. Dit belooft. Dit belooft zoveel. Want het kan nog beter, straalt ze in de camera.

Ik begrijp het wel. Je hebt niks aan chagrijnig zijn om een gemist Nederlands record. Je moet niet balen. Je moet vooruit. Dat leert elke atleet vanaf de kinderschoenen. Maar snel was Femke wel. De snelste, in 22 jaar.

Ik weet het goed gemaakt. Als zij niet baalt, doe ik het wel voor haar.

Journalist en voormalig profwielrenner Marijn de Vries fietst u elke maandag door het sportweekend. Lees hier eerdere columns terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden