null Beeld

ColumnMarijn de Vries

Een prachtige winterweek als onverwacht cadeau tijdens de smakeloze pap van coronazompigheid

Vlak voor grachten, kanalen en sloten de straten worden waarop wij ons voortbewegen – de echte wegen leeg, want wat zou je daar nog doen als je ook kunt schaatsen? – zweeft Lotte van Beek over het maagdelijke ijs. Waar het is, de Weerribben, de Wieden, het Drontermeer: ik weet het niet. Het filmpje stamt van vrijdag. Het ijs is leeg en uitgestrekt. Zwart en krasloos nog. Het bovenlijf stil als een sfinx, de neus richting de einder. Haar slag is lang, lijkt wel een uur, een dag te duren.

Ik ben betoverd.

Als de grachten, kanalen en sloten onze nieuwe ­straten zijn, staat Linden van Bemmel midden in ­Amsterdam op het daar zelden bevroren water. Aan de voet van de Westertoren heeft ze zondagmiddag het ijs voor zich alleen. Ze draait, maakt vaart, met één schaats op de gracht, de ander in haar handen. Tot boven haar zwierende paardenstaart trekt ze haar been terwijl ze rond en rond, steeds sneller rond en rond, een perfecte pirouette maakt op de Prinsengracht. Het lichte ijs, haar danserslijf, het steekt er sprookjesachtig tegen af. Ik ben betoverd. Wat kan de mens toch machtig mooie dingen.

De sneeuw en het uitbundige licht van de zon trokken me deze week uit de coronazompigheid. Het grijs doorbroken, de monotone brij die al een jaar steeds ­dikker wordt, de smakeloze pap waarin niks kan en mag. Driehonderd dagen druilerige regen lijkt het soms in mijn hoofd. Ik weet dat het ooit zomer was, maar het lijkt een eeuwigheid geleden. Leuke dingen deden we in een ander leven.

Om de hoek op avontuur

Tot plots de sneeuw in grote vlokken viel. Het was een weldadige ver­rassing, een onverwacht cadeau. Elke avond gloeiden mijn wangen van het buiten zijn. Wandelen met dikke laarzen die soms tot aan de kuit wegzakten. Mountainbiken op de Veluwe, tot aan de assen in de sneeuw. Het ging nauwelijks vooruit, maar dat was niet van belang. De priklucht, het frisse licht. Het over­bekende bos in wit gehuld, zo nieuw. Ik zag mensen met rode neuzen, ze waren net als ik om de hoek op avontuur. We lachten en we groetten automatisch. ­Iedereen was vrolijk, voelde hetzelfde: we zijn er even uit.

Gisteren krabbelde ik op de Belterwiede, in mijn hoofd net zo glad en zwart als de ijsvloer onder Lottes voeten. Natuurlijk schaatste ik voor mijn eigen geestesoog minstens net zo goed. Net zo gemakkelijk en vloeiend. Niets was minder waar, maar het maakte niet uit. We hadden schitterogen – en koffie in een thermoskan. Stroopwafels en dropjes in een zakje. Net als vroeger, toen overal Koek en Zopie op het ijs nog niet vanzelfsprekend was.

Het interessante aan de mens is dat hij zich aanpast. We vergeten hoeveel pijn iets deed – of hoe leuk iets was. Natuurlijk is er de herinnering, maar de scherpte gaat er met het verstrijken van de dagen af. Dat is maar goed ook, anders zou je blijven hangen in niet verder durven of niet verder willen. Het mooie aan herinneren is ook dat een gevoel weer terugkomt als je iets soort­gelijks beleeft.

Twee kunstijsprofs op natuurijs had ik vorig jaar vast geinig, maar niet zo bijzonder gevonden. Een weekje winter lekker, maar niet zo waanzinnig welkom als nu. Het is een venster op hoe het leven was en weer worden gaat. Na de coronabrij komt zonneschijn. Deze week was belangrijk, voor mij dan toch: een broodnodige ­reminder hoe machtig mooi het leven en de mens kan zijn.

Journalist en voormalig profwielrenner Marijn de Vries fietst u elke maandag door het sportweekend. Lees hier eerdere columns terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden