Parasport

‘De Paralympische Spelen zijn niet alleen voor mensen in een rolstoel, dat is een misverstand’

Rita van Driel, bestuurslid van het IPC, het equivalent van het IOC voor de paralympics.
 Beeld Arie Kievit
Rita van Driel, bestuurslid van het IPC, het equivalent van het IOC voor de paralympics.Beeld Arie Kievit

Rita van Driel is als lid van het bestuur van het Internationaal Paralympisch Comité een van de hoogste sportbestuurders van Nederland. Na drie termijnen stopt ze aan het eind van het jaar. Ze kijkt terug: ‘Dat wij voor Rio hebben gezegd dat Rusland niet mee mocht doen, heeft ons heel veel gebracht.’

Van basisschoolleerkracht tot het hoofdbestuur van het Internationaal Paralympisch Comité. Rita van Driel maakte in haar lange loopbaan alles al mee. In 1990 begon ze in de parasport met het begeleiden van twee blinde langlaufers en nu is ze verantwoordelijk ‘voor alles’, al is het werk veelal gedaan en reikt ze in Tokio vooral medailles uit. Eind dit jaar loopt haar laatste termijn af.

Hoe heeft u de paralympische sport zien veranderen?

“Toen ik in 1998 vanuit het langlaufen bestuurlijke commissies in ging, werden alle paralympische sporten geleid door één directeur en twee assistenten. Alle sporten hè, kan je nagaan. In die tijd opende het IPC ook voor het eerst een kantoor, met twaalf werknemers. Inmiddels zijn er 120 werknemers. Dat laat wel zien hoezeer we zijn gegroeid.

“De paralympische sportstructuur bestaat dus eigenlijk nog maar kort. Het is de buitenwereld die het altijd maar blijft vergelijken met olympisch, en dat is erg ongemakkelijk. Heel lang hebben we moeten zeggen: wacht een paar jaar, wij zijn in ontwikkeling. Financieel hadden we het zwaar. Het IPC heeft een lening gekregen om een doorstart te maken. Inmiddels zijn we meer gelijkwaardig aan het IOC. Het is niet meer hand ophouden en dankbaar zijn. Dat ik dat proces heb meegemaakt, is fascinerend.”

Waar staat de sport dan nu?

“Die is zoveel professioneler geworden. Toyota sponsort ons tot Parijs met miljoenen euro’s. Financieel hebben we nu de middelen om landen te ondersteunen. Daardoor is het mogelijk om landen waar de sport moet worden ontwikkeld te ondersteunen. En niet alleen met geld, maar ook met kennis, structuur en opleiding.”

Is de sport een westers feestje?

“Ja dat is nog steeds wel zo. Maar je ziet wel dat er steeds meer landen in staat zijn om zelf hun sporters te kwalificeren. Dat betekent dat er structuur is gekomen, getraind wordt op een betere manier. Dat zijn de resultaten van het Toyota-programma. Ook doen daardoor 10 procent meer vrouwen mee. Ik zou wel graag willen dat in de regio’s meer stafleden zijn om ontwikkelingslanden te ondersteunen. Die weten van lokale structuren. Maar ook daar is geld voor nodig.”

Tien bonden zijn niet zelfstandig, maar onder bestuur van het IPC.

“Dat is een discussie die al sinds 2007 speelt. Maar nu wordt er actie ondernomen om ze te verzelfstandigen. Zeker in 2026 willen we dat alle sporten een plan hebben voor de transitie. Met kleine sporten is dat makkelijker. Maar de internationale atletiek- en zwemfederaties staan niet te springen. Integendeel zelfs.”

In hoeverre is de beeldvorming rond de Paralympische Spelen veranderd?

“In 1992 waren we blij dat Ria Breemer kwam, met haar programma Vinger aan de pols. Dat ging niet over sport. Meer over ‘goh wat erg dat jij een been kwijt bent’. Maar iedereen was toen blij dat er een cameraploeg was.

“Nu is er zeker een nieuw beeld. Het is nog steeds zo dat mensen denken dat de Paralympische Spelen er zijn voor mensen met een geamputeerd been, of mensen in een rolstoel, maar er doen ook mensen mee die niet meteen geassocieerd worden met de Paralympische Spelen. Media-aandacht laat dat goed zien. Je ziet dat mensen ook kampioen kunnen worden als ze een hand missen. Nederland speelt daar goed op in met de paralympische talentdagen, waar je langs kan komen en kijken welke sport het best bij je past.’

Is het classificatiesysteem, dat wordt gerund door vrijwilligers, de grootste makke van de paralympische sport?

“Ik noem het geen probleem. Het is wat onlosmakelijk bij de Paralympics hoort. Er zijn 4000 sporters die allemaal uniek zijn. Het is een illusie om een waterdicht systeem te krijgen zoals sommigen graag zouden willen. Dat kan niet. Anders moet je iedereen in een eigen klasse plaatsen.

“Het zijn vrijwilligers die de keuringen doen. Maar het zijn geen nobody’s. Ze hebben allen een goede achtergrond en zijn opgeleid tot classifier. Het ideale plaatje is dat we mensen in dienst hebben die dit als professie doen. Maar dat is niet realistisch als je ziet hoeveel honderden mensen per jaar over de hele wereld worden geclassificeerd. Geld ervoor hebben we niet.”

Wat staat het meest bij, in die twaalf jaar bestuur?

“Dat wij als IPC onze democratische organisatie bewaken. En onze integriteit. Dat hebben we in aanloop naar Rio laten zien. We sloten de Russen uit voor deelname, vanwege het dopingschandaal na Sotsji. Iedereen dacht dat wij het IOC zouden volgen, maar wij hebben laten zien waar we voor staan. Je moet het lef hebben om die beslissing te nemen. Daar hebben we veel erkenning voor gekregen.”

Lees ook:

Het dilemma van de Paralympische Spelen: hoe zorg je voor gelijke kansen op een ongelijk speelveld?

Hoe creëer je gelijke kansen op een ongelijk speelveld? Met die vraag worstelt de organisatie van de Paralympische Spelen, die vandaag beginnen, al jaren. Wie niet geclassificeerd kan worden, blijft thuis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden