Interview Bilal Gbadamassi

De opmars van de nummer drie waterpolospeler van Nederland

Waterpolospeler van Oranje Bilal Gbadamassi, in actie tegen Servië Beeld Phil Nijhuis

Midvoor van Oranje Bilal Gbadamassi werkt in Servië aan de weg omhoog in het internationale waterpolo. Een grote sprong die goed uitpakt. 

Ze zijn groot, massief en vooral taai. De Nederlandse midvoor Bilal Gbadamassi (22) doet wat hij kan tegen de potige Servische verdedigers. Hij bikkelt, hij buffelt en trotseert ellebogen. Armen klemmen zich om zijn brede torso, handen sleuren aan zijn schouders. Zijn geslepen bewakers wijken niet.

Het is een treffende weergave van het verhaal van zijn wedstrijd dinsdagavond met Oranje in het kader van de World League tegen Servië in het Haagse Hofbad. “Ze pakken me hard aan. Maar intussen ben ik het gewend”, vertelt hij achteraf.  

Hij is zich niet bewust van zijn warrige haardos door het afdoen van zijn badmuts. De 1 meter 95 grote waterpolospeler speelt nu anderhalf jaar in de Servische competitie, nadat hij Enschede verruilde voor een profbestaan bij topclub Partizan Belgrado. Het heeft hem gevormd, maar vooral gewapend voor de bitsheid en de hardheid die hem vanavond voor de voeten wordt geworpen.

Heel even weet Gbadamassi zich los te wrikken van zijn verdediger. Hij veinst even om dan met een kwieke armslag beheerst uit te halen. 1-0 Oranje.

Fysiek helemaal afgebeuld

Ziedaar Gbadamassi’s gedaanteverwisseling. Van een jonge midvoor die vooral teerde op instinct en talent tot een beheerst speerpunt van de aanval. De Servische leerschool maakt een groot verschil, zegt hij. “Fysiek werd ik helemaal afgebeuld, alles gaat harder en sneller. Het kostte zoveel energie om scherp te blijven. Ook het je losmaken van je tegenstander is iets wat je in Nederland minder leert. Nu denk ik meer vooruit, anticipeer op de bewegingen van mijn tegenstander. De oude Bilal had geen kans gemaakt, die wist niet altijd wat’ie deed. Ik zie het spel en ben er bewuster mee bezig.”

De grote sprong in het diepe – een verhuis naar de Balkan - was gewaagd en vergde lef, maar pakte goed uit. De eerste dagen bekroop hem ook het gevoel: wat in hemelsnaam doet hij hier? Heimwee loerde voor de toen 20-jarige geboren Amsterdammer om de hoek “Maar ik stelde mezelf de vraag: Wil je beter worden? Of wil je lekker in je comfortzone blijven, bij je ouders, in je eigen stadje. Ik maakte voor mezelf uit: ik wil beter worden, dan is het gewoon simpel, dan moet ik het gewoon doen.”

In zijn geheel blijkt de Nederlandse selectie niet bestand tegen de Servische machine (7-12). Bij momenten waanden de Nederlanders zich in een rondo. Gbadamassi: “Olympisch kampioen, dat zegt genoeg”.

Met zijn kolossale handen wrijft hij over zijn bescheiden getrimde baardje. “Het was alsof ik in de toekomst kon zien. Ik keek mijn tegenstander aan en bedacht me: hier moet ik dus echt naartoe werken. Dit moet mijn normaal worden. Ik besefte: dìt is hoe waterpolo hoort te worden gespeeld.”

Van 12 naar 24 uur trainen per week

“De eerste maanden waren pittig: mijn leven bestond uit opstaan, eten, drie uur trainen in het zwembad, eten, slapen, eten, weer trainen, eten en naar bed. Je gaat van 12 uur per week trainen naar het dubbele. Nu pas begint mijn lichaam eraan te wennen. Eindelijk hou ik energie voor leuke dingen.”

Het maakt Gbadamassi, zoon van een Nederlandse moeder en Togolese vader, trots de enige getinte jongen in het Nederlandse team te zijn. Hij ziet ook dat de Nederlandse zwemsport voornamelijk een witte sport blijft. “Het is minder populair dan, zeg maar voetbal. Dat is laagdrempelig. Je kan makkelijk een bal oppakken en in het park gaan voetballen. Zodra je het een beetje kan, ben je zo vertrokken. De sloot in springen en een eindje gaan zwemmen, daarentegen, kan niet zo maar. Bovendien: ben je goed in voetbal, dan wacht je een mooiere toekomst dan als je uitblinkt in waterpolo.”

Zijn biculturele achtergrond verschaft hem een completer plaatje van hoe de wereld in elkaar zit, zegt hij. “Ik ben verscheidene keren in Togo geweest en geniet écht als ik daar ben. Ik ken dus beide werelden. Wat wij wél hebben en wat zij niet hebben. Wat zij wél weten en wat wij hier niet weten.”

“Ik ben in Nederland trouwens vaker beschimpt of naar aangesproken dan in Servië. Zelf weet ik precies wanneer mensen rekening met me houden of niet. Dat merk je aan hoe mensen over me praten. Spelen we tegen landen waar andere donkere mensen meedoen, dan klinkt het soms: die zwarte voorin, die mag je vrij laten liggen, of juist niet. Nee, dan zeg je die Fransman, of die nummer zes. Hij is ook maar een rugnummer. Zijn huidskleur hoeft niet per se te worden benadrukt. Ook voor het andere team ben ik soms weleens ‘die zwarte’. Nee, ik ben de nummer drie.” 

‘We weigerden op te geven’

De wedstrijd tegen Servië (7-12 verlies) was vooral een manier om de weerstand te testen. Maar een graadmeter? Niet echt, zei bondscoach Harry van der Meer. “Dat zijn we vooral zelf. Servië, dat is wereldtop. Vanavond zag ik passie, beleving, vechtlust iets wat voorheen in ons team ontbrak. Na de tweede periode zetten we een goeie degelijke verdediging neer. Ondanks een grote achterstand weigerden we op te geven. Het maakt dat we toch met een goed gevoel uit dat bad zijn gekomen.” Oranje had zich al geplaatst voor het Europees Kampioenschap, dat in januari wordt gespeeld in Budapest. De grootste afspraak van het seizoen is het OKT van volgend jaar in Rotterdam, waar een ticket voor de Spelen op het spel staat.

Lees ook:

Succescoach Robin van Galen trok het waterpolo uit de goot

Na 31 jaar zegt waterpolocoach Robin van Galen het trainersvak vaarwel, anderhalf jaar eerder dan gepland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden