Sportouders

De kinderen redden het prima zonder commentaar van de zijlijn

Ouders zijn op de sportparken niet welkom bij trainingen en wedstrijden van hun kinderen. Een deel van de kinderen ervaart nu minder stress. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Ouders zijn op de sportparken niet welkom bij trainingen en wedstrijden van hun kinderen. Een deel van de kinderen ervaart nu minder stress.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

De meeste kinderen missen hun ouders niet naast het sportveld. Sommigen ervaren zelfs minder stress, zo blijkt uit nieuw onderzoek. ‘Iedere keer dat je als ouder langs de lijn wat roept, ontneem je je kind een kans om slimmer te worden.’

Laatst was er een vader die een keukentrap had meegenomen om vanaf de parkeerplaats, over de heg heen, toch een glimp te kunnen opvangen van zijn sportende kind. Orthopedagoog en sportpsycholoog Daniëlle van der Klein-Driesen vertelt het met verbazing in haar stem. “Het toont de grote betrokkenheid van ouders, maar ook hoe ze daarin af en toe doorschieten.”

Corona heeft voor een bijzondere ­situatie gezorgd. Voor het eerst mag er geen familie langs de zijlijn staan tijdens trainingen en oefenwedstrijden van de jeugd. Van der Klein was benieuwd wat de fysieke afwezigheid van ouders met kinderen doet. Met haar team van Flow Mentale Training en de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft zij daarom een lockdownmeting uitgevoerd: 229 kinderen in de leeftijd van negen tot twaalf jaar hebben een vragenlijst ingevuld. Ze zitten op hockey, voetbal of atletiek, breedte- en topsport.

Minder zenuwachtig en onzeker

Wat blijkt? De meeste kinderen – zo’n 70 procent – merken geen verschil: ze hebben net zo veel plezier en ervaren niet meer of minder spanning en stress. Bijna een kwart maakt zich zonder ouders minder zorgen; ze zijn minder bang om slecht te presteren en minder ­zenuwachtig en onzeker. Een klein deel van de ondervraagden, 8 procent, voelt zich minder op zijn gemak. “Deze percentages leren ons dat kinderen prima zelfstandig kunnen handelen zonder ouders. Wij moeten ze durven loslaten.”

Zo bezien biedt corona een kans. De grens tussen stimuleren en ­pu­shen is dun, de balans tussen ­presteren en plezier volgens Van der Klein soms ver te zoeken. “De meeste kinderen willen graag dat hun ­ouders erbij zijn, alleen storen ze zich – zoals een elfjarige voetballer het verwoordde – aan ‘het gezeik achteraf in de auto’. Nu hebben we een bijzondere situatie, waarin ­ouders niet weten hoe een wedstrijd of training is gegaan. Daarom moet vader of moeder na afloop wel de vraag stellen: hoe was het? Zo’n ­neutrale vraag werkt goed. Je wilt dat kinderen oordeelvrij en positief naar zichzelf kijken. Continu bijsturen en corrigeren maakt dat kinderen gefocust raken op wat niet goed gaat.”

De schreeuwende ouder op het sportveld, over wie het zo vaak gaat in verband met voetbalvaders en tennismoeders, ziet Van der Klein heel weinig. “De druk die kinderen ervaren, is veel meer het gevolg van kleine opmerkingen en gesprekken waarin onrecht groot wordt gemaakt, bijvoorbeeld de selectie of een fout van de scheidsrechter. Terwijl het juist kinderen een kans biedt te ­leren omgaan met tegenslag.”

Een goede sliding

De belangrijkste taak van ouders is liefde geven en beschermen. Tegelijkertijd moeten ze hun kinderen ook het vertrouwen geven dat die het zelf kunnen, vindt Van der Klein. “Zeker bij talentsport zie je dat ‘loslaten’ anders verloopt. Waar een ­ouder normaal gesproken zijn kind vanaf een jaar of twaalf steeds minder ziet, brengen topsportouders ­vele uren samen met hun kind door in de auto en, voor de lockdown, kijkend naar trainingen en wedstrijden.”

“Ouders gunnen hun kind het beste. Zij willen met adviezen hun kind helpen, maar je moet het zo zien: ­iedere keer dat je als ouder langs de lijn wat roept, ontneem je je kind een kans om slimmer te worden. Op dat moment voorkom je misschien een fout, maar je kind leert niet zelf te kijken en een oplossing te zoeken. De volgende keer, in eenzelfde situatie, moet hij weer ingefluisterd krijgen wat te doen. Dan word je afhankelijk. Dat is zonde.”

De geënquêteerde kinderen zeggen in koor dat het ze helpt als ­ouders positief aanmoedigen. Een voetballertje legde uit: “Wanneer mijn vader klapt, krijg ik daar motivatie van en maak ik sneller een ­goede sliding”. Van der Klein: “Wat zou het mooi zijn als ouders in de toekomst, wanneer ze weer langs de lijn mogen staan, de kennis van de lockdown gebruiken: de kinderen doen het prima zonder ons. En dat ze dan de inhoudelijke en technische tips achterwege laten, want die maken foute acties vaak groter dan ze zijn. Het zou mooi zijn als ze ­gewoon vrijuit kunnen juichen.”

Hoe help je je kind plezier te houden in sporten?

Iedereen roept dat het belangrijk is dat sportende kinderen plezier hebben, in een veilig klimaat. “Er is geen gezond mens die er anders over denkt, maar ondertussen is het sportsysteem op punten ingericht”, constateert Da­niëlle van der Klein-Driesen. “Als je goed tennist, mag je in Almere bij de bondstraining meedoen. Als je goed voetbalt, kom je in een selectie. ­Voldoende winstpunten geven een ticket voor wedstrijden in het ­buitenland. Dat heeft allemaal met ranking te maken.”

“Kinderen van zeven weten al precies waar ze staan in de rangorde. Als je zo’n systeem hebt, moet je kinderen helpen daarmee om te gaan. ‘Als jij op nummer tien staat, ben je net zo veel waard als nummer één.’ Dat moeten kinderen horen en voelen. Dat wordt niet standaard ­geleerd.”

Mede daarom heeft de sport­psycholoog en orthopedagoog het pedagogisch trainingsprogramma Sport in Perspectief ontwikkeld, voor ouders, sporters en coaches. Dat won de Nationale Sportinnovator Prijs 2019 en wordt nu getest bij betaaldvoetbalorganisatie Excelsior, Intime Tennis Academy en atletiekvereniging Pac Rotterdam.

“Sport biedt een prachtige kans om kinderen allerlei mentale vaardigheden te leren, zoals doorzetten en met tegenslagen omgaan. Soms hoort 12-0 verliezen bij sport, of ­trainen in de keiharde regen. Zelfvertrouwen en plezier zijn de ­belangrijkste voorspellers voor het ­willen blijven sporten. Mensen eromheen moeten alleen wel weten hoe het kind te helpen.” Daarbij is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de rolverdeling binnen de driehoek ouders-sporters-coaches en de verwachtingen die zij van kinderen hebben.

Een conflict met de trainer

Van der Klein wijst op de verschillen per sport: “Kijk alleen al naar de warming-up bij judo of voetbal. Die is op de mat gedisciplineerd, op het veld speelser. Als ouders ga je daarin mee. Je stapt in een cultuur. Ik denk niet dat het ene goed is of het andere fout, zolang kinderen zich er maar prettig bij voelen. Daar wordt nog wel eens overheen gewalst.”

Juist omdat hun invloed zo groot is, noemt Van der Klein het essen­tieel dat ook ouders worden mee­genomen in het mentale trainingsprogramma. Ze hebben concrete handvatten nodig. Bijvoorbeeld: wat doe ik als mijn kind veel druk ­ervaart, opstandig is of een conflict met de trainer heeft?

Intrigerend blijft de vergelijking met het schoolsysteem. “Ik heb erover nagedacht waarom het puntensysteem in het onderwijs niet zo’n probleem is. In principe werkt dat hetzelfde: als je goed bent, mag je naar het vwo, als je een drie voor ­Engels haalt, blijf je zitten – ook al gaan al je vrienden over. Ik denk dat de verklaring is dat het schoolsysteem duidelijker resultaatgericht is en ouders vooraf beter weten waar ze aan toe zijn. Bij sport daarentegen zeggen we dat ‘het gaat om het plezier’, maar we rekenen de ­kinderen wel af op het behaalde ­resultaat.”

Oud-topsporters over hun ouders

-Judoka Mark Huizinga: “Mijn vader was op de tribune altijd heel rustig, mijn moeder riep soms van de spanning: ‘Kom op nou’. Dan hoorde ik ineens een hoge stem van de tribune. Soms begon mijn moeder al een beetje te schreeuwen van ‘ooooh’, terwijl dat onnodig was. Het was meer haar eigen spanning dan dat zij boos was.”

-Oud-schaatsster Yvonne van Gennip: “Er waren geen gradaties in mijn denken. Het was top of flop. Mijn ouders moesten vooral afremmen en de druk van de ketel halen. Ik heb wel een fase gehad waarvan ik mij nu afvraag waarom mijn ouders mij niet wat meer hebben afgeremd. Mijn perfectionisme heeft mij ver gebracht, maar psychisch wel veel gekost.”

-Oud-tennisser Raemon Sluiter: “Mijn ouders konden een mooie balans bieden. Mijn moeder vond alles best. Zij vond mij vooral zielig als ik hard moest trainen. Mijn vader was veel meer van: ‘Stop met zeiken, dat hoort erbij. Jij wilt toch zo nodig tennissen?’ Mijn vader kon wel hard zijn.”

Uit: Als je maar wint. Sportouders in perspectief. Daniëlle van der Klein - Driesen

Lees ook:

Topsport vraagt offers. Maar is het normaal om die al van kinderen te vragen?

De schokkende verhalen deze zomer over misstanden in de Nederlandse turnwereld roepen veel vragen op. Hoeveel druk ligt er op kinderen die een topsportcarrière ambiëren? Is de prijs niet te hoog? Trouw duikt in hun dagelijkse werkelijkheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden