Column Marijn de Vries

De ambivalentie van wielrenners: wél kots en snot over je heen, géén liftknopjes willen aanraken

Heb jij wel eens kóts over je heen gehad? Echt? 

Hoe we over de verschillende excrementen waar je als wielrenner ­zoal mee besproeid wordt te spreken kwamen, weet ik niet meer precies. Feit is dat ik NRC-collega Dennis Meinema tussen de rennersbussen tegenkwam, we een praatje begonnen en al snel op dit onderwerp uitgekomen waren.

Ja, kots. Van een mederenster die over haar nek ging tijdens de koers. Dat deed ze op zo’n plek in het peloton dat aardig wat rensters onder de stukjes kwamen te zitten. Ik ben bepaald niet de enige die dat overkomen is. Menig renner heeft al eens braaksel over zich heen gehad, vermoed ik zo.

Afgelopen week in de Tour ­zeker: er heerst een virusje in het peloton. Begonnen bij Cofidis trof het ook Wout Poels, Rick Zabel en Yoann Offredo. Als ik het me goed herinner, heb ik Offredo zelfs ergens in beeld zien braken een paar dagen terug. Vanaf de fiets dus. Wel langs de kant van de weg, zodat hij geen mederenners bespuugde.

Snot. Dat heb ik ook veel over me heen gehad. Snotteren op de fiets doet elke renner, elke dag. Zonder zakdoek, liefst uit beide neusgaten tegelijk. In het vrouwenpeloton wordt niet geplast vanaf de fiets, dus met urine ben ik nooit besproeid. Vaak stoppen mannelijke renners wel even voor de kleine boodschap, maar soms ook niet. Ze laten zich een beetje afzakken, trekken hun broek een eindje naar beneden en hoppa. Als de wind verkeerd staat kun je dan pech hebben.

Ik begreep het onmiddellijk: geen risico's nemen

Een schril contrast eigenlijk, met de hygiëne die renners buiten de koers betrachten. Iedereen heeft wel een flesje desinfecterende zeep in de tas. Na de koers gaat er direct een jasje aan en wordt er zo snel mogelijk gedoucht, niet alleen om snot en andere viezigheid van het lijf te wassen, maar ook om zweet meteen weg te spoelen teneinde snotneuzen te voorkomen. Als je zo scherp staat (wielrennerstaal voor mager en topfit zijn) als een renner tijdens de Tour, dan ligt een kuchje om de hoek.

Vlak voor ik Dennis was tegengekomen, had ik ook even met Steven Kruijswijk gepraat. We kennen elkaar; normaal zouden we elkaar ter begroeting kussen of op z’n minst de hand schudden. Nu niet. Steven verontschuldigde zich meteen, maar ik ­begreep het onmiddellijk: geen ­risico’s nemen, zeker als klassementsrenner, die normaal gesproken nog een stukje scherper staat dan de rest.

Ik kon me voorstellen dat niet ­alleen een klassementsrenner, maar elke renner wel zulke maatregelen neemt. Ik meende het zelfs gezien te hebben: in een filmpje gemaakt na het winnen van de gele trui drukte Mike Teunissen een liftknopje in met de hals van een fles. Slim. Liftknopjes zijn broeinesten van viezigheid.

Maar Mike geeft wel gewoon handen, ontdekte ik toen ik hem tegenkwam. Ach, uiteindelijk weet je nooit waar je ziek van wordt. Maar voorkomen is altijd beter dan genezen. Dus ik bleef maar uit de buurt van de Cofidis-bus, voor de renners met wie ik sprak – en een beetje voor mezelf.

Oud-profwielrenner Marijn de Vries schrijft voor Trouw columns over de wielerwereld en de sport in brede zin. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden