Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Zo gaan we ons weer thuis voelen

Samenleving

Rik Torfs

© Mark van Wageningen / Novo Typo
Essay

'Minister' Rik Torfs presenteert zijn vijfpuntenplan voor het Vlaams-Nederlandse thuisgevoel.

Minister van Heimat. Van Thuis, van het Eigene. Het is een jong beroep, een spin-off van de technologische revolutie. Voor mensen met belegen gedachten, zoals Horst Lorenz Seehofer, van de Beierse CSU, de eerste Duitse minister van Heimat. Klinkt niet goed. Beieren, een economisch sterke en landschappelijk prachtige streek, is in de ogen van verlichte geesten blijven steken in een biedermeiercultuur. Bovendien blijft heimat een belast woord. Is er niet altijd ergens een nazi in de zaal?

Lees verder na de advertentie

Toch heeft de heimat eerbare wortels. Aanvankelijk betekende heimat ‘domicilie’ (waar je woont of het centrum van je belangen hebt), een juridische term. Gaandeweg werd het een plaats waar dromen en verbeelding gestalte krijgen. Ook foute dromen. Blut und Boden - puur nazisme. Toch verdween het begrip niet samen met de nazi’s. Heimwee naar de heimat bleef hangen bij mensen van wie je het niet verwacht.

Het bestrijden van vervreemding is de eerste taak van een minister van heimat

Herbert Marcuse (1898-1979), in Berlijn geboren, bourgeois van afkomst en links van gedachten, was tegenstander van het kapitalisme en het consumentisme, inspirator van de studentenrevolte in de sixties. Marcuse ontvluchtte Duitsland op tijd, al in 1940 kreeg hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Nooit keerde hij naar zijn geboorteland terug om er te wonen. En toch zei hij in een interview voor de Duitse tv kort voor hij stierf dat hij de heimat miste, het woord, het concept, de emotionele weerklank. Zelfs Marcuse. Kortom, de heimat kan worden misbruikt, maar ook gewoon worden gemist door wie haar verliet.

Uitgangspunt

Een ministerie van heimat heeft een symbolische betekenis. Dat is op zichzelf belangrijk. Te vaak gaan ‘rationele’ geesten ervan uit dat het symbool de werkelijkheid vervangt, terwijl het haar verbeeldt en er dus deel van uitmaakt. Toch dient het ministerie van thuis meer te zijn dan een symbool. Wie een heimat heeft, kan de globalisering beter aan, en grenzen trekken, hoeft zich niet dapper, maar eigenlijk met knikkende knieën, wereldburger te noemen. 

Ik ben uw minister van thuis. Wat ga ik voor u doen? Straks volgt mijn vijfpuntenplan, eerst mijn uitgangspunt. Welk doel streven we na? Dat mag nooit zijn: de uitsluiting van wie als een vreemde wordt beschouwd, van wie niet tot de heimat behoort. Het gaat om iets heel anders: de opheffing van innerlijke vervreemding, van het gevoel ontheemd te zijn in eigen land.

Het bestrijden van vervreemding is de eerste taak van een minister van heimat. De globalisering maakt de wereld enkel groter voor wie er zich in thuis voelt. Vervreemding, Entfremdung, het woord werd groot in de Duitse filosofie. Bij Karl Marx was het het kapitalistische systeem dat de mens vervreemdde van zichzelf. Het product van menselijke arbeid was niet langer eigen, maar werd verkocht als waar.

Vervreemding kan ook existentieel zijn. Erich Fromm, in 1955: “Vervreemding is een ervaring, waarbij men zichzelf als een vreemde beleeft. De mens ziet zich niet meer als het middelpunt van de wereld, als auteur van zijn eigen daden. Zijn daden en hun gevolgen zijn de meesters geworden aan wie hij toebehoort. De mens verliest contact met zichzelf en andere mensen, uiteindelijk beleeft hij ze nog enkel zoals hij de dingen ervaart.” Bij Fromm valt het verlies van controle op, de stuurloosheid. De mens verschuift naar de rand van het schilderij dat hij zelf heeft geschilderd. Ook de globalisering is er niet zomaar gekomen, wij hebben haar zelf tot stand gebracht.

Opvallend is hoe ‘vervreemding’ inhoudelijk evolueert, maar tegelijk triomfantelijk door de geschiedenis heen trekt, van Marx over Fromm tot Hartmut Rosa, op dit moment een van de meest prominente Duitse sociologen. Hij voegt aan de vervreemding van Marx en Fromm twee dimensies toe: tijd en ruimte.

Tijd: door de technologie kan de mens sneller met anderen communiceren, maar de vrijgekomen tijd wordt algauw opgeslorpt door nieuwe eisen, zodat de versnelling zich doorzet.

Ruimte: sociale relevantie staat in toenemende mate los van fysieke nabijheid. Een mens kan functioneren zonder een ander mens te zien. Het volstaat een ander mens te worden, op een door de technologie gekleurde manier met vrienden en collega’s in contact te treden.

Kortom, een minister van heimat gaat van - de bestrijding van - vervreemding, opgevat als de ervaring dat je jezelf verliest. Fromm staat voor bevrijding van de mens uit zijn eigen kluisters. Modieuze hedendaagse uitlopers ervan zijn de hang naar zelfontplooiing en het ‘opkomen voor jezelf’.

Rosa gaat in tegen de vervreemding door ruimte en tijd. Met die twee termen begint mijn vijfpuntenplan.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

© Mark van Wageningen / Novo Typo

Ruimte

Waar wij leven en werken, is wie we zijn. We zijn wat we zien. Wat zien we als we door het raam van onze werkkamer kijken? Hoe ontvouwt zich de weg naar werk of school? Wekt de plek waar we wonen een gevoel van rust of onrust op, of doet ze ons helemaal niets?

In de Galleria Doria Pamphilj in Rome hangt een schilderij van Pieter Bruegel de Oude (1525-1569), ‘Gevecht in de Baai van Napels’. Opvallend, de zee - het grootste deel van het schilderij - heeft een donkere, groenige kleur. Ze ziet er noordelijk uit. Het blauw van de Baai van Napels? Onzichtbaar. Dat leidde tot speculaties. Schilderde Bruegel, van wie bekend is dat hij Italië bezocht, vanuit zijn fantasie? Was hij echt in Napels? Dat wel, luidde de conclusie. De gebouwen op de achtergrond zijn zo precies weergegeven dat hij ze gezien moet hebben. Maar vreemd, Bruegel bracht een stuk van zijn thuis, in dit geval de kleur van de zee, mee naar Italië. Misschien omdat hij de zee niet schilderde zoals hij ze zag, maar zoals hij ze kende. Misschien omdat vredig blauw niet paste bij een zeeslag. Ontroerend wel: Bruegel blijft Brabander bij het schilderen van de Baai van Napels.

Weinig is zo vernederendals een expert die verandering stuurt

Heimat en ruimtelijke ordening horen bij elkaar; een mens moet zich thuis voelen waar hij woont. Niet simpel, ook al omdat architecten en bouwmeesters zich vaak door andere drijfveren laten leiden. Esthetische. Ideologische. Ecologische. Waarbij de vervreemding die zulke plannen oproepen vaak onderbelicht blijft. Le Corbusier (1887-1965) en zijn navolgers veroorzaakten het verloren gevoel dat Franse banlieues uitstralen. Onherbergzame, grimmige woontorens met stroken asfalt en onverzorgde grasperken ertussen. De onderliggende collectivistische ideologie vergat deindividuele verlangens. Een dergelijke houding vinden we in een hedendaags jurkje terug bij de Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck. Om ecologische redenen wil hij mensen in steden huisvesten, desnoods ook in dorpskommen met gesloten bebouwing. Vrijstaand bouwen noemt hij ‘crimineel’. Zijn terechte zorg voor het klimaat leidt op die manier tot blinde vlekken. Je kunt mensen moeilijk vragen hun dorp, de heimat waar hun familie al generaties woont, te verlaten omwille van een ‘hoger doel’, een levensgevaarlijk begrip dat wel vaker tot niet-democratische ontsporingen leidde.

Grootse plannen houden weinig rekening met eenvoudige gevoelens. Waar een mens woont, wat hij ziet door zijn raam, hoe vrij hij zich voelt op de plek waar hij zich doorgaans bevindt, dat alles bepaalt zijn denken, zijn welbevinden en zijn openheid tegenover ande-ren. Ruimtelijke ordening mag niet enkel door een ideologie (collectivisme) of één enkel doel (klimaat) worden gedreven, maar moet rekening houden met individuele wensen. Een mens heeft van nature oog voor het algemeen belang, maar wil er niet in verdwijnen. Hij aanvaardt de regel, zolang er genoeg ruimte is voor de uitzondering.

Wie wil dat mensen veranderen, moet hun de kans geven dat zelf te doen. Weinig vernedert meer dan een expert die verandering stuurt, die al weet wat anderen nog niet beseffen.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

© Mark van Wageningen / Novo Typo

Tijd

Hartmut Rosa bestrijdt de versnelling in de samenleving waarmee mensen soms onnadenkend koketteren. Denk aan de clichématige opening van een lezing over innovatie: “Wij leven in een ontzettend snel evoluerende kennismaatschappij.” Rosa betoogt terecht dat er natuurlijke grenzen aan de versnelling zijn. Mensen willen ‘sneller’ van een griep genezen, maar het lukt niet. Ondertussen zijn er ook ‘verlangzamingsoases’, waar de tijd stil lijkt te staan, zoals abdijen. Paters die leven op een egaal ritme, acht uur arbeid, acht uur gebed, acht uur slaap. Abdijbier smaakt beter en drink je trager, ook omdat het lijkt alsof het brouwen evenmin haastig verliep.

Tijd mag geen chaos worden, dat hoort een minister van heimat te weten. Schaf de traditionele feestdagen niet af, geef ze een nieuwe, ruimere betekenis. Gun mensen ankerpunten, collectieve rustdagen en plekken van herkenning, waar mensen op routine, op de automatische piloot verder kunnen varen. Iemands heimat is de plek waar hij soms niet na hoeft te denken. Van de weeromstuit worden mensen verdraagzamer: ze moeten hun tradities niet opgeven om verdraagzaam te worden, ze worden juist verdraagzaam omdat ze hun tradities kunnen behouden. De tijd speelt daarbij een rol. Niet voor niets ordenden Getijdenboeken van oudsher veler levens.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

© Mark van Wageningen / Novo Typo

Geheugen

Heimat is ook geschiedenis. Wat mij ont-roert bij het beluisteren van gregoriaanse gezangen, is dat de meeste mensen die ze ooit hoorden, dood zijn. Wat voelden ze bij de mu-ziek? Dat weten we niet. Zoals wij nauwelijks kunnen vermoeden wat onze eigen voorouders eeuwen geleden dachten. Wie ze waren en wat ze deden vinden we misschien terug. Soms wat ze schreven. Maar hun diepste gedachten blijven grotendeels een raadsel. Geschiedenis geeft mensen een gevoel thuis te zijn, schept verticale solidariteit met mensen uit vroegere tijden.

Geschiedenis als schoolvak geraakte wat op de achtergrond. Ze ging door voor minder nut-tig dan exacte wetenschappen. Inhoudelijk werd ze gedomineerd door een model van sociale strijd en emancipatie, een laat relict van het marxisme. En over welke geschiedenis moet het precies gaan in een superdiverse samenleving? Kun je de klemtoon op Grieken en Romeinen, van Parthenon tot Pantheon, blijven volhouden?

Begin niet bij mensen die hier wonen, maar geen oude heimat delen

Hier pleit ik, als minister van thuis, voor een klassieke aanpak. Begin met de geschiedenis van je land, waar zijn oorsprong ligt en wat zijn inspiratiebronnen waren, niet met die van de mensen die er nu wonen en in het verleden dus geen gemeenschappelijke heimat hadden.

Externe inbreng is welkom, maar vormt niet de basis. Je kunt pas met anderen spreken wanneer je je eigen geschiedenis kent. Opvallend is dat Amerikanen daarover minder aarzelen dan Europeanen. Hoe ze hun geschiedenis - native Americans, slavernij - interpreteren, daarover bestaan verschillen. Maar laten we helder zijn over wat tot de geschiedenis behoort. Italianen, Afrikanen of Zweden kleurden mee de geschiedenis van de VS. Die wordt geen geschiedenis van Zweden, wel die van de Zweedse inbreng in Amerika. Dat onderscheid maken we in Europa niet altijd even scherp. Nochtans is het beter over een gedeelde geschiedenis te beschikken waarover je van mening verschilt, dan er geen te hebben.

Ik zou zeker de ideeëngeschiedenis niet verwaarlozen. In de filosofie neemt de aandacht voor de antieke cultuur weer toe. Mede omdat de filosofen van toen niet in de eerste plaats op zoek waren naar een verklaringsmodel voor alles, maar een levenshouding zochten, streefden naar levenskunst. Plato zag leren als het omwenden van de ziel. Onderwijs legt geen kennis in de ziel, maar draait ze in haar geheel in de richting van meer wijsheid. Een houding die naar onze wortels reikt.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

© Mark van Wageningen / Novo Typo

Taal

Als uw minister van thuis bekommer ik me om het Nederlands. Dat is niet enkel een instrument, het is wie we zijn. Als mensen wegens een ‘hoger doel’ hun moedertaal niet meer kunnen gebruiken, ontstaat vervreemding. Op een KLM-vlucht tussen Amsterdam en Bologna kregen wij passagiers in het Nederlands te horen dat de officiële communicatie verder in het Engels zou verlopen. Korte mededelingen, zoals dat gaat aan boord, toch eentalig. Hoeft dat nu echt?

Ook universiteiten hebben de neiging het Engels als de enige volwaardige taal te beschouwen. Paradoxaal genoeg leidt dat tot provincialisme. De briljantste geleerden van onze tijd behoren plotseling allemaal tot de Angelsaksische wereld. Streeft u naar een eredoctoraat? Dan kunt u maar beter geen Fransman of Duitser zijn, maar Amerikaan, Brit of Indiër.

Vervreemdend vond ik als rector van de Leuvense universiteit een opmerking van een Nederlandse hoogleraar economie. “Engels is voor ons geen enkel probleem, hoor”, deelde hij triomfantelijk mee. Hij zag taal puur als een instrument, zonder inhoudelijke relevantie, zonder weerslag op zijn identiteit. Ik dacht, maar zei niet: wie taal alleen maar ‘geen probleem’ vindt, heeft wellicht erg weinig te vertellen. Daarom is het belangrijk een even- wichtige taalpolitiek te voeren waarbij burgers de indruk hebben dat universiteiten en luchtvaartmaatschappijen van hen zijn, niet boven hen gaan staan. Voor nieuwkomers werpt de verengelsing een bijkomende hindernis op. Ze moeten ongeveer gelijktijdig twee nieuwe talen machtig worden, het Nederlands voor huis-tuin-en-keukengesprekken en het Engels voor de geleerde conversatie.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

© Mark van Wageningen / Novo Typo

Kloof

Een laatste punt van mijn programma: een superdiverse samenleving is mogelijk zonder een   Kulturkampf. In een poging om beter met diversiteit om te gaan, ontstond een nieuwe kloof tussen ‘open wereldburgers’ en ‘gesloten regionalisten’. Waanzinnig toch: een kloof, met het oog op integratie. Echt niet nodig. En al zeker niet in een samenleving die er zich op beroemt superdivers te zijn. Ook daar is werk aan de winkel voor mij als minister van thuis.

Een open samenleving staat open voor de heimat. En wie zijn heimat koestert, beseft dat ook anderen er een hebben of verlangen. We hoeven niet altijd ‘keuzes te maken’. Prachtig toch, dat ik u daarbij als minister help? 

Kerkjurist en publicist Rik Torfs was leider van de CD&V-fractie in de Belgische Senaat. In 2016 schreef hij ‘Fear of Happiness’.

Lees ook: Een Heimat-ministerie, riekt dat niet naar het Derde Rijk?

Ook Duitsland heeft sinds kort een Heimat-ministerie. Wat doet die? En bovendien, is dat woord wel gepast, zo prominent in de landelijke politiek, was het niet besmet door nationalisme en Derde Rijk-propaganda?


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel

Het bestrijden van vervreemding is de eerste taak van een minister van heimat

Weinig is zo vernederendals een expert die verandering stuurt

Begin niet bij mensen die hier wonen, maar geen oude heimat delen