Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Wrede Japanners, koude Nederlanders; twee verhalen over de bezetting van Nederlands-Indië en wat daarna kwam

Samenleving

Harriët Salm

Een kindertekeningen van Anne-Ruth, zus Marijke of broer Hugo Wertheim. © *
Interviews

Nederland herdenkt vandaag dat Japan op 15 augustus 1945 capituleerde. Mensen die de Japanse bezetting van toenmalig Nederlands-Indië aan den lijve ondervonden, zijn er niet veel meer. Trouw sprak twee van hen.

'Ik ben altijd activistisch gebleven. Ik snap wat immigranten en asielzoekers meemaken'

Lees verder na de advertentie

Anne-Ruth Wertheim (83), dochter van een Joodse vader en een niet-Joodse moeder, zat in een jappenkamp voor joden op West-Java.

© Werry Crone

Hoe zag uw leven er voor de oorlog uit?

“Ik had een fantastisch leven. Ik ben in Batavia geboren, zo heette Jakarta toen Indonesië nog een Nederlandse kolonie was, in 1934. Mijn vader was hoogleraar, mijn moeder werkte ook. Ik hecht eraan direct te zeggen: we waren met zo’n 300.000 Nederlanders en 60 miljoen Indonesiërs en wij waren de baas. Dat was verkeerd. Maar als jong kind weet je dat niet. Kijkt u even naar deze foto. Hier zie je mij als vijfjarige op weg naar een feestje, alleen, achterin onze auto met Indonesische chauffeur en ook nog de huisknecht naast me als chaperonne.

© *

“Zo leefde ik, met mijn jongere broer Hugo en oudere zus Marijke, echte rijkeluiskinderen. Hier zie je mij op een foto in mijn klas op de lagere school: alleen maar witte kindjes. Met Indonesische kinderen speelden we nooit. Een keer zag ik een paar kinderen in een kampong, waar de Indonesiërs woonden, wij kwamen daar niet. Ze liepen op blote voeten, dat leek mij fijn. Ik dacht toen: zij wél. Wij moesten sandalen aan. Ik herinner me de geweldige vakanties in de bergen. Ik sliep onder een deken die rook naar kamfer. Nog steeds hou ik van die geur.”

Toen ik vijf was betrapte ik mijn vader huilend aan de telefoon. Hij hoorde dat zijn ouders suïcide gepleegd hadden in Nederland

Anne-Ruth Wertheim

© *

Wat gebeurde er met u in de oorlog?

“Toen ik vijf was betrapte ik mijn vader huilend aan de telefoon. Hij hoorde dat zijn ouders suïcide gepleegd hadden in Nederland op de dag van de capitulatie voor de Duitsers. Mijn vader was Joods, mijn moeder niet. Zijn ouders voorvoelden wat de nazi’s van plan waren. Mijn ouders vertelden ons kinderen dat mijn grootouders ziek waren geworden, hoor, maar als kind voelde je hun pijn.

“Jood zijn speelde in ons gezin geen rol. Mijn ouders waren niet gelovig. Toen de Japanse dreiging toenam eind 1941 hebben mijn ouders ons naar een theeplantage in de bergen gebracht, bang voor bombardementen op Batavia.

“We gingen naar een Hollandse planter die goed lag bij de lokale bevolking. Mijn ouders vreesden dus toen al dat met de komst van de Japanners de Indonesiërs zich tegen de Hollanders zouden kunnen keren. Daarom gingen we speciaal naar deze man.

“Toen de Japanners de strijd wonnen begin 1942, zijn we terug naar ons huis in Batavia gegaan, mijn vader was toen al opgepakt en afgevoerd, we wisten niet waarheen. Ik heb hem 3,5 jaar niet gezien. De school was dicht, mijn moeder gaf ons les. Ik leerde wat geheimhouding was, want je mocht er niemand over vertellen, lesgeven was verboden. In 1943 kwam het bevel dat we het huis uit moesten, naar vrouwenkamp Kramat in een afgezet deel van de oude stad. Moeilijk vond ik het om mijn poppen achter te laten. Ik was acht jaar.

“De eerste tijd ging het best redelijk in dat kamp, we woonden in een gewoon huis, maar dan wel met tientallen gezinnen op een hoop. We speelden de hele dag. Mijn moeder had kleurpotloden mee en papier. De potloden werden stompjes, schoenen gingen stuk, we liepen op blote voeten.

Een kindertekening van Anne-Ruth, zus Marijke of broer Hugo Wertheim. © *

“In september 1944 hoorden we dat iedereen met Joods bloed zich moest melden. Mijn moeder legde ons uit dat wij dat waren. De Japanners waren bondgenoten van de nazi’s, daar kwam dat vandaan. Mijn moeder stond voor een verschrikkelijk dilemma. Als ze zou zeggen dat zij niet-Joods was en haar kinderen wel, dan zouden we misschien gescheiden worden. Ze kon het ook verzwijgen, Wertheim was wel een Joodse naam maar de Japanners hadden dat vermoedelijk niet door. Maar stel dat een van de andere Hollanders in een ruzie – er was onderling in deze omstandigheden best snel ruzie – het zou verklappen? En wat als mijn vader zich nu wel meldde, dan zou het uitkomen en ze wist niet waar mijn vader was. Als kind voel je dat er iets heel erg mis is. Mijn moeder was in die tijd ook nog zwaar ziek, ze lag in het kamphospitaal, maar ze vertelde ons wel over wat er speelde. Wij werden door andere Hollandse gevangenen opgevangen.

De poep liep over de stenen, je blote voeten kwamen er onder te zitten, die veegde je dan maar een beetje af

“Ik was ook bang voor de straffen van de Japanners, ik heb vreselijk wrede dingen gezien. Eén voorbeeld. Een meisje dat iets misdaan had, moest urenlang een kist boven haar hoofd vasthouden. Ze kreeg blauwe armen.

“Uiteindelijk besloot mijn moeder te zeggen dat zij ook Joods was. En dus moesten we samen naar een apart kamp in een oude jeugdgevangenis in het stadje Tangerang. Een hete barre tocht met een dichte trein bracht ons. Het was een enorme verslechtering, ik was toen net tien jaar. In een zaal met 84 mensen in twee lagen we boven elkaar op britsen. Onder begeleiding van soldaten met geweren moesten we corvee doen, werken in een moestuin bijvoorbeeld. De wc’s waren gaten in de grond, er was veel diarree, de poep liep over de stenen, je blote voeten kwamen er onder te zitten, die veegde je dan maar een beetje af, zo over de grond, voor je op je brits ging. Het stonk er verschrikkelijk. 

"Dat hele kamp verhuisde na drie maanden naar weer een ander: Adek, niet veel beter dan het vorige. Ik herinner me van de laatste maanden van dat kamp: honger. Hoe je maag pijn deed. We hadden het aldoor over eten, komt het al, zal het vandaag wat meer zijn? Soms kwam er een dag gewoon niets.

'Adek, 1945' getekend doo Anne-Ruth, zus Marijke of broer Hugo Wertheim. © *

“Japan capituleerde op 15 augustus, maar wij hoorden dat pas op 24 augustus. We zijn bevrijd door een regiment Brits-Indische Gurkha’s. Er kwam een bijeenkomst voor iedereen, ik herinner me dat het Wilhelmus werd gezongen, ik was ontroerd. Mijn vader vond ons niet veel later in het kamp, hij kwam aan op een gammele fiets, op slippers, ik herkende hem meteen. Hij had in een mannenkamp gezeten. Pas na weken vond hij een nieuw huis voor ons in Batavia, ons oude huis was tot en met de elektriciteitsdraden leeggehaald.”

We werden daar nageroepen door Leidse kinderen die jaloers waren dat repatrianten uit Indië dubbele voedselbonnen kregen: Hé, ga terug naar je apenland!

Anne-Ruth Wertheim

Wat betekenden die oorlogservaringen voor uw verdere leven?

“De Indonesiërs woonden eerst weer in de kampongs en wij in mooie huizen. Tegelijk barstte de Indonesische onafhankelijkheidstrijd uit. Er werd veel gevochten, mijn broer vond zelfs lege hulzen in onze tuin. Mijn ouders waren ervan overtuigd dat Indonesië onafhankelijk moest worden, geen populair standpunt onder andere Hollanders, maar ze namen de tijd het ons heel goed uit te leggen. Het werk met studenten, deels van Indonesische afkomst, had mijn vader doen inzien hoe fout het kolonialisme was. Begin 1946 nam mijn vader verlof en gingen we naar Nederland.

“Ik ging eerst naar de overbruggingsschool in Leiden. We werden daar nageroepen door Leidse kinderen die jaloers waren dat repatrianten uit Indië dubbele voedselbonnen kregen: Hé, ga terug naar je apenland! Wij riepen terug: Leidse glibbers! 

“Mijn vader werd hoogleraar in Amsterdam, ik ging daar naar de middelbare school. Mijn ouders waren razend over de politionele acties, hun standpunt was algemeen bekend. Ik werd daar als kind op school op aangekeken, hoor, dat lag heel gevoelig, maar ik was het met hen eens.

“Na mijn schooltijd studeerde ik biologie. Ik trouwde jong, kreeg drie dochters en leefde met mijn man in Wageningen, waar ik lesgaf en aan onderwijsvernieuwing werkte. Ik had als kampkind ervaren hoe zelfstandig kinderen al vroeg kunnen zijn en vond het oude schoolse leren niet goed. Ik wilde leerlingen meer zelf laten ontdekken, met projecten werken.

“Na dertig jaar ben ik gescheiden, een moeilijke tijd, waarin ik ook in therapie ging. Een kamptrauma heb ik niet, maar ik snapte wel opeens de soms onverwachte heftigheid van mijn emoties. Die komen door een verleden waarin je geen controle had over wat er gebeurde.

“Ik woon nu met een nieuwe partner in Amsterdam. Ik heb een boekje gemaakt over mijn kindertijd in een jappenkamp, het heet ‘De gans eet het brood van de eenden op’, met onze kindertekeningen erin, dat is deze zomer eindelijk in Japan uitgegeven. Heel erg leuk.

“Ik ben altijd activistisch gebleven. Ik snap door mijn kampervaringen, denk ik, wat immigranten en asielzoekers meemaken. Nooit weten waar je aan toe bent, beter niet over je verleden praten, omdat je anders misschien gevaar loopt, dat is slecht voor een mens. Ik schrijf stukken tegen racisme op joop.nl en in kranten en ik verspreid ze via Facebook. Zo wil ik blijven bijdragen aan een betere wereld.”

'Naar de Molukken wil ik niet meer terug, nee'

Stefanus Ririhena (95), oud-Knil militair, afkomstig van de Molukken, legt een krans tijdens de Indië-herdenking. Niet alleen voor de militairen die omkwamen in de strijd tegen de Japanners, maar ook voor álle slachtoffers van de daaropvolgende Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. 

© Werry Crone

Hoe zag uw leven er voor de oorlog uit?

“Ik kom van de Molukken, een aparte eilandengroep die deel uitmaakte van Nederlands-Indië. Ik ben geboren op het eiland Haruku in een dorp dat Wassu heet, in 1923. Een heel gewoon dorp, heel arm, je moest hard werken op het land om eten te hebben. Cassave planten, rijst, gerst soms. Er was niet veel. Er waren christelijke en islamitische dorpen op het eiland, mijn dorp was christelijk. Heel streng, hoor, oei. Je mocht niet veel: niet fietsen, niet dansen, geen radio. Mijn vader was ontzettend streng, ja, kinderen kregen harde straffen, fysiek ook. Ik had een oudere zuster. En nog twee jongere broertjes en een zusje. Ik ging in het dorp naar de lagere school, we spraken Maleis, ook de juf kende geen woord Nederlands. Ik wilde al jong predikant worden en naar de predikantenopleiding. Maar daar kwam de oorlog tussen.”

Wat gebeurde er met u tijdens de oorlog?

“Ik was achttien jaar, ik kreeg een brief, net als andere leeftijdsgenoten in mijn dorp. Ik moest naar de keuring voor het leger. Ik slaagde en toen was ik militair, deel van het Knil, het Koninklijk Nederlands-Indisch leger. De Japanners rukten op in Azië. Ik ging met mijn compagnie naar het eiland Ambon waar het centraal gezag was gevestigd en dat de Japanners wilden innemen. Harde gevechten daar? Ik herinner het mij niet. We capituleerden en waren gevangenen van de Japanners. Zo’n Japanner vroeg aan mij: Waar kom je vandaan? Haruku, zei ik. Toen zei hij: We kunnen jullie geen eten geven, ga maar naar huis. 

Ik ben jong getrouwd, om te voorkomen dat de Japanners haar meenamen. Het was een gearrangeerd huwelijk, ja, door mijn vader natuurlijk

Stefanus Ririhena

"Niet iedereen mocht gaan, hoor, velen gingen naar een interneringskamp. Maar ik kon gaan. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk voor ons. Op Haruku moest ik werken voor de Japanners. Moeilijk, heel moeilijk. We moesten een vliegveld bouwen bij Pelau, een ander dorp op het eiland. Dat was hard werken, grote rotsen daar, heel harde steen, die moest je glad maken. Je moest voor je eigen eten zorgen. Steeds mocht ik een week naar mijn dorp en dan weer een week dwangarbeid. De Japanners haalden ook troostmeisjes uit de dorpen, ongetrouwde jonge meisjes, dat was heel dreigend voor ons dorp.

“Ik ben jong getrouwd, om te voorkomen dat ze meegenomen werd. Het was een gearrangeerd huwelijk, ja, door mijn vader natuurlijk, hij regelde zulke dingen voor ons. Uit ons dorp is er geen meisje meegenomen, wel uit andere dorpen. Zo was het een moeilijke tijd tot het einde van de Japanse bezettingstijd, van de capitulatie hoorden wij pas via pamfletten die uit vliegtuigen werden gegooid.

Stefanus Ririhena en zijn eerste vrouw. © Werry Crone

“De oorlog was daarmee niet afgelopen voor ons, want de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië barstte los. Wij kregen opnieuw een brief, drie vrienden uit ons dorp en ik, we moesten ons weer melden bij het Knil. Als je je niet meldde dan was je een deserteur, dan kwam de militaire politie. Dus wij gingen, eerst naar Morotai, een eiland in de Noord-Molukken, waar de geallieerden zaten. Ik herinner me dat wij daar de zaak moesten overnemen, zodat de Amerikanen door konden naar de Filippijnen. We hebben dus niet hoeven vechten daar, het was al onder controle.

“Er waren wel Japanners die zich niet over wilden geven en die de bossen in vluchtten, er zijn daar hele dichte bossen. Wij moesten hen vinden, maar dat is niet gelukt. We vonden wel net verlaten slaapplaatsen. Na een tijdje kwam mijn vrouw ook over, we sliepen in de legerbarakken. Wij kregen een dochtertje daar, dat is later overleden, en ligt begraven in Morotai. Op Morotai is ook mijn oudste zoon geboren.

“In 1947 kreeg ik recuperatieverlof en gingen we terug naar Haruku. Na dat verlof van vier maanden wilde ik niet meer terug in het Knil, maar het moest. We gingen met mijn Molukse compagnie naar verschillende eilanden om via machtsvertoon aan de Indonesiërs te laten zien dat de Nederlanders weer aan de macht waren. Ik heb niet veel gevochten, maar ben wel op patrouille geweest, we moesten de vlag duidelijk planten, dat soort dingen. Later heb ik wel gehoord van andere Molukse Knil-militairen dat er op andere eilanden als Java en Sumatra veel ergere dingen zijn gebeurd, mensenlevens over en weer kapotgemaakt, lijfstraffen, martelingen. Ik heb dat niet meegemaakt, ik bleef bijna altijd ergens op de Molukken. Ik ben in 1948 een paar maanden naar de kaderschool gegaan op Java.

Waar ik lange tijd kwaad over ben geweest: we werden uit het leger ontslagen, kregen geen salaris meer, alleen een beetje weekgeld

Stefanus Ririhena

“Het ergste wat ik heb meegemaakt was op Celebes, in de stad Makassar. Daar zijn wij aangevallen door de Permista, dat waren Indonesische strijdkrachten. We waren allemaal jonge Molukkers in die compagnie. Als je aangevallen wordt, dan ben je kwaad. Wij vielen terug aan, daar is hard gevochten, ja. Ik zei tegen God: Ik wil niet dood en als ik niet zelf schiet, schieten ze mij dood. Amen. En dan ging ik.

“Ik heb mensen doodgeschoten, ja, maar hoeveel… het is beter daar niet meer over te praten. Indonesië werd onafhankelijk, dat was eind 1949.”

Wat betekenden die oorlogservaringen voor uw verdere leven?

“Nederland hield op met vechten en wij, Molukse jongens, hadden hard voor Nederland gestreden. Wij wilden niet onder Indonesië vallen, maar de Indonesiërs wilden de Molukkers geen onafhankelijkheid geven. Na Makassar waren wij op Semarang. We zijn uiteindelijk naar Nederland gegaan, in 1951, het zou voor korte tijd zijn, korter dan een jaar en daarna zou Nederland zo onderhandelen dat we terug konden.

“Op een schip naar Rotterdam ging ik met mijn gezin, ik had nu ook een tweeling, twee dochters, baby’s nog. Ik was 27 jaar oud. Mijn eerste indruk? Koud. Waar ik lange tijd kwaad over ben geweest: we werden uit het leger ontslagen. Kregen geen salaris meer. Alleen een beetje weekgeld. We gingen eerst naar Amersfoort, naar het voormalige concentratiekamp daar. Om bij te komen en op ziektes onderzocht te worden. Een van mijn dochters heb ik aan mijn zuster gegeven. Dat had ik beloofd. Zij en haar man konden geen kinderen krijgen. Mensen uit de Molukken willen graag kinderen, want zonder heb je geen waarde voor de familie en ik wilde haar daarvoor behoeden. Later heb ik het ze wel verteld, maar ze hadden het al door, de tweeling, dat ze geen nichtjes waren, maar zusjes. 

Ik werkte in het begin van de Hollandse tijd op het land, kersen plukken, illegaal, want we mochten niet werken, we zouden teruggaan

Stefanus Ririhena

"Na Amersfoort volgde Vught en daarna kwam ik in dit dorp Wierden, bij Almelo, waar ik nu nog woon. Ik werkte in het begin van de Hollandse tijd vaak op het land, kersen plukken, illegaal, want we mochten formeel niet werken, we zouden immers teruggaan. Ik ben heel lang fel anti-Nederlands gebleven. Nederland deed niets voor onze zaak. Ik was ook een behoorlijk strenge vader, tegen mijn kinderen zei ik: Jullie moeten goed leren om straks ons land op te bouwen.

“Maar de jaren gingen voorbij. Ik kreeg in totaal zes kinderen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk voor ons. Later kreeg ik formeel werk, in een textielfabriek in Nijverdal. Mijn vrouw overleed en ik hertrouwde. De tijd van de kapingen door Molukse jongeren in de jaren zeventig was moeilijk voor onze mensen, ik begreep hun motivatie, maar was het niet eens met wat ze deden.

“Op mijn 58ste ging ik met de vut en kon ik mij fulltime toeleggen op mijn functie als predikant. Wat ik altijd al wilde. Tot mijn tachtigste jaar heb ik gepreekt. Mijn oudste zoon is overleden, een andere dochter ook. Ik heb vijf kleinkinderen en vijf achterkleinkinderen. Nu ben ik mantelzorger van mijn vrouw, zij is nierpatiënte. Ik woon nog zelfstandig en kijk, ik heb al mijn tanden nog. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk voor ons, ik zeg het vaak. Ik leg een krans tijdens de Indië-herdenking voor de militairen die omkwamen in de strijd tegen de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik denk ook aan alle militaire en burgerslachtoffers van de Bersiap-periode, van de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië na de oorlog met Japan.

“Naar de Molukken wil ik niet meer terug, nee, het leven voor mijn familie is nu hier. Sommige van mijn kinderen zijn met Hollanders getrouwd, ze zouden niet meegaan. Nee, naar de Molukken ga ik alleen nog op vakantie.”

Miljoenen Indonesiërs werden dwangarbeiders en vonden de dood 

Op 15 augustus 1945, enkele dagen nadat Amerika atoombommen had gegooid op de steden Hiroshima en Nagasaki, capituleerde Japan. Daarmee kwam aan de Tweede Wereldoorlog een einde.

Adolf Hitler had al maanden eerder zelfmoord gepleegd, de Duitsers hadden zich in Europa overgegeven, Nederland was in zijn geheel al in mei 1945 bevrijd. Maar in het sinds begin 1942 door Japan bezette Nederlands-Indië duurde het nog een paar maanden langer voor aan de bezetting een einde kwam.

Bij de jaarlijkse nationale herdenking, vandaag formeel gevierd bij het Indisch Monument in Den Haag, staan de slachtoffers van de jaren van Japanse onderdrukking in en om voormalig Nederlands-Indië centraal.

Dat zijn de tienduizenden Hollanders en een deel van de Indo-Europese bevolking die na de Japanse inval in interneringskampen terechtkwamen. De mannen werden gescheiden van vrouwen en kinderen en in aparte jappenkampen gestopt.

Het zijn ook de 42.000 militairen die krijgsgevangen gemaakt werden en eveneens in kampen belandden, velen moesten dwangarbeid verrichten. Berucht is het werk aan de Birma-spoorlijn en de Pakan Baroe-spoorlijn en in de mijnen van Japan. 

Duizenden overleefden de slechte omstandigheden in deze kampen niet, door honger, wrede straffen, uitbuiting, ziekte.

Slachtoffer zijn ook de mensen die niet in kampen zaten. De Indo-Europese en de inheemse Indonesische bevolking leefden tijdens de bezetting voor een goed deel buiten de kampen, maar eveneens in erbarmelijke omstandigheden. Miljoenen Indonesiërs werden dwangarbeiders en vonden de dood.

‘Wij staan stil bij een oorlog die nog altijd doorwerkt, generaties lang, in ons en onze samenleving, tot op de dag van vandaag’, meldt de website van de nationale herdenking 15 augustus 1945. Ook op andere plekken wordt vandaag stilgestaan bij het oorlogsverleden in Indië, onder andere in Amstelveen, Enschede, Den Bosch, Apeldoorn, Almelo, Deventer en Roermond.

Lees ook: 

Voor het eerst legt een Molukker een krans tijdens de Haagse Indië-herdenking

Het is een kentering, zeggen kenners, in de wijze waarop Nederland stilstaat bij het oorlogsverleden in Nederlands-Indië.

Deel dit artikel

Toen ik vijf was betrapte ik mijn vader huilend aan de telefoon. Hij hoorde dat zijn ouders suïcide gepleegd hadden in Nederland

Anne-Ruth Wertheim

De poep liep over de stenen, je blote voeten kwamen er onder te zitten, die veegde je dan maar een beetje af

We werden daar nageroepen door Leidse kinderen die jaloers waren dat repatrianten uit Indië dubbele voedselbonnen kregen: Hé, ga terug naar je apenland!

Anne-Ruth Wertheim

Ik ben jong getrouwd, om te voorkomen dat de Japanners haar meenamen. Het was een gearrangeerd huwelijk, ja, door mijn vader natuurlijk

Stefanus Ririhena

Waar ik lange tijd kwaad over ben geweest: we werden uit het leger ontslagen, kregen geen salaris meer, alleen een beetje weekgeld

Stefanus Ririhena

Ik werkte in het begin van de Hollandse tijd op het land, kersen plukken, illegaal, want we mochten niet werken, we zouden teruggaan

Stefanus Ririhena