Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Voor de beoordelingscommissie gold: Eens een homo, altijd een homo

Samenleving

Hans Marijnissen

Wie ooit ‘onder verdachte omstandigheden’ is gesignaleerd bij een urinoir kan de baan wel vergeten. Foto uit een AVRO-programma uit 1963. © HH

Uit de Amsterdamse archieven blijkt dat tot ver in de jaren vijftig een groepje notabelen homoseksuelen weerde uit overheidsdiensten en private bedrijven. Vooral de politie bleek daarin zeer actief.

Het is 20 december 1948 en een 37-jarige man heeft een ‘bewijs van goed gedrag’ nodig voor een baan bij de Rijksverzekeringsbank in Amsterdam. Maar uit het politiedossier blijkt dat hij twee jaar eerder op straat een andere man heeft aangesproken en voorstelde ‘tezamen ontuchtige handelingen te plegen’. Hij heeft hem daarna ‘op niet nader te noemen wijze beetgegrepen’. Volgens de reclassering is de man ‘uitgesproken homoseksueel’.

Lees verder na de advertentie

Een lid van de beoordelingscommissie voelt er niets voor om een bewijs van goed zedelijk gedrag te verstrekken, ‘zéker niet voor de Rijksverzekeringsbank’. De secretaris merkt op dat de man ‘een klassiek geval’ is en een ‘principiële kwestie’. Geen twijfel mogelijk. De vergadering besluit in dossier NO. 10027 afwijzend te adviseren. Een loopbaan bij de Rijksverzekeringsbank? Daar staat nu een streep doorheen.

Zijn huwelijk zal wel een dekmantel zijn.

In de twee vuistdikke notulenboeken van de Amsterdamse ‘Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel’ wemelt het van zulke voorbeelden. De ministers Ollongren van Binnenlandse Zaken en Van Engelshoven van Cultuur hebben een onderzoek naar dit dossier gelast met de vraag of er in Amsterdam en andere steden sprake was van ‘systematisch discrimineren op grond van seksuele geaardheid bij overheidswerkgevers’.

Met een verwijzing naar de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) kreeg Trouw afgelopen week al toestemming de stukken in het Amsterdamse Stadsarchief te bestuderen. ‘Archief 5355’ bevat meer dan tienduizend dossiers, over de periode 1942 tot en 1958. Een eerste steekproef brengt tientallen voorbeelden naar boven van ambtenaren die al in dienst zijn, en sollicitanten die graag voor de Amsterdamse overheid willen werken, maar die vanwege een homoseksuele geaardheid hun gedroomde carrière wel kunnen vergeten.

Dossier NO. 8923 uit december 1947 beschrijft bijvoorbeeld het geval van een getrouwde jongeman die voor een diefstal in 1945, het laatste oorlogsjaar, tot een korte tuchtschoolstraf is veroordeeld. Krijgt hij toch een bewijs van goed gedrag? ‘Het is niet veel fraais’, oordeelt een commissielid voorzichtig, ‘maar de jongen komt uit een nette omgeving. Misschien is het wel te wagen?’ Waarop de voorzitter stelt dat dit helemaal geen geval is om iets te wagen. ‘De man is homoseksueel’. Zijn huwelijk zal wel een dekmantel zijn. Hij krijgt een afwijzend advies.

En dan is er dossier NO. 9551 uit juli 1948 over een homoseksuele man van wie de zenuwarts zegt dat hij het wel verantwoord vindt dat hij zijn betrekking bij de Rijkspostspaarbank blijft waarnemen. De secretaris van de commissie merkt op dat de man in zijn buurt bekend staat als homoseksueel. ‘Dan zou het toch wel vergaand zijn om zo iemand aan een rijksbetrekking te helpen’, oordeelt een ander commissielid. Waarna de voorzitter stelt: ‘Het zijn meestal hopeloze gevallen’. De conclusie kan niet anders zijn dan: afwijzen.

Verlichtend

Hoewel bovenstaande citaten misschien anders suggereren, is de Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel bij de instelling in 1912 een vooruitstrevend, bijna verlichtend initiatief. In die tijd worden gemeente- en rijksbetrekkingen voor het eerst opengesteld voor ex-gestraften en krijgen de burgemeesters van de dan duizend gemeenten de zelfstandige bevoegdheid in het vervolg de ‘verklaring van goed gedrag’ af te geven. Aan dat ‘eens een dief, altijd een dief’, moet een einde komen. De burgemeester moet voortaan als burgervader een inschatting maken.

De burgemeester van Amsterdam vraagt zich in 1912 echter af hoe hij dat moet doen, zonder enige kennis van zaken. Als eerste gemeente van Nederland stelt de stad daarom een commissie in van wijze mannen, die geholpen door rapportages van de politie en reclassering, de burgemeester advies geeft over de vraag of een burger met een strafblad een tweede kans verdient.

Aanvankelijk hanteert de commissie een ‘schaal’: na zoveel jaar goed gedrag komt een veroordeelde automatisch weer in aanmerking voor een baan. Maar dat vindt het Amsterdamse gemeentebestuur te star. De commissie moet de beleidsvrijheid hebben ook de persoonlijke omstandigheden mee te wegen, en misschien is het niet verstandig iemand die ooit voor diefstal is veroordeeld bij een bank te laten werken, maar in de haven kan hij geen kwaad. De commissie moet dus ‘maatwerk’ leveren, en dat in de jaren twintig van de vorige eeuw. Kranten als De Tijd en Het Nieuwsblad van Friesland berichten er juichend over, en spreken de hoop uit dat de andere steden het voorbeeld zullen volgen.

Dat gebeurt ook, in steden als Rotterdam en Den Haag, maar nergens zo gedegen en gestructureerd als in Amsterdam. Er wordt maandelijks vergaderd door de commissie onder leiding van kinderrechter G. de Jongh, die verder bestaat uit een kern van vaste leden uit de justitiële wereld en twee directeuren van gemeentelijke diensten die beurtelings voor een half jaar aanschuiven. Tussen de eerste bijeenkomst in 1912 en de laatste in 1958 adviseert de commissie over 17.271 aanvragen, adviezen die bijna standaard door de burgemeester worden gevolgd.

Uit de stukken kringelt sigarenrook op en er wordt gegrapt over de strafdossiers die ‘prentenboeken van tragische en verknoeide levens’ zijn. De aanvragers zijn in de ogen van de commissie weliswaar ‘slappe figuren’, ‘onbetrouwbare scharrelaars’, ‘drinkebroeren’ en, na de oorlog: mensen ‘verdacht van NSB-neigingen’. Maar er wordt gehandeld uit barmhartigheid, met een verwijzing naar het woord uit het Amsterdamse wapen.

Troost

Na de laatste vergadering in 1958 (het geven van adviezen wordt weer een rijkstaak), als de leden van toenmalig burgemeester Gijs van Hall de zilveren eremedaille van de stad hebben ontvangen, verwijst de voorzitter in een toespraak naar een reclameplaat van de tabaksfirma Douwe Egberts. Daarop staat een zeventiende-eeuwse Hollander in een prachtig kostuum naast een ‘arme sloeber’ aan de schandpaal. Die mag uit de lange Goudse pijp van de man ‘een trekje doen’. ‘Zo geeft hij te kennen dat hij de man aan de paal niet geheel en al veracht, maar in zijn ellende ook een kleine troost wil geven’. Zo moet burgemeester Van Hall volgens de voorzitter ook op de commissie terugkijken: ‘Die gaf niet alleen troost, maar ook een kans om weer als gewoon mens in de maatschappij te worden opgenomen’.

Tenminste, als de sloeber niet homoseksueel is. Want uit de dossiers van de naoorlogse jaren blijkt dat de commissie speciaal voor deze groep een ander beleid hanteert. Was het doel aanvankelijk om juist af te komen van ‘eens een dief, altijd een dief’, voor sollicitanten met een andere geaardheid geldt juist ‘eens een homo, altijd een homo’. En die moet je niet in de overheidsdienst willen.

De naoorlogse commissie wordt voorgezeten door mr. A.A.L.F. van Dullemen, als procureur-generaal de hoogste justitieman in Amsterdam, met W.F. Detiger als secretaris. Deze was jarenlang de directeur van het arbeidsbureau in Amsterdam en is al sinds 1913 aan de commissie verbonden. Die behandelt na de oorlog niet alleen de werknemers en sollicitanten van gemeentelijke diensten, maar ook die van de staatsbedrijven als de Nederlandse Spoorwegen, de PTT en KLM, en grote particuliere firma’s.

Commissielid Hekel heeft op dit gebied geen enkele expertise.

Daartoe wordt ook de commissie uitgebreid. Naast de mensen van de reclassering, praten ook de directeuren van de spoorwegen en de vliegtuigmaatschappij mee over mogelijke homoseksuelen. Zelfs een vaste vertegenwoordiger van accountantsbureau Frese en Hogeweg, dat later zal opgaan in KPMG, oordeelt mee. Het voordeel van deze samenstelling is dat de leden vanuit hun bedrijven informatie over kandidaten kunnen aanleveren, en tegelijkertijd die firma’s kunnen ‘schoonhouden’ van ongewenst personeel dat hun kant op dreigt te komen.

Veroordeeld

Aanvankelijk oordeelt de naoorlogse commissie als het om homoseksuelen gaat nog steeds over mensen met een strafblad. Homoseksualiteit is op zichzelf niet strafbaar in Nederland, anders dan bijvoorbeeld in Engeland. Maar homoseksuele contacten tussen mensen onder de 21 en die daarboven, zijn wél verboden. De man met dossier NO. 9869 bijvoorbeeld vraagt in 1948 toestemming in het onderwijs te werken, hoewel hij tien jaar eerder tot 12 maanden cel is veroordeeld voor zo’n contact. Zijn zenuwarts stelt in een rapport ‘dat een recidief van deze misstap met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de toekomst is uit te sluiten’. Toch vindt commissielid Jac Hekel dit ‘onbegrijpelijk’ en is hij er niet gerust op dat het feit zich niet zou kunnen herhalen. Dus maar niet doen. Voor de goede orde: commissielid Hekel heeft op dit gebied geen enkele expertise, hij is directeur van de Amsterdamse Stadsdrukkerij.

Datzelfde geldt voor commissielid B. Penning, als hij in het geval van dossier NO. 10027 waarmee dit artikel begint, in 1948 oordeelt dat de man van de ‘aanranding’ toch moet worden afgewezen. ‘Deskundige’ Penning is de vertegenwoordiger van de PTT.

De ‘commissie van barmhartigheid’ lijkt in die jaren na de oorlog als het om homoseksualiteit gaat, uitgegroeid tot een soort moraalpolitie, waarbij de directeur van het gemeentelijk abattoir, de brandweercommandant en de vertegenwoordiger van de stadsreiniging oordelen over het gevaar dat sollicitanten op hun werkvloer kúnnen vormen.

Dit bonte gezelschap oordeelt in die jaren niet alleen over mensen die voor homoseksuele contacten zijn veroordeeld, maar ook over sollicitanten die nog nooit met een strafrechter in aanraking zijn gekomen. Die zijn alleen door de politie ‘onder verdachte omstandigheden’ gesignaleerd bij een ‘urinoir dat druk door homoseksuelen wordt bezocht’.

Dat de commissie oordeelt over gevallen die volstrekt buiten haar bevoegdheid liggen, is des te opmerkelijker omdat zij wordt geleid door de hoogste justitieman van Amsterdam, procureur-generaal Van Dullemen. Hij trapt niet op de rem, maar kiest met zijn secretaris Detiger in discussies juist voor de harde lijn. Hoewel de twee geen mandaat hebben en juist procesbegeleiders moeten zijn, bepalen zij in veel gevallen wel de debatten die uitmonden in een afwijzing van een kandidaat.

Dat verandert iets met het verstrijken van die eerste jaren vijftig. De toon wordt milder als ook de bekendheid met het Cultuur- en OntspanningsCentrum (C.O.C.) groter wordt, de voorloper van de huidige belangenvereniging voor onder andere homoseksuelen. Langzaam maar zeker ontstaan er in de commissie gesprekken over die andere geaardheid, en luidt het oordeel dat homoseksualiteit geen bezwaar hoeft te zijn als dit een ‘zuiver afwijkende geneigdheid’ is waarbij geen ‘aanstootgevend’ gedrag komt kijken. Of zoals secretaris Detiger het in 1950 uitdrukt in dossier NO. 11494: ‘De vraag is of de man tolerabel is in gemeentedienst. Loopt hij te koop met zijn kwaal, dan niet’. Want, is weer in een ander dossier te lezen: ‘Is dat te koop lopen geen uitloksysteem om contact te maken met gelijkgeaarden?’

De commissie schuift nog een stukje op als in september 1953 diezelfde Detiger overlijdt. De hardliner, de ‘motor’ van de commissie, zoals hij tot dan wordt genoemd, is weggevallen, en meer medici treden toe die wat gematigder oordelen. Ze zijn ook voorzichtig kritisch over het tot dan gehanteerde beleid, en ronduit verbaasd over het werk van de politie.

Politie

Geneesheer-directeur P. van der Wey van het Wilhelmina Gasthuis vraagt zich in 1957 in dossier NO. 16536 af waarom de politie zo uitgebreid verslag doet over de homoseksuele contacten van een 28-jarige man, terwijl er geen enkel proces-verbaal of vonnis is. ‘Spreker (Van der Wey, red) geeft te kennen dat men in dit geval toch wel al te diep op het leven van verzoeker is ingegaan’. De man krijgt overigens gewoon zijn bewijs van goed gedrag.

De commissie gaat die laatste jaren steeds vaker tegen de negatieve adviezen van de Amsterdamse hoofdcommissaris in. ‘De politie is steeds wat zwaar op de hand’, signaleert een van de leden. Ook al hebben mensen geen enkel strafbaar feit gepleegd, homoseksuelen horen volgens de hoofdcommissaris van het Amsterdamse korps niet in een overheidsinstelling.

Wellicht kan die houding verklaard worden uit het feit dat de politie in die naoorlogse jaren bewust onder bevel van buitenstaanders was gesteld. Zowel hoofdcommissaris H. Kaasjager (van 1946 tot en met 1956) als H. van der Molen (1956 tot en met 1966) komen niet uit het Amsterdamse korps zelf, maar van de Koninklijke Marechaussee, die niet alleen een militaristische snit heeft, maar ook een provincialistische. Zo heeft de commissie in 1957 bij dossier NO. 16635 geen enkele twijfel over een 52-jarige man die zich zestien (!) jaar eerder vrijwillig heeft laten castreren en nu een ‘werkzame en willige suppoost’ is in het Amsterdamse Rijksmuseum. Maar de politie aarzelt: kan dit wel?

Ontstaan Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel 

Bij het veertigjarig jubileum van Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel op 6 februari 1952 schreef secretaris W.F. Detiger onderstaand stuk waarin hij ontstaansgeschiedenis schetst, de samenstelling en de werkwijze. Een jaar later zal hij overlijden. Vindplaats: archief 5338, Stadsarchief Amsterdam.

De laatste vergadering in 1958

Op de laatste vergadering van de Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel komt op 24 december 1958 burgemeester Gijs van Hall langs. Voorzitter A. Dullemen schetst de ‘barmhartigheid’ van de commissie, schetst de ‘workflow’ van de afgelopen 46 jaar, waarna Van Hall de betekenis van de commissie voor de stad benadrukt. Vindplaats: archief 5338, Stadsarchief Amsterdam.

Hoe gingen we te werk?

Nadat bekend werd dat het Amsterdamse Stadsarchief niet-openbare lijsten bewaart met namen van sollicitanten die in de jaren veertig en vijftig als ambtenaar zijn afgewezen omdat zij homoseksueel zouden zijn, deed Trouw met verwijzing naar de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) een verzoek tot inzage. De directeur oordeelde dat toegang mogelijk moet zijn, mits de dossiers anoniem blijven. Daarom staan in dit artikel alleen de dossiernummers, de namen zijn bij de redactie bekend. ‘Archief 5355’ bevat meer dan tienduizend dossiers die de beraadslagingen van de Beoordelingscommissie Zedelijk Gedrag Gemeentepersoneel beschrijven van 12 oktober 1942 tot en met de laatste zitting op 24 december 1958. Deze zijn steekproefsgewijs doorgenomen. Om trends te kunnen signaleren, zijn de ‘vroege’ jaren 1948 en 1950 en de ‘late’ jaren 1956 en 1957 compleet doorgenomen. 


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel

Zijn huwelijk zal wel een dekmantel zijn.

Commissielid Hekel heeft op dit gebied geen enkele expertise.