Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Verbittering zal Dirk Mulders afscheid van Kamp Westerbork niet beheersen

Samenleving

Karin Sitalsing

© Reyer Boxem

Na bijna 34 jaar neemt Dirk Mulder binnenkort afscheid van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. De Nacht van de Vluchteling – een sponsorloop, komend weekeinde – had ook hier zullen starten, maar na bedreigingen zag Mulder daar van af. Een dieptepunt, zegt hij, maar het mag niet zijn herinneringen verpesten.

Nee, zegt de flamboyante zestiger, terwijl hij op het terras van het grand café een sjekkie draait. Hij was niet zo’n jongetje dat al op zijn achtste alles over de Tweede Wereldoorlog wist. Hij las boeken over geschiedenis, dat wel, had ‘een basale interesse’, maar meer ook niet. Mulder deed een lerarenopleiding en ging geschiedenis studeren, vijftien jaar gaf hij les aan middelbare scholieren en volwassenen. “Pas toen ging ik me realiseren hoe ongelooflijk belangrijk die periode is geweest.”

Lees verder na de advertentie

In 1985 solliciteerde hij als directeur van het herinneringscentrum. Dat hij er zo lang zou blijven had hij nooit gedacht. Maar zijn baan is vandaag de dag compleet anders dan bij zijn aantreden. Omdat mensen veranderen, en de wereld verandert, en de manier waarop we met de geschiedenis omgaan, die ook.

Neem nou het kampterrein, het duidelijkste voorbeeld. In de tijd dat Mulder begon was het leeg. Weg ermee, was het adagium na de oorlog, alles wat aan die vijf jaren herinnerde moest zo snel en zo grondig mogelijk worden weggevaagd. Het was de tijd van vooruitkijken, van wederopbouw.

Kampcommandant Gemmeker

Het had weinig gescheeld of er was helemáál niets meer te zien geweest van het oorspronkelijk Durchgangslager. Als het huis van kampcommandant Gemmeker niet sinds de oorlog bewoond was gebleven, was ook dat na de bevrijding met de grond gelijk gemaakt. Maar na de oorlog fungeerde Westerbork korte tijd als militair kampement, en in die tijd had kolonel Piet van der Speck Obreen er zijn intrek in genomen, en na diens dood was zijn dochter Hanneke er blijven wonen en had zo onbedoeld een stuk cultureel erfgoed gered. Zij overleed in 2007 en drie jaar later kreeg het herinneringscentrum het pand terug. Nu staat er een grote glazen overkapping over en is het in gebruik als centrum voor debatten en gesprekken met oorlogsoverlevenden.

Veranderende inzichten, zegt Mulder. “Je praat met bezoekers, je gaat zelf eens op andere plekken kijken, er komen digitale mogelijkheden. Herdenken is veranderd.”

Een jaar of tien geleden begon het herinneringscentrum een zoektocht naar oude barakken, die links en rechts bij boerenbedrijven belandden en in gebruik waren als varkensschuur. “Dat kun je je nu niet meer voorstellen, maar toen was dat de tijdgeest.”

‘Dat weten we nu wel’, was in de jaren zeventig de heersende gedachte als het over de oorlog ging

Vandaag de dag, zegt Mulder, komen er sneller monumenten, is men zich er meer van bewust dat de behoefte aan vasthouden en overdragen gaat komen. Neem Ground Zero, neem het monument in Potocari. Herinneringscentrum Kamp Westerbork kwam er pas 38 jaar na de bevrijding – in 1983. Zo’n tien jaar eerder was het Centrum 45 opgericht, voor complexe psychotraumaklachten en traumabehandeling. “Eerder was er geen publieke aandacht voor oorlogstrauma’s en moesten mensen het zelf maar uitzoeken. ‘Dat weten we nu wel’, was de heersende gedachte als het over de oorlog ging.”

Leren door te benoemen

Hij ziet iets soortgelijks in de nasleep van de val van Srebrenica, volgend jaar 25 jaar geleden. “Daarover wordt ook gezegd dat de weduwen te lang in het verleden blijven hangen. Je hebt best kans dat er over nog eens 25 jaar heel anders over wordt gedacht, zoals dat met de Tweede Wereldoorlog ook het geval is. Bij rouwverwerking heb je ook verschillende fasen – ik denk dat dit ook zoiets is, maar dan in het groot.”

Van weghalen, zoals na de oorlog de gedachte was: zand erover, zwijgen, leer je niets, zegt Mulder. Neem de beelden van Marx en Engels in Oost-Berlijn. “Na de val van de Muur had het communisme nogal een slechte naam, toen was er sprake van dat de portretten van de grondleggers zouden moeten verdwijnen. Uiteindelijk zijn ze gebleven en is er een openluchtexpositie van gemaakt, waarbij wordt uitgelegd welke vreselijke dingen hun gedachtengoed heeft veroorzaakt. En dat we daar nu anders tegenaan kijken. Het feit dat die beelden er zijn vertelt óók iets, dat is óók geschiedenis. Door dat te benoemen kun je ervan leren. Als je het wegpoetst niet.”

Och, zegt Mulder. Hoe te herdenken, het is het grootste dilemma van het herinneringscentrum. Want voor het gedenken van oorlogen en andere trauma’s zijn geen draaiboeken en protocollen en je doet het nooit goed. Hij grinnikt. “Het is net als met voetbal. Daar heeft ook iedereen verstand van en iedereen weet het beter. En dankzij sociale media heeft iedereen een podium en ontvlamt meteen elke discussie.”

© reyer boxem

De rechtse hoek

In januari werd bekend dat de Nacht van de Vluchteling, een sponsorloop voor de opvang van vluchtelingen in de regio die vanaf verschillende plekken in Nederland start, ook een startpunt zou krijgen in Westerbork. De wereld was te klein. Het regende beledigingen, intimidaties, dreigementen, zowel uit ‘de rechtse hoek’ als uit de Joodse gemeenschap. “Er was geen zalf tegen te strijken.”

Als het nou nieuw was, maar we besteden al twintig jaar aandacht aan vluchtelingen

Hij en zijn collega’s begrepen het niet, zegt Mulder. Begrépen het gewoon écht niet. Het centrum laat de lijdensweg zien van mensen in nood, vluchtelingen zijn mensen in nood, dus wát was nu precies het probleem? “Bovendien: als het nou nieuw was, maar we besteden al twintig jaar aandacht aan vluchtelingen.”

Als je aan de rechterflank van het politieke firmament het woord ‘vluchteling’ laat vallen, ontstaan er blijkbaar allerlei associaties in hoofden, zegt Mulder. “Dan gaat het snel over gelukszoekers en boze tongen uit de Joodse gemeenschap beweerden dat het herinneringscentrum een veilige plek moet zijn – en dat op deze manier niet meer was, een heilige plek die werd ontheiligd.”

Zwichten voor de haters

Het doet zeer, zegt hij, als je je met hart en ziel inzet – niet alleen hij, maar ook al zijn medewerkers – om de geschiedenis levend te houden, de verhalen te vertellen, en van exact het tegenovergestelde wordt beschuldigd. Want zo was het. “In feite zeg je dan tegen ons allemaal: jullie rotzooien maar wat aan.”

Een worsteling was het, zegt hij, de tocht laten doorgaan of niet? Slecht slapen, voortdurend die malende gedachten, het vrat al zijn energie op, zegt hij, er was geen plek voor mooie dingen. En toen, uiteindelijk, zwichten voor de haters. “Het is natuurlijk godgeklaagd, een evenement annuleren vanwege bedreigingen. Maar tegelijkertijd dacht ik ook: stel dát er iets gebeurt. En dan?”

Weet je, zegt hij: “Aangetast worden in mijn professionaliteit, dat is nog tot daar aan toe. Maar aangetast worden in mijn integriteit, dat doet zeer. Daar kan ik me niet tegen verweren.” En toch, zegt hij, zullen de laatste maanden niet zijn lange loopbaan aan herinneringen domineren. “Ken je het boek van Gerhard Durlacher? ‘Met haat valt niet te leven’, heet dat. En zo is het.”

Grote bewondering heeft hij voor de veerkracht die hij ziet bij onderduikoverlevenden, kampoverlevenden, mensen uit het verzet. “Hoe ze zich níet door haat laten leiden, zich op de een of andere manier bij de situatie neerleggen. Zin ín het leven hebben, zin maken, zin willen geven áán het leven. Altijd zoeken naar iets waardevols, betekenisvols. Ik denk dat het ’m daar in zit. Maar goed, dat moet je wel kunnen opbrengen.”

Lang geleden, een jaar of dertig terug, was Mulder opgebrand, kampte hij met fobieën. De haptonoom adviseerde hem toen om niet tegen zijn angsten te vechten, maar ze juist te accepteren. “Want ze horen bij mij, zijn deel van me. Misschien is het met een oorlogstrauma ook zo.”

Belangstelling van jongeren 

Terwijl Mulder zijn tweede espresso drinkt, strijkt drie tafels verderop een vrouw neer met drie meisjes van een jaar of zestien.

Het valt hem op, zegt hij, dat juist jongeren een grote belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog hebben, meer dan, zeg, dertig jaar geleden. Misschien omdat er meer nieuws binnenkomt via meer kanalen, omdat de wereld minder overzichtelijk is geworden, beelden van oorlogen in andere landen de waan van de dag bepalen?

De eerste generatie, zegt hij, sprak nauwelijks over de oorlog. “Los van de vraag of dat kán – hoe kun je Auschwitz in woorden vatten? Maar goed, kinderen voelen aan dát er iets is waar niet over gesproken wordt en willen, op hun beurt, hun ouders niet lastigvallen met moeilijke vragen. Als vader nachtmerries heeft, denken ze toch: ik laat die man met rust. Maar de derde generatie stelt die vragen wél. Kleinkinderen hebben meer afstand en sowieso is de band tussen grootouders en kleinkinderen heel anders dan die tussen ouders en kinderen.”

Ed van Thijn

Mulder ziet wel een accentverschuiving. Er zijn onderzoeken geweest naar veteranen, vertelt hij, waaruit blijkt dat een dergelijk trauma doorwerkt tot in de vierde generatie. “Het gaat er minder om dat de kleinkinderen de verhalen van hun grootouders vertellen. Maar juist om wat die verhalen, de oorlog, met hén heeft gedaan.”

Ed van Thijn bezocht een keer het herinneringscentrum, vertelt Mulder, lang geleden, zijn dochters waren nog klein. Een van hen hupte over de bielzen van het monument. “Zijn eerste reactie was: ‘Dit kan echt niet!’ En meteen daarna realiseerde hij zich: dít is vrijheid. Dat zij, hier, zonder hangende schouders, maar onbevreesd, op deze plek zijn.”

De grootste act van rebellie komt van de lupinen, glimlacht Mulder. “In deze tijd van het jaar bloeiden ze buiten het kamp. De kampcommandant zag er streng op toe dat ze niet werden geplukt en in vaasjes in de barakken gezet. Dat was de mensen niet gegund. En wat denk je? Nu staat het hele kampterrein vol met lupinen.”

Een ander vindt het misschien zweverig, zegt hij. “Maar ik zie daar symboliek in. Dat de bloemen, die toen niet mochten, tóch bloeien, tóch hun plek hebben ingenomen. Dat uiteindelijk het goede overwint.”

Lees ook:

Hoe hou je de oorlogsgeschiedenis levend voor de jonge generatie?

De herinneringscentra van kampen Westerbork, Amersfoort en Vught gaan op de schop. Ze verbouwen om het verhaal over de Tweede Wereldoorlog aan een jonge generatie te kunnen blijven doorvertellen. Hoe hou je de geschiedenis voor hen levend?

Deel dit artikel

‘Dat weten we nu wel’, was in de jaren zeventig de heersende gedachte als het over de oorlog ging

Als het nou nieuw was, maar we besteden al twintig jaar aandacht aan vluchtelingen