Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Slavernijverleden wordt op steeds meer plekken herdacht

Samenleving

Harriët Salm

Een kranslegging bij het Nationaal Monument Slavernijverleden tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark in 2017. © ANP

De jaarlijkse herdenking van het slavernijverleden groeit. Vorig jaar is op acht plekken bij dit onderwerp stilgestaan, komend weekeinde gebeurt het op elf plekken. Dat meldt het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (Ninsee), dat sinds 2002 de bijeenkomst in Amsterdam organiseert.

Zondag is het 155 jaar geleden dat er formeel een einde kwam aan slavernij in Suriname en op de Antillen. In Almere, Tilburg en Utrecht is dit jaar voor het eerst een herdenking. “We denken al jaren na over een slavernijherdenking, we zijn heel blij dat het nu gaat lukken, zondag in het Vrijheidspark in Tilburg. De eerste in Brabant”, meldt Eardly van der Geld, een van de Tilburgse ­organisatoren.

Lees verder na de advertentie

Op sommige plekken is zaterdag 30 juni gekozen om te herdenken, in Amsterdam en andere plaatsen zondag 1 juli. De nationale herdenking bij het monument in het Oosterpark zal zondag live op ­televisie te zien zijn.

Ninsee wil de jaarlijkse herdenking van de slavernij vormgeven naar voorbeeld van 4 en 5 mei: met lokale commissies die volgens een vast protocol invulling geven aan de herdenking. “We zijn nog bezig dat protocol op te stellen”, zegt de per 1 februari aan­getreden directeur Urwin Vyent van Ninsee. “Nu nog wordt op verschillende plekken op verschillende wijze herdacht en gevierd.”

Een voorstel van Ninsee om de data uit elkaar te trekken, met 30 juni als dag van bezinning en 1 juli het vieren van de bevrijding, viel niet in goede aarde

De afgelopen jaren ontstond er een conflict over Keti Koti, de herdenking en de viering van de afschaffing van de slavernij. Een voorstel van Ninsee om de data naar voorbeeld van 4 en 5 mei uit elkaar te trekken, met 30 juni als dag van bezinning en 1 juli het vieren van de bevrijding, viel bij een deel van de achterban niet in goede aarde. Het Ninsee heeft de plannen daarom vooralsnog laten varen, maar Vyent wil nog altijd graag dat in de toekomst overal dezelfde datum wordt aan­gehouden, om de eenvormigheid en de kracht van de herdenking te bevorderen, zegt hij.

Hij verwacht dat het aantal plekken waar herdacht wordt volgend jaar opnieuw zal groeien. “Wij zijn al in gesprek met Leeuwarden en met Haarlem.”

Intussen is onder leiding van oud-Kamerlid Kathleen Ferrier een commissie namens de gemeente Amsterdam aan het bekijken hoe een toekomstig slavernijmuseum eruit moet zien. Eind dit jaar volgt hun rapport.

Er is nog onvoldoende historisch besef bij witte Nederlanders over de gevolgen van dat sla­ver­nij­ver­le­den

Urwin Vyent, directeur Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis

Balanceren tussen zwarte activisten en witte elite

Meer aandacht voor het slavernijverleden betekent ook meer emotie, merkt Urwin Vyent (59). Het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (Ninsee) werd tegelijk met de eerste slavernijherdenking opgericht, in 2001, en organiseert de jaarlijkse nationale herdenking. Het kent een roerige geschiedenis, met als dieptepunt het terugschroeven van de subsidie in 2013 door de nationale overheid. De gemeente Amsterdam sprong slechts ten dele in het gat en alleen een tijdelijke subsidie van oud-minister Asscher van sociale zaken voor onderzoek bracht nog enige verlichting.

Urwin Vyent. © Patrick Post

Het Ninsee heeft het niet makkelijk, maakt een gesprek met Vyent duidelijk. Het moet goede contacten onderhouden met de zwarte achterban, die waar nodig stevige taal verwacht tegen de voormalig witte onderdrukkers. Maar het Ninsee heeft ook die witte bestuurlijke elite nodig, al was het maar om in de toekomst weer meer geld te krijgen. En dat alles met twee parttime krachten (ieder één dag) en één directeur, betaald voor drie dagen. 

In een café onder zijn huidige kantoor in het gebouw De Bazel aan de Amsterdamse Vijzelstraat – curieus genoeg ooit het centrum van de koloniale tijd toen de Nederlandse Handelmaatschappij er gevestigd was – beantwoordt Vyent op rustige toon vragen over de spagaat waarin hij lijkt te zitten.

Uw voorganger Antoin Deul stelde in deze krant twee jaar geleden dat het slavernijverleden de witte Nederlanders ‘geen bal‘ interesseerde. Hoe ziet u dit?

“Er is nog onvoldoende historisch besef bij witte Nederlanders over de gevolgen van dat slavernijverleden. Het tegenwoordige etnisch profileren, het feit dat je minder kans op een baan hebt met een Surinaamse achternaam: zwarte mensen worden dagelijks met racisme geconfronteerd. Op tal van manieren. De beeldvorming over zwarte mensen komt voort uit die periode van slavernij.

“Toch zie ik wel verbetering. Ik merk dat ­onder witte mensen langzamerhand het besef ontstaat: jongens, er is een aantal zaken dat we in het verleden niet goed hebben gedaan. Zij beginnen in te zien dat een eeuwenlang koloniaal systeem, gebaseerd op een racistisch principe, doorwerkt in de huidige samenleving. Je ziet het in het zwartepietdebat. Een groeiende groep witte Nederlanders ziet in dat het beter is een, zeg maar, roze piet te nemen, want die zwarte knecht van de witte sint, die werkt ­racisme in de hand. Dáár zie ik vooruitgang.

“Alleen, en dit is een verregaande uitspraak, het blijft voor de zwarte gemeenschap moeilijk om openlijk te bespreken hoe het eigen verleden doorwerkt in het heden. Vooral als men het gevoel blijft houden door de witte Nederlanders sowieso onderschat te worden.”

Een groeiende groep witte Nederlanders ziet in dat het beter is een, zeg maar, roze piet te nemen, want die zwarte knecht van de witte sint, die werkt ­racisme in de hand

Het verleden dat doorwerkt in het heden – wat bedoelt u precies?

“Ik doel op de bekende thema’s die informeel binnen de zwarte gemeenschap heus wel op tafel liggen, maar die in het openbaar nauwelijks besproken worden: de eenoudergezinnen, schooluitval en schoolkeuze, de economische achterstand van de gemeenschap, de omgang tussen mannen en vrouwen, de wijze van opvoeding van de kinderen en ook de succesverhalen in de gemeenschap.”

Hoe zijn die actuele thema’s dan terug te voeren op het slavernijverleden?

“Daar moet dus meer onderzoek naar worden gedaan. Maar ik zie dat zo: in de slaventijd mochten de mensen zijn tot wat ze gemaakt waren, namelijk een slaaf. Ze mochten hun eigen taal spreken, ze mochten hun eigen eten maken, hun eigen muziek. Maar ze waren toch mindere mensen, want ze waren tot slaaf gemaakt. Na het afschaffen van de slavernij in 1863 moesten ze volgens de wet eerst nog tien jaar doorwerken op de plantages tegen een klein loontje. Daarna konden de tot slaaf ­gemaakten eindelijk geen slaaf meer zijn.

“Maar toen was er dus niets meer goed aan ze. Hun huidskleur was niet goed, hun eten was niet goed; dat heette slavenvoedsel. Hun taal was neger-Engels en dat mochten ze ook niet spreken. Ze moesten Algemeen Beschaafd Nederlands leren. Hun haar moesten ze glad maken. In die moeilijke periode heeft het volk zich ontwikkeld tot wat het nu is. Wil je de ­huidige cultuur begrijpen, dan moet je naar die periode terug.”

Dat klinkt best logisch. Waarom ligt dat dan zo gevoelig in de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap?

“Daar bestaat, begrijpelijk, nog achterdocht tegen. Op het moment dat je onderzoek nodig acht, erken je dat er een probleem is in je huidige cultuur. ‘Hoezo is onze cultuur niet goed?’ is dan de reactie. Het is daarom een gewaagde stap van het Ninsee om toch voor dergelijk onderzoek te pleiten. Met de resultaten kunnen weer projecten gestart worden. En daar hebben we steun bij nodig, financiële middelen van de overheid en particuliere instellingen. Want voorlopig gebeurt er zo goed als niets op onderzoeksterrein.”

Ik heb vaker gezegd: laten wij, Surinamers en Antillianen, geen haat ontwikkelen vanwege Zwarte Piet, maar de goede Nederlanders opzoeken

U zei dat de zwartepietendiscussie positief uitwerkt, maar klopt dat wel? De meerderheid van de Nederlandse steden en dorpen heeft nog steeds een ouderwetse piet en ergert zich aan het debat.

“Allereerst, die wrevel aan de witte kant over verzet tegen Zwarte Piet toont ook een gebrek aan kennis over het verleden aan. Daarin moet het Ninsee dus een rol spelen, om die kennis te delen. Ten tweede, ik heb vaker gezegd: laten wij, Surinamers en Antillianen, geen haat ontwikkelen vanwege Zwarte Piet, maar de goede Nederlanders opzoeken. Samen met witte mensen die dit inzicht al hebben, moeten we rustig laten zien dat Zwarte Piet echt niet kan. Ik zie die samenwerking ook ontstaan. Het is natuurlijk een probleem dat er op scholen en universiteiten nog zo weinig aandacht is voor het slavernijverleden en de doorwerking ervan, te veel witte mensen zijn zich er niet bewust van, daar moet ook wat aan gebeuren. En zwarte mensen kennen de verhalen trouwens ook niet echt.”

Welke verhalen moeten verteld worden?

“Zoals er nu over slavernij gesproken wordt, lijken slaven zielige mensen te zijn. Jongeren willen daar niets mee te maken hebben. Maar als je gaat uitzoeken welke kracht die voorouders hadden, welk verzet er is geweest, hoe ze geleefd hebben, hoe creatief ze waren in het vinden van oplossingen – er is zoveel om trots op te zijn.

“Na de afschaffing van de slavernij zijn ze niet gecompenseerd, maar velen hebben door hard werken een eigen stukje grond gekregen. Mijn voorouders ook. Zij hebben in 1878 de plantage waarop ze werkten eerst zelf gehuurd en later, in 1881, gekocht. Het is veel beter om trots te zijn op je voorouders dan boos te blijven op de onderdrukkers. Dat laatste brengt je niet verder.”

Het Ninsee heeft van binnen de gemeenschap nogal wat kritiek gekregen, vanwege een te slappe of juist te felle houding tegenover de witte Nederlanders. Hoe ziet u uw rol?

“Deze baan is een balanceeract. Ik wil bruggen slaan naar witte Nederlanders en naar die grote, brede groep die de zwarte gemeenschap is. De intellectuele voorhoede van de zwarte gemeenschap laat zich te weinig horen, dat zou ik graag anders zien. Er zijn zoveel goede mensen, maar slechts enkelen durven zich uit te spreken in het publieke debat. Zij mogen meer aandacht opeisen voor zichzelf.

“Maar ja, het is lastig, dat merk ik zelf ook. Er is een harde kern die zich in de discussie op de sociale media mengt. Dat gaat er vaak hard aan toe. Niet iedereen wil dat. Ik ben ook in de mangel genomen, ik zou te weinig activistisch zijn. Dat is niet prettig. De Surinaamse gemeenschap in Amsterdam Zuidoost bijvoorbeeld is een kleine gemeenschap. Je komt die critici tegen op de markt, op begrafenissen, op verjaardagen. Dat is niet niks. Het is mij ook niet in de koude kleren gaan zitten. Mijn familie vraagt zich af: Urwin, is het dit waard? Maar ja, ik vind het van belang, want om de problemen van nu echt op te lossen moeten we naar het slavernijverleden kijken en het Ninsee is daarin cruciaal. Alleen zo kunnen we samen verder, wit en zwart.”

Natuurlijk moet er een sla­ver­nij­mu­se­um komen, het zal bijdragen aan een actieve verwerking van dat verleden

Er loopt nu een onderzoek naar de vraag of er een apart slavernijmuseum moet komen. Wat vindt u?

“Dat museum moet er natuurlijk komen. Het zal bijdragen aan een actieve verwerking van dat verleden. We moeten met zijn allen rustig kijken hoe we dat museum tot stand kunnen brengen. Niet om uiteindelijk naar elkaar te gaan wijzen met een beschuldigende vinger, maar juist om vanuit dat verleden verbindende krachten te vinden.”

Lees ook:

Onze weekendbijlage Letter&Geest gaf een voorzet voor een nationaal slavernijmuseum. Welke verhalen moeten worden verteld en welke objecten getoond? Ook tekenen we ervaringen op van buitenlandse musea.

Deel dit artikel

Een voorstel van Ninsee om de data uit elkaar te trekken, met 30 juni als dag van bezinning en 1 juli het vieren van de bevrijding, viel niet in goede aarde

Er is nog onvoldoende historisch besef bij witte Nederlanders over de gevolgen van dat sla­ver­nij­ver­le­den

Urwin Vyent, directeur Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis

Een groeiende groep witte Nederlanders ziet in dat het beter is een, zeg maar, roze piet te nemen, want die zwarte knecht van de witte sint, die werkt ­racisme in de hand

Ik heb vaker gezegd: laten wij, Surinamers en Antillianen, geen haat ontwikkelen vanwege Zwarte Piet, maar de goede Nederlanders opzoeken

Natuurlijk moet er een sla­ver­nij­mu­se­um komen, het zal bijdragen aan een actieve verwerking van dat verleden