Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Scholen in de Centraal-Afrikaanse Republiek hebben overal gebrek aan

Samenleving

Melanie Zierse

De Birao school in het noorden van de Centraal Afrikaanse Republiek. Ook hier is het probleem: veel leerlingen, te weinig leraren. © AFP

Miljarden haalde de Global Partnership for Education vorige maand op om de armste landen te helpen hun onderwijs te verbeteren. Maar het geld komt niet altijd op de juiste plek terecht. Dat geldt ook voor de Centraal-Afrikaanse Republiek.

Een klaslokaal gevuld met tweehonderd kinderen is geen uitzondering op scholen in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR). Het gebeurt vaak dat de ogen zijn gericht op een lege plek vooraan in de klas. Bevoegde docenten zijn namelijk schaars in het land, dat al tientallen jaren wordt verscheurd door geweld tussen islamitische rebellen en christelijke burgermilities. En omdat leraren weinig aanzien hebben en nauwelijks of geen salaris ontvangen, zoeken de meesten ergens anders een baan.

Lees verder na de advertentie

Om het onderwijssysteem te versterken, kan de CAR gebruikmaken van een fonds van het Global Partnership for Education (GPE). Sinds de oprichting in 2002 hebben meer dan zestig arme landen zich als partner aangesloten bij deze financieringsorganisatie. Daarvan ligt ruim zestig procent in sub-Sahara-Afrika. Begin februari is de geldpot van GPE flink aangevuld, toen donorlanden 2,3 miljard dollar toezegden.

Wat heb je aan een nieuw gebouw, als dat toch wordt overgenomen door gewapende groeperingen?

Marieke Hopman

Maar gaat het helpen? Met de 15,5 miljoen dollar (12,5 miljoen euro) die de CAR de afgelopen jaren heeft gekregen, zijn tientallen klaslokalen gebouwd, honderden docenten opgeleid en honderdduizenden schoolboeken uitgedeeld. Hoewel dit mooie resultaten zijn, is er ook kritiek. Volgens critici blijken de goedbedoelde intenties van de internationale organisatie in de praktijk soms toch niet goed uit te pakken.

Onderwijs in de CAR kent veel tekortkomingen. Het meest in het oog springend is het gebrek aan schoolgebouwen. Scholieren moeten tien tot vijftien kilometer lopen voordat ze bij het dichtstbijzijnde gebouw aankomen. De weg ernaartoe is soms levensgevaarlijk. Niet alleen vanwege de gewapende rebellen en burgermilities die op de loer liggen, maar ook door de onveilige wegen.

Les door het raam

Aangekomen in het overvolle klaslokaal, is er niet altijd voor iedereen plek. Om de lessen te kunnen volgen, staan leerlingen vaak door de kleine raampjes van het lokaal te turen. De felgekleurde schoolboeken - die ze vaak met meerderen tegelijk delen - zijn in het Frans, een taal die ze nauwelijks beheersen. Op de bladzijden staan plaatjes van treinen en televisies, objecten die de kinderen nauwelijks tegenkomen. De leraren klagen veel over dit verplichte schoolmateriaal, dat niet aansluit bij het normale leven in de CAR.

Een ander probleem is het gebrek aan docenten. "Zij worden bijna nooit betaald", aldus Marieke Hopman van de Universiteit Maastricht. Zij deed onderzoek naar het onderwijs en de kinderrechten in het land. "Er zijn nauwelijks banken en geldtransport in het land is lastig." Om het tekort aan leraren op te vangen, staan er meestal zogenoemde 'maîtres-parents' voor de klas. Dit zijn volwassenen die door de lokale gemeenschap zijn uitgekozen om les te geven. Zij hebben zelf een relatief hoog opleidingsniveau, al gaat het vaak niet verder dan de derde klas van de middelbare school.

Als leerlingen in hun eigen taal leren lezen en schrijven, gaat het hun zoveel makkelijker af

Marieke Hopman

"Unicef bouwt nu namens GPE overal scholen en deelt honderden schoolboeken uit", zegt Hopman. Maar met alleen gebouwen en boeken ben je er volgens haar nog niet. "Wat heb je aan een nieuw gebouw, als dat toch wordt overgenomen door gewapende groeperingen? Leerlingen kunnen prima onder een zeil tussen de bomen les krijgen. Wat heb je aan lesboeken die de kinderen niet begrijpen en die niet aansluiten op hun belevingswereld?", vraagt Hopman zich af.

Hoewel er in het onderwijsplan ook kwaliteitsdoelen staan, focussen GPE en de ngo's zich volgens Hopman te veel op de aantallen gebouwen, lesboeken en leerlingen op school. Ook Francine Menashy van de Universiteit van Massachusetts Boston ziet dat terug in haar onderzoek naar de financieringsorganisatie. "Dat is kenmerkend voor alle internationale hulp. De organisaties denken in economische termen en zijn erg kwantitatief gedreven. Echt kwalitatieve verandering brengen is een enorme uitdaging", aldus Menashy.

Eigen taal

GPE moet volgens Hopman hulp bieden die beter past bij de situatie in de CAR. "Als leerlingen in hun eigen taal leren lezen en schrijven, gaat het hun zoveel makkelijker af. Het zou goed zijn die boeken lokaal te ontwikkelen. En leer ze ook praktische zaken, zoals een schooltuintje opzetten, gevarieerd koken en vreedzaam onderhandelen." Verder is het volgens Hopman belangrijk de leraren beter op te leiden. "En er moet een systeem komen om de leraren te betalen. Zij komen niet opdagen, omdat ze toch geen geld krijgen."

De focus van GPE lag de laatste vijf à zes jaar inderdaad op het bouwen van schoolgebouwen en het uitdelen van lesboeken, geeft woordvoerster Alexandra Humme toe. "Het blijkt dat kinderen die al vijf jaar op school zitten nog steeds niet kunnen lezen of rekenen. We proberen er nu voor te zorgen dat kinderen ook daadwerkelijk iets leren als ze op school zitten."

De Birao school in het noorden van de Centraal Afrikaanse Republiek. Ook hier is het probleem: veel leerlingen, te weinig leraren. © AFP

Humme benadrukt dat het per land verschilt wat de beste maatregelen zijn om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. "We werken aan nieuwe trainingen voor leraren, onderzoeken waarom de leraren niet betaald krijgen, werken aan de infrastructuur om kinderen veiliger naar school te laten gaan." Dat de lesboeken niet in de moedertaal van de kinderen zijn geschreven, is volgens Humme inderdaad een groot probleem. "Sinds een jaar of twee financieren wij alleen nog boeken aangepast aan de context waarin de kinderen leven, in de taal die zij van huis uit meekrijgen." Deze boeken zijn er echter nog niet voor de CAR en veel leraren krijgen nog steeds geen salaris.

Vooruitgang

GPE werkt voor meer dan vijftig procent in landen die getroffen zijn door enorme armoede, instabiliteit en conflict. In elk land zijn er dan ook redenen te noemen waarom de hulp niet perfect is, zegt Humme. "We moeten nadenken over en ons bezinnen op onze fouten, en daaraan werken. Maar we moeten tegelijkertijd ook kijken naar de vooruitgang die wij boeken."

Zo zitten er wereldwijd wel 72 miljoen meer kinderen op de basisschool in 2015 vergeleken met 2002, maakten in twee derde van alle partnerlanden net zo veel meisjes als jongens de basisschool af en werken lokale overheden in meer of mindere mate mee aan de verbetering van het onderwijs in hun land.

In het ideale scenario hebben alle betrokken partijen evenveel te zeggen. "Er is echter een verschil tussen de intentie en wat er werkelijk gebeurt", zegt Menashy. "In veel landen worden de beslissingen nog genomen door degenen met het geld. Dat zijn vaak bilaterale donateurs, ngo's en grant agents." Zo ook in de CAR, merkt Hopman. "De macht ligt bij de ngo's. In dit geval beheert Unicef het geld. Officieel doen ze dat samen met het ministerie van onderwijs, maar in de praktijk heeft de regering er niet altijd evenveel over te zeggen", aldus Hopman.

Maar volgens woordvoerster Humme bemoeien lokale overheden zich wel degelijk met de invulling van het onderwijsplan. "Het verschilt per land in welke mate, maar de overheid wordt bij alle gesprekken betrokken en moet altijd toestemming geven voordat er ergens geld naartoe gaat."

De constructie van GPE is volgens haar dan ook het enige juiste model van ontwikkeling. "Dertig jaar geleden kwam een donorland een ontwikkelingsland binnen en zei: 'Je doet wat wij willen en anders krijg je geen geld'. Dat is fout. We moeten als partners samenwerken om vooruit te gaan."

Draaiboek

Lokale overheden krijgen het geld van de Global Partnership for Education niet zelf. Op papier werkt het als volgt: een samenwerkingsverband met daarin vertegenwoordigers van de overheid, donateurs, internationale organisaties, lerarenorganisaties, academici, ngo's en de privésector kiest gezamenlijk een zogenoemde 'grant agent'. In veel gevallen is dit Unicef of de Wereldbank.

De grant agent schrijft samen met de lokale overheid een onderwijsplan, waarin het draaiboek voor de verschillende onderwijslagen is uitgewerkt en alle financiële, technische en politieke beperkingen worden toegelicht. Alle betrokken partijen praten hierover mee en ondertekenen dit. Wanneer het plan is goedgekeurd door GPE, krijgt de grant agent een bedrag, dat zij geleidelijk verstrekt aan de lokale overheid.

Nederland is een belangrijke donateur

Begin februari kwamen huidige en voormalige staatshoofden, ministers en verschillende organisaties als Unicef en de Wereldbank bijeen op een conferentie in Senegal. In totaal beloofden de aangesloten donorlanden 2,3 miljard dollar aan de Global Partnership for Education, bijna een verdubbeling van de 1,3 miljard die zij de afgelopen drie jaar toezegden. Dat wordt, samen met het geld dat de betrokken landen zelf investeren, gebruikt om het onderwijs te verbeteren. Ruim vijftig partnerlanden beloofden hun overheidsuitgaven voor onderwijs voor de periode 2018-2020 te verhogen tot 110 miljard dollar, vergeleken met 80 miljard dollar tussen 2015 en 2017, aldus GPE. Nederland was tot dit jaar de twee na grootste donateur van GPE. Sinds de oprichting in 2002 heeft Nederland 645 miljoen dollar bijgedragen, 13 procent van het totaal. Hoewel er nog geen bedragen zijn genoemd, beloofde Nederland opnieuw betrokken te zijn bij de financieringsorganisatie.

Deel dit artikel

Wat heb je aan een nieuw gebouw, als dat toch wordt overgenomen door gewapende groeperingen?

Marieke Hopman

Als leerlingen in hun eigen taal leren lezen en schrijven, gaat het hun zoveel makkelijker af

Marieke Hopman