Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ondergang en opkomst van de Bijlmer

Samenleving

Hanne Obbink

De Bijlmer bestaat vandaag vijftig jaar © Werry Crone
Stad van de toekomst

Vandaag vijftig jaar geleden ging de eerste paal de grond in voor de Bijlmer. De wijk verrees, ging bijna meteen ten onder, maar is nu aan een tweede leven begonnen.

De tennisveldjes aan de ene kant van de flat zijn net nieuw, rond de parkeerplaatsen aan de andere kant moet het gras zelfs nog ingezaaid worden. De flat zelf ziet er strak en schoon uit, ook bijna als nieuw.

Nog maar een paar jaar geleden stond dit flatgebouw zo goed als leeg. Ingangen waren dichtgetimmerd, ruiten ingegooid. In de bomen eromheen hingen resten van vuilnis, door de vertrokken bewoners over de balustrade gekieperd.

Kleiburg heet dit gebouw en het staat in de Bijlmer. Van flats als deze, tien hoog en meer dan vierhonderd meter lang, met een honingraatachtige plattegrond, zijn er vanaf eind jaren zestig zo'n twintig gebouwd. De meeste zijn in de loop van de jaren negentig weer gesloopt. Ook Kleiburg zou tegen de vlakte gaan, als laatste in de rij. Tót iemand op de gedachte kwam alle vijfhonderd appartementen in de flat afzonderlijk te verkopen aan 'klussers'.

"Kom maar kijken", zegt Daan Diederiks (54). Hij kwam hier een jaar geleden wonen, niet lang na zijn scheiding, en er moet nog wel wat gebeuren. Vandaag heeft hij net de keuken afgemaakt. "Moet je zien", zegt hij vanaf zijn balkon op acht hoog. "Dat uitzicht! Dat groen!"

Lees verder na de advertentie
'Moet je zien', zegt hij vanaf zijn balkon op acht hoog. 'Dat uitzicht! Dat groen!'

Stad van de toekomst

Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat de eerste paal geslagen werd voor de Bijlmer. Alles was nieuw hier, van het opgespoten zand waarop de wijk gebouwd werd tot de revolutionaire opzet van de wijk zelf. De woorden die toenmalig burgemeester Van Hall op die koude en bewolkte dag sprak, klonken verwachtingsvol: hier werd de 'stad van de toekomst' gebouwd.

Het liep anders. Inmiddels staat de Bijlmer bekend als zo'n beetje de grootste stedenbouwkundige misser uit de Nederlandse geschiedenis. Zelfs mislukte nieuwbouw blijft vaak nog minstens een generatie overeind, maar de Bijlmerflats waren amper een kwart eeuw oud toen een deel ervan alweer tot gruis vermalen werd. Wat ging er mis? En heeft die sloop de Bijlmer geholpen?

De man die de Bijlmer tekende, was Siegfried Nassuth, ambtenaar van Duitse komaf in Amsterdamse dienst, vol idealen. In zijn nieuwe wijk moesten gezinnen uit het overvolle Amsterdam licht, lucht en ruimte vinden. De honingraatachtige plattegrond van de flats moest zorgen dat bewoners niet bij elkaar naar binnen keken en toch elke dag zon op hun balkon kregen. Onderin de flats kwamen gemeenschappelijke ruimtes, waar bewoners elkaar zouden ontmoeten. Wie naar buiten ging, kon ongestoord door het groen wandelen, want dankzij de verhoogd aangelegde doorgaande wegen zou de wijk de meest verkeersveilige van Nederland worden.

Over alles was nagedacht. Elke maat op elke plattegrond was nauwkeurig vastgelegd. Alles hetzelfde. Een vakgenoot die de maquette van de Bijlmer zag en aan Nassuth vroeg waarom elke flat precies dezelfde afmetingen had, kreeg als antwoord: "Er kan maar één goede maat zijn."

(tekst loopt door onder de afbeelding)

© Werry Crone

Getto

Nassuth twijfelde niet. De eerste bewoners verhuisden in 1968 naar de Bijlmer en nog geen vijf jaar later waren de eerste berichten dat het er niet goed ging al te horen. Maar Nassuth kon verwijzen naar de gebrekkige uitvoering van wat hij op de tekentafel had uitgedacht. Hij had flats van zes hoog gewild en het was tien hoog geworden. Er was bezuinigd op de liften. De collectieve ruimtes werden kale hokken.

De geestelijk vader van de Bijlmer kon ook verwijzen naar wat elders in Nederland gebeurde. Toen de Bijlmer klaar was, begonnen ook steden als Hoorn, Purmerend en Lelystad te groeien. De gezinnen die Nassuth op het oog had als bewoners van zijn nieuwe wijk bleken liever te wonen in rijtjeshuizen met een tuin voor en achter dan hoog in de flats van de Bijlmer.

En er gebeurde nog iets. Vanaf 1970 kwam de stroom Surinamers naar Nederland op gang. De Bijlmer kampte toen al met leegstand, dus wat lag er meer voor de hand dan dat die Surinamers in de leegstaande woningen trokken? Op deze nieuwkomers - vaak arm, vaak nog zonder baan - was de wijk niet berekend. Het duurde niet lang voor het woord getto viel.

Maar Nassuth hield vol: aan het stedenbouwkundig ontwerp lag het niet.

Op deze nieuwkomers - vaak arm, vaak nog zonder baan - was de wijk niet berekend

Voortschrijdend inzicht

Daar denken de meeste stadsplanners inmiddels anders over. De Bijlmer is een 'onmetelijke groene woestijn vol hoogbouw', schreef Jos Gadet, hoofdplanoloog van de gemeente Amsterdam, een paar jaar geleden in zijn boek 'Terug naar de stad'. Het is 'onzin' de neergang van de wijk te wijten aan de komst van Surinamers, voegt hij eraan toe. Want waarom komen juist achterstandsgroepen terecht in dit soort wijken ver van de stad - net als in Parijs, net als in Berlijn? Omdat niemand anders er wil wonen.

"Die flats zijn gebouwd in een tijd van grote woningnood", zegt Errik Buursink, net als Gadet planoloog in dienst van de gemeente. "Als er dan al zo snel zoveel leegstand is, heb je iets niet goed gedaan."

Hét uitgangspunt van Nassuth was het scheiden van functies. Niet de chaos die in veel steden heerst, maar wonen gescheiden van werken en van recreëren, privé van openbaar, voetgangers van autoverkeer enzovoorts. Dat bleek niet te werken. De scheiding van verkeerssoorten bijvoorbeeld, had tot gevolg dat wegen en paden 's avonds vaak doodstil en dus onveilig werden.

"Voor gezinnen was de Bijlmer geen veilige plek", zegt Buursink. "Stel, je hebt een klein kind dat even je voordeur uitloopt. Na vijftig meter verdwijnt dat al uit zicht door die knik in de galerijen. Zo'n honingraat heeft vierenhalve kilometer galerij, dus dan is zo'n kind echt even kwijt. In gewone straten is er vanzelf toezicht van omwonenden en voorbijgangers. Zo'n straat is ook minder kwetsbaar voor verloedering."

Tijdens de bouw van de flats in de Bijlmermeer in 1967 © anp

Veel te groen

Al dat groen bleek evenmin goed uit te pakken. Halverwege de jaren tachtig lichtte architect Rem Koolhaas de Bijlmer door en hij stelde meesmuilend: "Nooit eerder in de geschiedenis is geprobeerd vijftigduizend mensen gelukkig te maken met een stedelijk leven verschraald tot wandelen, pootjebaden, vissen en spelen". Het zou al helpen, raadde hij aan, als er sportvelden, skatebaantjes of een theater in het groen zouden komen.

"Mensen zouden elkaar vanzelf ontmoeten in dat openbare groen", zegt Buursink. "Maar zo eenvoudig is het niet. Bewoners voelden zich er niet verantwoordelijk voor en voor de gemeente was het te veel om fatsoenlijk te beheren. Verkavel dat groen in privétuintjes, dat werkt vaak beter."

In 1992, een paar maanden voor de vliegramp met het toestel van El Al, viel het besluit een deel van de honingraatflats te slopen. Stedenbouwkundige inzichten waren veranderd. Tegenwoordig is niet het scheiden van functies voor Amsterdamse planologen een belangrijk uitgangspunt, maar juist het mengen ervan. De binnenstad en de negentiende-eeuwse wijken eromheen zijn het model. Daar wordt gewoond en gewerkt, kriskras door elkaar. Daar zijn winkels en cafés nooit verder weg dan even de hoek om, daar is de hele dag leven op straat. Zó moet een stad eruitzien.

In de Bijlmer is die stad nog ver weg. Op de plek van de verdwenen flats staan nu frisse huizen met tuintjes aan straten, de auto voor de deur. "Het is een beetje Almere - er wordt zelfs al van 'Bijlmere' gesproken", zegt Buursink.

Het zou al helpen als er sportvelden, skatebaantjes of een theater in het groen zouden komen

De nieuwe Bijlmer

Nog steeds is de bevolking van de Bijlmer, flats én nieuwbouw, minder welgesteld dan in de rest van Amsterdam. Er wonen meer migranten, meer werklozen en laagopgeleiden - al schuiven de percentages heel voorzichtig naar Amsterdamse gemiddelden toe. Ook de huizenprijzen blijven nog ver achter bij die van de rest van de stad.

Toch heeft de vernieuwing geholpen, denkt Buursink. "De wijk is genormaliseerd. Een aantal problemen is verdwenen. Het is er bijvoorbeeld veel veiliger geworden." Daarmee is ook iets verloren gegaan. "Het was toch een heroïsch concept. Zoiets groots en meeslepends bestond nergens in Nederland en is ook daarna nooit meer vertoond."

Doet de stedenbouwkundige opzet er uiteindelijk wel toe? "Er is niet zo heel veel mis met de Bijlmer, er is vooral iets mis met hoe 'ons soort mensen' naar zulke wijken kijkt", zegt Zef Hemel, bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij spreekt van 'stigmatisering'. "Er heerst armoede, we zien dat die niet verdwijnt, en dan keren we ons van zo'n wijk af. Dat is een sociaal proces, daar zit niets stedenbouwkundigs aan."

Ook volgens Hemel staat de Bijlmer er beter voor dan vóór de sloop van de flats, vooral omdat de verhouding tussen goedkope huurwoningen en duurdere huizen veranderd is. "Je ziet het ook in sloppenwijken: geef mensen hun huis in eigendom en ze gaan het onmiddellijk opknappen."

Sfeer

Dat klusflat Kleiburg behouden bleef, noemt Hemel 'een wonder', een teken dat de Bijlmer in trek begint te komen bij een nieuw soort mensen, jong en hip, voor wie wonen elders in Amsterdam te duur wordt. Maar om de wijk er echt bovenop te helpen, moet volgens hem ook de scheiding tussen wonen en werken doorbroken worden, op een manier die past bij de bewoners. "Her en der zie je al allerlei soorten informele economie opkomen, Surinaamse winkeltjes en bedrijfjes, een kapper, een marktje. Dat is de echte Bijlmer. Heel boeiend."

Daan Diederiks uit Kleiburg begrijpt wat Hemel bedoelt. "Ik ben een kind van de grachtengordel", vertelt hij. "In mijn studietijd was ik een tijdje taxichauffeur en als ik in de Bijlmer kwam, raakte ik altijd de weg kwijt." Nu voelt hij zich thuis. "Binnen een half uur ben ik op het Centraal Station. Maar als ik in de binnenstad kom, denk ik: wat een bleke, belegen toestand hier."

De flat zelf, een witte enclave in de buurt, is een gemeenschap geworden zoals Nassuth misschien voor ogen had - niet dankzij collectieve ruimtes en openbaar groen, maar dankzij een Facebookpagina. "Een soort prikbord met berichten", zegt Diederiks. "Wie heeft de lichten van z'n auto aan laten staan? Ik heb eten over, aan wie kan ik dat kwijt? Heeft iemand mijn sleutels gevonden?"

Op de begane grond van Kleiburg zit precies zo'n bedrijfje als Hemel bedoelt, een Ghanese kapper. 'Parliament' heet die, en Diederiks begrijpt waarom: er wordt eindeloos gepraat, avond aan avond. "Ik heb er zelf laatst m'n haar laten knippen. Hele discussies over het geloof en zo."

Diederiks gaat hier voorlopig niet weg. "De sfeer is hier veel meer ontspannen dan in de stad!"

Als ik in de binnenstad kom, denk ik: wat een bleke, belegen toestand hier

Deel dit artikel

'Moet je zien', zegt hij vanaf zijn balkon op acht hoog. 'Dat uitzicht! Dat groen!'

Op deze nieuwkomers - vaak arm, vaak nog zonder baan - was de wijk niet berekend

Het zou al helpen als er sportvelden, skatebaantjes of een theater in het groen zouden komen

Als ik in de binnenstad kom, denk ik: wat een bleke, belegen toestand hier