Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Noorse Sami strijden voor eerherstel

Samenleving

Anne Grietje Franssen

Elle Marjá Eira (rechts) en haar dochter Thea. © Nadia Shira Cohen, New York Times

Ze werden beschouwd als minderwaardig, zwakbegaafd zelfs. Nu strijden nieuwe generaties Sami voor hun eer en erfgoed.

Mari Boine’s ouders hebben nooit één concert van haar bijgewoond. Na haar doorbraak, eind jaren tachtig, leek iedereen getuige te willen zijn van de vrouw met die betoverende stem, de informele vertegenwoordiger van het noordelijke Sami-volk die met haar joiks, de zang van de sjamanen, het verhaal vertelde van haar mensen en hun erfgoed. Maar niet haar ouders. ‘Duivels’, noemden ze de muziek. “Mijn moeder hoorde me ooit op de radio en zei, achteraf: ‘Dat joiken van jou, dat is afschuwelijk’. Ze hebben het nooit geaccepteerd.”

Lees verder na de advertentie

Het waren kinderen van hun tijd, zegt Mari Boine (62) nu. “Ze waren getraumatiseerd, zoals zoveel van hun generatiegenoten.” Slachtoffers van de Noorse assimilatiepolitiek, die als doel had de hele Sami-bevolking te ‘vernoorsen’ en hun cultuur te degraderen tot een onbeduidende historische episode.

Die politiek liet de minderheid verzwakt, maar niet verslagen achter. Nieuwe generaties Sami maken zich nu hard voor het herstel van eer en erfgoed.

Mari Boine, Sami uit Noorwegen © *

Assimilatiepolitiek

Boine voerde een voorhoedegevecht. “Mijn ouders wilden vooral een goede christen van me maken”, vertelt ze. Boine groeide op in een strenggelovig gezin aan de Anarjohka-rivier in de noordelijke provincie Finnmark. Haar vader en moeder, die de familie onderhielden met zalmvissen en boeren, behoorden net als veel andere Sami tot de kerk van de Laestadianen, een vrome lutherse stroming die door de Zweedse dominee Lars Levi Laestadius in de negentiende eeuw naar Lapland was gebracht (Lapland is de naam van de kolonisators. De Sami noemen hun land zelf Sápmi). Laestadius werd door de inheemse bevolking omarmd als alternatief voor de Noorse staatskerk, die voor de Sami doorgaans gold als verlengstuk van de repressieve regering.

De rücksichtsloze assimilatiepolitiek werd aanvankelijk gedreven vanuit een zendelingendrang: dat heidense Sami-volk moest verchristelijkt. Maar een religieuze drijfveer vloeide over in een sociaal-darwinistische, later een nationalistische: de Sami waren een minderwaardig volk – tot in de jaren vijftig vielen ze van overheidswege in dezelfde categorie als zwakbegaafden. En het onwrikbare geloof in de natiestaat schreef voor dat de bevolking binnen de landsgrenzen een eenheid moest zijn. Van verscheidenheid werd een staat maar kwetsbaar, was de opvatting. Vatbaar voor opstand en oorlog.

De kinderen die opgroeiden in vernoorste Sami-gezinnen voelden dat er iets zat, dat ze anders waren, niet net zo Noors als de andere Noren

Voorouders

Sami-kinderen, vooral in de periferie van Sápmi, werden op jonge leeftijd uit hun gezinnen weggeplukt en naar Noorse kostscholen gestuurd. Hier werd ze verboden nog een woord in hun eigen taal te spreken. Ze leerden zich, zegt onderzoeker Kajsa Kemi Gjerpe van het Centrum voor Sami-studies van de Universiteit van Tromso, voor hun achtergrond te schamen. Vergeten en aanpassen, dat was de enige weg voorwaarts.

Pas toen Boine in haar twintiger jaren een lerarenopleiding volgde en ze een bibliotheek tot haar beschikking had, begon het langzaamaan te dagen: dus dáárom heb ik geleerd mijn eigen achtergrond te haten. Voor ze ging studeren wist ze vrijwel niets over het Sami-erfgoed. Nu ging ze zich verdiepen: in het koloniale verleden, de tradities en de joik: een trance-achtige muziek, a capella gezongen, met diepe en aanhoudende tonen. Boine: “Muziek voerde me mee op een reis terug naar mijn cultuur. Als ik zing, zijn mijn voorouders bij me. Ik was destijds heel verlegen, maar zodra ik begon te joiken, stroomden er teksten uit vol woede. Mijn studiegenoten konden niet geloven dat ik die boze vrouw was op het podium.”

Nomadisch bestaan

Sandra Márjá West (28), lid van het Noorse Sami Rijksverbond en manager van het Sami-festival Riddu Riddu, komt uit het kustgebied in het uiterste Noorse noorden. Deze grensgebieden van Sápmi, de regio’s die het dichtst in de buurt lagen van de Noorse gemeenschap, werden het hardst getroffen door de Noorse assimilatiepolitiek.

Niet alleen door de nabijheid van de Noren, vertelt West, maar ook omdat hun levensstijl minder van elkaar verschilde. De zee-Sami leefden vooral van de visvangst of kleinschalige landbouw en woonden in dorpen, net als hun Noorse buren. Hoe anders was het gesteld met de rendierhoedende Sami, die qua locatie en leefwijze mijlenver van het bekende verwijderd waren. Door hun nomadische bestaan viel er bovendien maar moeilijk grip op ze te krijgen.

De opa van West groeide op voor de Tweede Wereldoorlog. Destijds spraken ze bij hem thuis nog Sami. Maar de Duitse troepen brandden de Sami-dorpen af en hun gemeenschap werd naar het zuiden verdreven. Tijdens de wederopbouw, eind jaren veertig, besloot Noorwegen alle huizen op te trekken in dezelfde stijl. Het zichtbare onderscheid tussen Sami en niet-Sami verdween. “De gemeenschap nam toen een gezamenlijk besluit: vanaf nu spreken we geen Sami meer met onze kinderen.”

Weggemoffeld

Voor de jongere broer van Wests opa, die na de oorlog opgroeide, werd het Sami-verleden weggemoffeld, en hetzelfde gold voor de generatie die volgde: Wests moeder leerde thuis uitsluitend Noors. “Sterker nog: ze wist niet eens van haar Sami-afkomst. Niemand sprak er ooit over. Het was een collectief taboe.”

En toch: de kinderen die opgroeiden in vernoorste Sami-gezinnen voelden dat er iets zat, dat ze anders waren, niet net zo Noors als de andere Noren. Zo behielden veel Sami hun eigen benamingen voor dorpen, rivieren, heuvels. ‘Waarom noemen wij het dorp zo en zo?’, vroegen de kinderen. ‘Dat doen we omdat onze buren Sami zijn.’ “Maar als je dan naar de buren ging”, vertelt West, “kwamen zij met hetzelfde antwoord.”

De vernoorsingspolitiek draaide op volle toeren tot eind jaren vijftig, maar de naweeën waren nog decennialang voelbaar. Er was een grootscheepse opstand voor nodig om de gedwongen assimilatie een definitief halt toe te roepen.

Opstand

Die opstand kwam eind jaren zeventig, toen tienduizenden Sami zich verenigden in hun verzet tegen de bouw van een waterkrachtcentrale in de Alta-rivier, waarvoor grote delen van het omliggende Sami-land onder water zouden komen te staan.

De protesten konden de stuwdam niet voorkomen. Toch, zegt onderzoeker Gjerpe, veranderde dit conflict de koers van de Sami-geschiedenis. De zogeheten Alta-acties creëerden een nieuw zelfbewustzijn en bracht het volk hoog op de politieke agenda.

Een direct gevolg van Alta, zegt Gjerpe, was de officiële erkenning van de Sami als inheems volk. Het verdrag 169 van de Ilo, de Internationale arbeidsorganisatie, behelsde dat de Sami inspraak moesten krijgen in politieke beslissingen die raakten aan hun manier van leven. Dit leidde in 1989 tot de oprichting van een Sami-parlement.

In hetzelfde jaar bracht Mari Boine de cd ‘Gula Gula’ uit. “Het werd me niet altijd in dank afgenomen. Natuurlijk had je de joik-politie, de Sami die er hetzelfde over dachten als mijn ouders. Waarom is je muziek zo politiek? Onderdrukte volkeren hebben zich aangeleerd in codetaal te praten. Zo ook de Sami: veel mensen waren geshockeerd door mijn openhartige teksten. Littekens zijn er niet om te laten zien.”

Identiteit

In de jaren negentig kregen alle Sami-kinderen recht op onderwijs in hun eigen taal. Er kwam een Sami-hogeschool, waar studenten zich konden bekwamen in het rendierhoeden, in duodji, het traditionele handwerk, of een lerarenopleiding konden volgen tot Sami-docent. Alleen, zegt Gjerpe, bestaat er nog steeds een kloof tussen theorie en competentie: “In het hart van Sápmi wordt vaak in Sami onderwezen, maar ga naar een stad als Tromso, en het is bijna onmogelijk een geschikte Sami-leraar te vinden.”

Van de circa 50.000 Sami in Noorwegen spreekt naar schatting een derde ook een Sami-taal (er zijn tien varianten). Het Sami staat op de Unesco-lijst met bedreigde taalsoorten.

Van minstens zo groot belang voor de opleving van de Sami-cultuur, zegt Gjerpe, is een festival als Riddu Riddu. “Zeker daar, in het kustgebied, waar de eigenwaarde in een recent verleden zo is beschadigd.”

Toen een groepje jonge Sami Riddu Riddu in 1991 oprichtte, werd het vooral gezien als provocatie. De initiatiefnemers wilden dat nieuwe generaties Sami de aangeboren schaamte eindelijk achter zich konden laten, vertelt West, maar de eerste jaren stuitten ze alleen op weerstand. Of ze de geschiedenis niet konden laten voor wat het was?

Rebels feest

En toch: synchroon met de invoering van het Sami op scholen en bij overheidsinstanties, werd ook het festival langzaamaan geaccepteerd. Riddu Riddu ontwikkelde zich van een rebels feestje naar een grootschalig platform voor Sami-artiesten, -kunstenaars, -politici en -sprekers. “Door dit evenement kunnen veel jonge mensen weer trots zijn op hun Sami-achtergrond”, zegt West, die zelf opgroeide met het festival. Duizenden Sami trekken zomers naar het noordelijke kustgebied om erbij te kunnen zijn.

“Het is een ontmoetingsplaats, een gemeenschap, en een plek waar mensen invulling geven aan hun identiteit. Veel jongeren dragen hier bijvoorbeeld voor het eerst hun gákti, de traditionele kleding. Dat is een heel kwetsbaar moment.”

Identiteitsbegrenzing

Wat betekent het eigenlijk om Sami te zijn? “Het antwoord hierop is individueel”, zegt Gjerpe. Voor sommigen is het de taal, maar voor anderen die bijvoorbeeld hun taal hebben verloren, is dat de uitoefening van duodji, het traditionele handwerk of de gemeenschappelijke geschiedenis, de klederdracht, de rendieren, de tradities.

Het Sami-parlement hanteert twee criteria om te bepalen wie mag stemmen: jij, je ouders, grootouders of overgrootouders moeten thuis Sami hebben gesproken en je moet je Sami vóelen. Een officiële census is er niet; na de Tweede Wereldoorlog werd etnische registratie hier verboden.

“De maatschappelijke verwachting van een Sami is een rendierhoeder uit het hartland”, zegt West. “Maar in de realiteit is het aandeel rendierhoedende Sami klein. Wij willen met het festival die identiteitsbegrenzingen opheffen. Je kan op veel verschillenden manieren Sami zijn.”

Voor Boine betekent het Sami-zijn vooral de hechte band met de natuur. “Probeer die niet te overwinnen, maar leef ermee in samenspraak. Die wijsheid zit in onze genen: neem nooit meer dan wat de aarde weer aanvult.”

Voor West heeft haar identiteit ook te maken met het tijdsbesef. Toen ze in het zuiden van Noorwegen studeerde, moest elke kop koffie goed gepland. “In het noorden plannen we veel minder. Het weer kan altijd omslaan en dan moeten alle plannen weer omgegooid. De mensen hier zijn eraan gewend de dag te nemen zoals die komt.”

Lees ook:

Een rendierhoeder neemt het op tegen de Noorse staat

Jovsset Ante Sara moet van de Noorse overheid een groot deel van zijn rendieren slachten. Maar hij laat het er niet bij zitten.  

Deel dit artikel

De kinderen die opgroeiden in vernoorste Sami-gezinnen voelden dat er iets zat, dat ze anders waren, niet net zo Noors als de andere Noren