Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Nederland kent een verwarrende slavernijhistorie

Samenleving

Lodewijk Dros

Een prent uit 1839. Slaven op Curaçao verdienden vaak een klein salaris waarvan zij zich uiteindelijk konden vrijkopen. © KIT Tropenmuseum

Welkom in het Letter&Geest slavernijmuseum. Amsterdam wil een nationaal museum slavernijverleden. Letter&Geest, de weekendbijlage van Trouw, vraagt specialisten: welk verhaal zou u daar vertellen en welke objecten móeten we zien?

Van de bejubelde VOC-mentaliteit tot het bittere leven op suikerplantages: Nederland kent een verwarrende slavernijhistorie. Welke verhalen zijn (niet) welkom in het slavernijmuseum? 

Lees verder na de advertentie

Algiers, winter 1679. Het is druk op de slavenmarkt. Publiek verdringt zich rond een nieuwe lading slaven. Een van hen zal later in zijn ‘Reijsbeschrijvinge’ zijn ervaringen als koopwaar optekenen: “Telckens mosten wij overendt om besien te worden off oock gesondt waaren en of iets kreupels en verminckt aan ons was: sommigen van deese gasten soghten en besagen oock de mondt; alles most beschouwt worden!”

De slaaf herinnert zich zijn ‘wrede beul’, de bewaker die zijn handel geregeld geselt en met grof geweld de ketenen en sloten dichttimmert. “Vel en vlees scheurde hierdoor menighmaal en bleef aan het ijser kluijsterwerck hangen.”

Ach, ironie. De Schiedammer Stout was, toen zijn schip werd overvallen door ‘Turckse’ kapers, met zijn gezin op weg naar de kolonie Suriname, om daar rijk te worden; hij zal wel van een paar slaven gedroomd hebben. Nu was hij er zelf een.

Dankzij een vredesverdrag tussen Algiers en Nederland kwam hij na anderhalf jaar vrij

Vredesverdrag

Toch had hij geluk: dankzij een vredesverdrag tussen Algiers en Nederland kwam hij na anderhalf jaar vrij. Een landgenote was een eeuw later minder fortuinlijk: zij kon pas na jaren het mensonterend bestaan achter zich laten en zich in Medemblik vestigen, schreef ze in haar memoires. Met dat relaas, het enige slavenverhaal van een Europese vrouw uit die tijd, kreeg Nederland zijn eigen ‘Twelve Years a Slave’: ‘Twaalf Jarige Slaverny’, in 1748 geschreven door de Amsterdamse Maria ter Meetelen.

Marokkanen hadden haar en andere Nederlanders gekaapt en als slaaf verkocht. Op de jonge, mooie Ter Meetelen liet de sultan (koning) zijn oog vallen. “Die christenvrouw is waardig een princes te weesen.” Ze weigerde ‘Turks’ (= moslim) te worden en ontliep zijn harem. Niettemin verwierf ze in twaalf jaar Barbarijse slavernij veel invloed aan het hof. Hoe ze dat klaarspeelde, is onduidelijk. Haar landgenoten noemden haar ‘die hoer van den koning’. Was ze stiekem toch de bijslaap van de voorvader van de huidige vorst Mohammed VI?

Sprekende voorbeelden 

Wie de Nederlandse slavernijgeschiedenis wil beschrijven, heeft in Stout en Ter Meetelen sprekende voorbeelden. Rob Ruggenberg voert Ter Meetelen in zijn nieuwste jeugdroman ‘Piratenzoon’ op. Maar of ze in het nieuw op te richten slavernijmuseum een plaats krijgt, is maar de vraag. Want zij was een afwijkende slaaf, of, zoals dat in moderner jargon heet, tot slaaf gemaakte: ze was niet zwart en anders dan miljoenen anderen werd zij vrijgekocht. In het gebruikelijke schema van dader en slachtoffer dat het denken over slavernij beheerst, past ze niet. Nederland was in de dagen van Stout en Ter Meetelen een slaventransporteur, en hier zijn de rollen omgekeerd. Zij waren christenslaven in handen van Noord-Afrikaanse handelaren, Marokkanen (in Barbarije) en Turken (Ottomanen) die meer dan een miljoen westerlingen tot lijfeigene maakten.

De tekst gaat verder onder de afbeelding.

Honderd 'verloste slaven' keren terug in Nederland. © Prent Jan Luyken (rond 1683, fragment), collectie Rijksmuseum Amsterdam

In deze ‘oriëntaalse’ slavernij mochten slaven vaak geen gezinnen stichten (daartoe werden mannen massaal gecastreerd), en kregen dus niet het nageslacht dat generaties later voor erkenning van het aangedane onrecht op kon komen, laat staan voor herstelbetalingen.

In Nederland ligt dat anders. Hier vragen nazaten van de koloniale erfenis om erkenning, en terecht. “Het zijn”, zo licht het KIT (Tropenmuseum) toe bij zijn expositie ‘Heden van het slavernijverleden’, “voornamelijk zwarte Nederlanders voor wie de link tussen slavernij en ongelijkheid pijnlijk duidelijk is”.

Linea recta uit de VS

Hun emancipatiestreven komt linea recta uit de VS, gelijk met hun vocabulaire (van black consciousness tot white privilege) en de beelden die in de Amerikaanse literatuur en films bij slavernij horen. Zo is onze slavernijgeschiedenis vooral verbonden geraakt met Kunta Kinte, de hoofdpersoon uit de tv-serie ‘Roots’ (’Wij zwarten’) uit 1977: een zwarte tijdgenoot van Van Meetelen, in Gambia ontvoerd en naar de Nieuwe Wereld verscheept om daar als slaaf op een plantage te werken - waar hij weigert te buigen voor de vernederingen van zijn eigenaar, met gruwelijke gevolgen.

De trans-Atlantische slavenhandel domineert ons beeld, waardoor, zo betoogde Maurice Blessing in het Historisch Nieuwsblad, die kwam “los te staan van zijn context en ontstaansgrond, namelijk de Arabische, mediterrane en inheems-Afrikaanse slavenhandel”. De remake van ‘Roots’ uit 2016 maakt zich daar trouwens minder schuldig aan: daar wordt duidelijk dat Afrikaanse naties zélf slaven maakten en hielden en een deel van hen doorverkochten aan blanke slavenhandelaren.

Oriëntaalse slavernij 

In de oriëntaalse slavernij - zwarte slaven verkocht aan de Arabieren in Noord- en Oost-Afrika en het Midden-Oosten - zijn misschien wel veel meer mensen verhandeld dan in de trans-Atlantische, zo blijkt uit de studie ‘Islam’s Black Slaves’ (2002) van de Zuid-Afrikaan Ronald Segal. Het pijnlijkst is Segals vaststelling dat deze handel tot op de huidige dag voortgaat, de afschaffing van de slavernij ten spijt. Treurige dieptepunten zijn Mauretanië en Sudan (zie: ‘Hoezo afgeschaft?’, p. 15).

De schattingen van de omvang van de oriëntaalse handel lopen uiteen van 11 tot 17 miljoen, tegen zo’n 12 miljoen tot slaaf gemaakten die van Afrika naar de Nieuwe Wereld werden gedeporteerd. Het is zo’n onafzienbare stoet dat Segal spreekt van ‘de andere zwarte diaspora’. De Frans-Senegalese Tidiane N’Diaye noemt de Arabische slavenhandel in zijn gelijknamige boek uit 2008 een ‘versluierde genocide’.

Over het weerzinwekkende van de slavenhandel is geen discussie, maar de materie ligt zo gevoelig dat kanttekeningen bij die terminologie, schattingen van de omvang van de Barbarijse slavernij (onderdeel van de oriëntaalse) en studies als die van Segal en N’Diaye de auteurs snel het verwijt opleveren dat ze, zoals Blessing opmerkt, de ‘unieke vorm van genocide - slechts vergelijkbaar met de Holocaust’, die de transporten naar de Amerika’s waren geweest, bagatelliseren.

Het achterlijke Europa had weinig andere ‘goederen’ uit te ruilen met het ontwikkelde Oosten

Europa 

In Europa begon de grote slavenhandel al een millennium voordat de jonge Nederlandse Republiek zich erin stortte. Het achterlijke Europa had weinig andere ‘goederen’ uit te ruilen met het ontwikkelde Oosten, legt Peter Frankopan uit in ‘De Zijderoutes’ (2016). Vooral de Vikingen joegen middeleeuwers de stuipen op het lijf door hun brute mensenroof. Veel van de ongelukkigen kwamen uit Oost-Europa - inderdaad, de Slaven (zie p. 12).

Voor het Nederlandse slavernijverleden is de trans-Atlantische slavernij van directer belang, met de West-Indische Compagnie en privérederijen die op Suriname en de Caribische eilanden voeren. De oriëntaalse slavernij speelt slechts een rol voor zover het de weinige (maar nog altijd minstens 10.000) Hollanders betrof die in een Noord-Afrikaanse slavenkerker verdwenen.

Arabieren en Noord-Afri­ka­nen waren racisten, ze verachtten zwarten

Tidiane N'Diaye

De trans-Atlantische slavernij was racistisch van aard. En de oriëntaalse slavernij? N’Diaye: “Arabieren en Noord-Afrikanen waren racisten, ze verachtten zwarten.” Segal oordeelt iets milder, maar stelt dat de oosterse handel wel veel langer doorging doordat er geen islamitische beweging tégen was. Zo’n beweging ontstond wel in de VS en Engeland tegen de al even godsdienstig gesanctioneerde slavernij. Ook in Nederland klonk dat protest door, maar de koopman won het lang van de dominee. Pas in 1863 schafte Nederland de slavernij in de West af.

'Nationale museale voorzienig'

Amsterdam heeft deze zomer ingestemd met een ‘nationale museale voorziening’ over het ‘trans-Atlantische slavernijverleden’. Een voorschot daarop nam het KIT met een bescheiden expositie daarover. Ook het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) noteert op zijn website: “Als wij spreken over de Nederlandse slavernijgeschiedenis dan zijn daarbij betrokken Nederlanders, Afrikanen, Surinamers en Antillianen.”

Het NiNsee staat pal voor de ‘zwarte diaspora’, dus ontbreken de Aziaten opzichtig. Zoals ze ook in 2006 de verzwegenen waren toen premier Balkenende in de Tweede Kamer monter zei: “Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit. Over grenzen heen kijken! Dynamiek!”

Neêrlands trans-Atlantische handel betrof zo’n half miljoen slaven. De handel in de Oost was waarschijnlijk nog omvangrijker. Maar wie zou daarop moeten hameren? De ‘Indische’ slavennazaten wonen in de Oost, schreef Reggie Baay onlangs in De Correspondent. En zo kon 1863 het beslissende jaar van Keti Koti (‘gebroken ketenen’) worden, en niet 1860, toen in de Oost de afschaffing begon. Baay signaleert tot in schoolboeken en herdenkingen aan toe een ‘hypocriet’ en ‘abject’ gebrek aan aandacht voor de slavernij in Nederlands-Indië.

Niet veranderen 

De lopende racismediscussie, die ten grondslag ligt aan het Zwarte-Pietdebat, zal dat niet veranderen: die wordt gevoed door Paramaribo, niet door Batavia. Een effect van het succes van de lobby voor het Amsterdamse slavernijmuseumplan is dat het geen rechtdoet aan de nationale slavernijgeschiedenis, hooguit aan de helft ervan. Daarom is dat plan een valse start.

Het is verdedigbaar om in een slavernijmuseum de beperkte groep Hollandse slaven te negeren, al zou het jammer zijn. Maar aan ‘Ons Indië’ voorbijgaan, dat kan echt niet meer. Het zou, zegt Baay, de geloofwaardigheid van een Nationaal Museum Slavernijverleden aantasten (zie p. 17). Toch eist Marvin Hokstam, betrokken bij dat museum, donderdag in Het Parool dat daarin een ‘Afrikaans perspectief dominant moet zijn’: het gaat over de ‘zwarte geschiedenis’, verteld met ‘zwarte emoties’ en vooral niet ‘witgewassen’. Maar geen woord over Indië.

Uitsluitende eenzijdigheid 

Dat standpunt is in zijn uitsluitende eenzijdigheid niet houdbaar. Gelukkig bezint het NiNsee zich daar nu op. Dat biedt ruimte voor alle grote en kleine Nederlandse slavernijverhalen die thuishoren in een museum - dat trouwens nog wel even op zich zal laten wachten.

Maar welke keuze de conservatoren ook maken, ze begeven zich in een razend ingewikkeld debat dat snel oververhit raakt. 

Lodewijk Dros is chef van Letter&Geest

Dit artikel is onderdeel van het speciale themanummer van Letter&Geest over het slavernijmuseum. Meer lezen? Bekijk ons dossier. 

Deel dit artikel

Dankzij een vredesverdrag tussen Algiers en Nederland kwam hij na anderhalf jaar vrij

Het achterlijke Europa had weinig andere ‘goederen’ uit te ruilen met het ontwikkelde Oosten

Arabieren en Noord-Afri­ka­nen waren racisten, ze verachtten zwarten

Tidiane N'Diaye