Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Naarmate je meer voorouders ontdekt, wordt het almaar diffuser. Wat is eigenlijk je familie?

Samenleving

Rob Schouten

Familieportret uit Enschede (1905). Echtgenote en zus de van fotograaf, met een onbekende dame en heer en schoonzus. © Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

Waar komt die hedendaagse fascinatie voor verre voorouders eigenlijk vandaan, en horen al die negentiende-eeuwse paupers en prinsen werkelijk nog bij je familie? Rob Schouten vraagt het zich af.

Mijn moeder is een Hazeleger, mijn grootmoeder heette Flipsje Hop, afkomstig uit het dorpje Hierden, en een van mijn grootmoeders was de Loosdrechtse Neeltje de Kloet. En als ik nog wat verder kijk, kom ik een Sara Goossen tegen, van beroep breister, en Hendrik Stoffelsen, ‘daghuurder’. En laat ik vooral ook Geurtje Knol, landbouwster te Veenendaal, niet vergeten, en Lubbert Teunissen, klompenmaker te Harderwijk. Schaam ik mij voor het overtal aan heikneuters, keuterboertjes en aardappeleters in mijn voorgeslacht? Geenszins, ik geniet ervan, zoals de rest van Nederland.

Lees verder na de advertentie

Zo ontdekte journaliste en schrijfster Suzanna Jansen dat ze afstamde van een stel negentiende-eeuwse arme sloebers die uit de grote stad Amsterdam ter verbetering naar Veenhuizen, destijds de dwangkolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, waren gestuurd. Ze schreef er ‘Het pauperparadijs’ over, bestseller en inmiddels zelfs een musical die afgelopen juli in Carré liep (arrangement inclusief champagne!). We lopen weg met onze weinig ­illustere voorouders. De emancipatie van jan met de pet heeft ons een nieuw familiegevoel geschonken, al die ­armetierige lui uit de negentiende en achttiende eeuw hebben ons immers gezamenlijk voortgebracht: óns, min of meer geslaagde 21-eeuwse mensachtigen.

'Waer is dien schelm, ick sal hem vermoorden. Ick wil hem doodt steken waer dat ik hem crijgen kan'

Slager Jan Eijndhouts uit Helmond

Familiebesef

Neem het televisieprogramma ‘Verborgen verleden’: BN’ers, de nieuwe adel van deze tijd, worden blij verrast met kleurrijke voorouders. En zo zien we Tom Egberts een traantje wegpinken omdat hij blijkt af te stammen van Ierse emigranten, straatarm weliswaar maar wel mooi Iers. En René Froger, afkomstig uit een clan van circus- en kermisartiesten, gaat opgetogen op bezoek bij heel verre Italiaanse verwanten. Herman Pleij ontdekt dat zijn voorouders eigenlijk nogal losers waren die iets ­ambieerden. maar daar niet in slaagden en Cornald Maas z’n voorouders waren een beetje fout, zo te zien. Interessant allemaal zeg! 

Zelf heb ik een zeventiende-eeuwse slager in de aanbieding, een zekere Jan Eijndhouts uit Helmond die zijn beroep ruim opvatte als je het ­volgende proces-verbaal over hem mag geloven waarin hij een medeburger ­achternazat: ‘Waer is dien schelm, ick sal hem vermoorden. Ick wil hem doodt steken waer dat ik hem crijgen kan’. Zoiets zegt mij meer dan een patriciërs-portret door een societyschilder. ­Misschien geven die wevers, grutters en landlopers in je stamboom ook wel het niet te versmaden gevoel dat je het verder hebt geschopt dan zij.

Reproductiefoto (1930-1959) van familiefoto. © Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

Familie- en gezinsbesef is, nu ook de paupers, kneuzen en middelmatigen mee mogen doen, populairder dan ooit. Je hebt op tv niet alleen Verborgen verleden, maar ook programma’s als ‘Het familiediner’: verscheurde families worden weer bijeengebracht, ‘DNA onbekend’: wie zijn eigenlijk je echte broers en zusters, ‘Allemaal familie’ over familiebedrijven en hun zorgen, ‘Spoorloos’, adoptiekinderen speuren naar hun biologische ouders. En bij de firma ‘My heritage’, present met tv-commercials, kun je DNA-kits bestellen waarmee je voor eens en voor altijd kunt uitmaken bij wie je eigenlijk hoort en waar je thuis is. Blut und Boden-gedachten? Ach welnee, maar wel, alles bij elkaar opgeteld: de familie, het gezin moet weer heel worden!

Ik voelde mij, met mijn Vietnamjasje en pukkel, een erg vreemde eend in de bijt en beslist geen familie

Dat was op 27 april 1966 (inderdaad, de geboortedag van koning Willem-Alexander, ter gelegenheid waarvan een oranje stamboom de etalage van V&D te Groningen kleurde, die ik thuis getrouw overschreef, mijn eerste genealogische daad), toen ik mijn vrijetijdsbesteding in de genealogie begon, wel anders. Genealogie, ook wel ouderwets ‘geslachtsrekenkunde’ geheten, was dan officieel wel een hulpwetenschap van de geschiedenis, maar ze werd vooral als tijdverdrijf beoefend door gepensioneerde kolonels en patriciërs in ruste. Toen ik als veertienjarige voor het eerst afreisde naar het Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag, in die jaren nog aan de statige Oranje Nassaulaan gelegen, werd ik welkom geheten door een heuse jonkvrouw Van Voorst tot Voorst, die zaalwacht was. Ik voelde mij, met mijn Vietnamjasje en pukkel, een erg vreemde eend in de bijt en beslist geen familie.

Sibbekunde

Familie, gezinsleven, bloedverwantschap, waren niet populair in mijn jeugd. Genealogie was een bezigheid voor de elite die poogde van de vorige elite af te stammen. En rook het niet ook een beetje fout, naar de nazi’s die haar zo gretig hadden beoefend in het kader van hun rassenleer? En was er in het nabije verleden niet een fout blaadje geweest, Sibbe geheten, met een sterk germanofiele inslag; genealogie heette ook nog wel sibbekunde, mijn ouders vonden van mijn nieuwe hobby dat ik zat te sibbelen. En mocht je je twijfels uit andere bronnen willen putten. Hier, wat de apostel Paulus er, ondanks bijbelboeken als Numeri, van vond, Titus 3:9: ‘maar dwaze vragen, geslachtsregisters, twist en strijd over de wet moet gij ontwijken, want dat is nutteloos en doelloos’.

Volksvermaak

‘De hoeksteen van de samenleving’ was een begrip voor behoudende partijen die je onder de duim wilden houden. Niet je ouders en broers en zusters waren je familie, maar je medestanders, je partijgenoten, in mijn geval de andere wereldbestormers en hippie-achtigen. Dat was vijftig jaar geleden. En nu, 2018, is die vermaledijde hoeksteen van de samenleving bijna een soort volksvermaak geworden. Karl Marx (aangetrouwd overbetoudachteroom van mijn dochters) zou er meewarig over hebben geknikt. In de voormalige DDR, paradepaardje van zijn gedachtegoed, werd het beoefenen van de genealogie zelfs nog van bovenaf ontmoedigd als zijnde onsocialistisch.

Het lijdt geen twijfel of de huidige bloei van de genealogie heeft een enorme prikkel gekregen door het grenzeloze internet waarop allerlei gegevens over onze voorouders gemakkelijk en veelal gratis gedeeld kunnen worden. Je hoeft er dus niet per se meer zo’n duf zaaltje met zijn ex-kolonels en freules voor in; archieven, zeker die in Nederland, plaatsen ongeveer alles wat ze hebben online. Voor het bestuderen van registers van de burgerlijke stand en zelfs van halfverteerde kerkboeken hoef je je stoel niet meer uit.

Ontnuchtering

Toch levert die speurtocht naar hoe ­langer hoe meer familieleden, zonder onderscheid des persoons, ook een raar gevoel op. In hoeverre ben je nog écht verwant met die negentiende-eeuwse paupers, laat staan zo’n zeventiende-eeuwse messentrekker die nooit enige weet van je bestaan heeft gehad? Je voelt je toch ook geen nazaat van een micro-organisme uit het precambrium of van een knollenetende holenmens uit Midden-Europa?! 

Je voelt je toch ook geen nazaat van een mi­cro-or­ga­nis­me uit het precambrium of van een knollenetende holenmens uit Midden-Europa?

Eigenlijk moet je, als voormalig voetvolk een soort dynastieke gevoelens zien te ontwikkelen, zoals vorstenhuizen het al eeuwen doen; de Oranjes beschouwen zich immers zonder voorbehoud als verwanten van Willem de Zwijger en Juliana van Stolberg. Zo moet jij jezelf inpeperen dat je familie bent van Jan Hop uit Hierden en Krijn Pauw uit Bunnik. En soms valt het niet mee, al die onverwachte en onbekende voorouders op je rug. Wat zou Barack Obama ervan vinden dat hij ook nog een zekere Enoch Vreeland en Dirckje Meyer, twee zeventiende-eeuwse Amsterdammers, onder zijn voorouders telt? En moet je eigenlijk wel van Dzjengis Khan willen afstammen?

Pikante voorzaten

Genealogie en het inmiddels welig tierende DNA-onderzoek betekenen tegelijkertijd ook vaak de ontnuchtering van lang gekoesterde familie-mythes. Niet alleen blijk je geen romantisch ­zigeunerbloed te hebben of van Rembrandt van Rijn af te stammen, maar ook is helemaal niet zeker wie je biologische overgrootvader precies was. In het programma Verborgen verleden werd advocaat Gerard Spong getrakteerd op de gedachte dat hij mogelijk van de Engelse koning Charles II (een erge schuinsmarcheerder overigens, vandaar natuurlijk!) afstamde. Mogelijk ja, maar helemaal zeker was het niet. Daar kon zelfs een DNA-verwantschapsonderzoek geen opheldering meer in brengen. Mater semper certa est, pater numquam, wisten de Romeinen al, de moeder staat altijd vast, en de ­vader dus niet.

Je moet dus ook wel wat teleurstelling kunnen verdragen als je je met de genealogie van je eigen geslacht inlaat. Ook wordt het, naarmate je verder de geschiedenis in gaat en meer voorouders ontdekt, almaar diffuser. Ik krijg van My heritage, waar ik een best duur abonnement heb lopen, geregeld ­berichten dat ze weer een oudoom van een achtste voorvader van mijn ex-vrouw hebben ontdekt. 

Het roept de vraag op: wat is eigenlijk je familie? ­Wikipedia vindt dat het je vader, ­moeder, zus, broer, schoonzus, zwager, tante, oom, neef, nicht, grootvader, grootmoeder, overgrootvader, overgrootmoeder, oudoom, oudtante, aangehuwde oudoom, aangehuwde oudtante, achterneef/nicht, aangehuwde achterneef/nicht, achterachterneef/ nicht is. Genoeg voor een flink familiefeest of -vete dat wel, maar het houdt kennelijk toch ergens op. Die duizenden voorouders die je in de zeventiende eeuw had en die je zo graag opdiept, doen helemaal niet mee in deze definitie. Ook bij Verborgen verleden zien ze dat. Daarom onderzoeken ze altijd een paar leuke lijntjes, wat pikante of veelzeggende voorzaten en niet de hele schare aan nobody’s die jou bij elkaar hebben geproduceerd. Terwijl je toch even goed van hen afstamt.

Misschien gaat het ook, meer dan om al die voorvaderen van je, om het gevoel ergens bij te horen, uit een nest te komen, kortom het clangevoel, dat deel uitmaakt van een groter gevoel voor eigen roots, van nationalisme misschien wel. En is het ook niet fijn om, nu wij het pauperdom zijn ontstegen, te ontdekken dat de grote verbanden, kerk, socialisme en de grote verhalen, bijbel, volksmythe zijn verdwenen, een eigen verhaal, een historie van onze bloedeigen stam te hebben? Bijvoorbeeld dat ik behalve van Flipsje Hop ook afstam van koning Edward I van Engeland, een van mijn 30 miljoen dertiende-eeeuwse voorzaten. Voor als ik dat immense pauperparadijs zat ben.

Lees ook:

Klim in je stamboom, het is verslavend

Flip van Doorn dook in zijn familiegeschiedenis. Hij merkte dat onderzoek naar je eigen stamboom leuk, spannend én verslavend is.

Deel dit artikel

'Waer is dien schelm, ick sal hem vermoorden. Ick wil hem doodt steken waer dat ik hem crijgen kan'

Slager Jan Eijndhouts uit Helmond

Ik voelde mij, met mijn Vietnamjasje en pukkel, een erg vreemde eend in de bijt en beslist geen familie

Je voelt je toch ook geen nazaat van een mi­cro-or­ga­nis­me uit het precambrium of van een knollenetende holenmens uit Midden-Europa?