Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

M’bark Sabir kwam als een van de eerste gastarbeiders naar Nederland

Samenleving

Petra Vissers

M'bark Sabir is de tweede Marokkaan die geregistreerd is bij het consulaat in Rotterdam. Zijn geboortedatum weet hij niet. © Roos Pierson

Het is oudjaarsdag 1963 als M’bark Sabir in Nederland aankomt. Met vier andere mannen is de twintiger, opgegroeid in de Marokkaanse zuidwestelijke kuststad Agadir, naar Brussel gevlogen en met de trein via Luik in Maastricht aangekomen. 

Een baan hebben de mannen nog niet, wel een plan. Nederland is mooi, hebben ze gehoord, schoon en goed om te werken. Sabir wilde niet op het land werken, zoals zijn ouders deden en hij tot dan toe gedaan heeft. Bij het treinstation komen de vijf Marokkanen een vrouw tegen die Frans spreekt. Ze pakt de telefoon op, belt naar de Oranje-Nassau mijnen in Heerlen en zegt: “Ik heb hier 5 mannen die werk zoeken.” Op 2 januari 1964 gaat Sabir voor het eerst de mijn in.

Lees verder na de advertentie

Ruim 55 jaar later zit hij, begin tachtig, in een rijtjeshuis in Eindhoven en vertelt over het leven dat hij heeft geleid. Op tafel liggen foto’s tussen een loonstrookje uit de mijnen, zijn ontslagbewijs van de mijn en het identiteitsbewijs waaruit blijkt dat Sabir de tweede Marokkaan is die in 1966 geregistreerd werd door het net geopende consulaat in Rotterdam.

Tweehonderd gulden per week, meer dan arbeiders in de fabrieken verdienden en meer dan hij ooit in Marokko had kunnen verdienen.

“Mijn vriend is numero uno”, zegt Sabir. Zijn vriend, met wie hij in Valkenburg woonde in een van de huizen voor de gastarbeiders die in de mijnen werkten. 250 Marokkanen, Joegoslaven, Portugezen, of Spanjaarden. In de kantine aten ze, damden ze of speelden ze kaartspelletjes. Om zeven uur begon de eerste ploeg in de mijn. Acht uur per dag, zes dagen per week.

M’bark Sabir is de tweede Marokkaan die geregistreerd is bij het consulaat in Rotterdam. © Roos Pierson

Gastvrij

Sabir moest voorkomen dat de boel in zou storten. Hij laat een foto zien van de pijlers die tussen het gesteente staan en daar met hamers in geslagen moesten worden. “Meter voor meter. Stuk voor stuk”, zegt Sabir. “Zwaar werk.” Hij heeft mensen zien overlijden in de mijnen, of door vallend steen armen of benen zien verliezen. “We waren net soldaten.”

Maar een geld dat Sabir verdiende. Tweehonderd gulden per week, meer dan arbeiders in de fabrieken verdienden en al helemaal meer dan hij ooit in Marokko had kunnen verdienen. Het eerste jaar in Nederland was moeilijk. Sabir sprak de taal niet, lessen waren er niet. Ondergronds gingen tolken mee. Maar Sabir voelde zich welkom. “Er waren alleen maar goede mensen. Iedereen was gastvrij.” Het meest bizarre moment van 1964? Die dag dat het carnaval losbarstte. “Och, och, och”, zegt Sabir lachend. Hij gooit zijn armen de lucht in. “Wij dachten: die mensen zijn gek geworden.”

M’bark Sabir en zijn kleinzoon Salah-Din (15). © Roos Pierson

Zeven jaar werkte Sabir in de mijnen. Tot hij in 1970 trouwde en het hem te lang duurde voor de mijnmaatschappij een huis had gevonden waar hij met zijn vrouw, die toen nog in Marokko was, kon wonen. Hij klopte aan bij de Nederlandse Steenwolfabriek in Roermond. “Die zeiden: u krijgt vandaag een huis.” In 1971 kwam Rkia Sabir naar Nederland, verhuisde het echtpaar naar Roermond en ging Sabir daar aan het werk in de fabriek.

Nooit terug

In Roermond werden hun vier kinderen geboren, Sabir deed een opleiding, vond een nieuwe baan, kocht en opende in 1982 een moskee in Roermond, en werd in 1989 Nederlander. Hij laat het document zien. “Van onze koningin”, zegt hij terwijl hij wijst naar zijn naam en die van zijn vrouw en kinderen. Begin jaren negentig werd hij buschauffeur, tot hij in 2000 met pensioen ging.

In 1997 verhuisde het gezin naar Eindhoven voor de opleiding van hun kinderen. De twee dochters en twee zonen hebben gestudeerd, ook met de kleinkinderen gaat het goed op school. Dat vindt Sabir belangrijk. “Als ik een slecht cijfer heb, is opa daar niet blij mee”, zegt kleinzoon Salah-Din (15), die is aangeschoven aan tafel. Hij zit in de vierde klas van het VWO. Zijn Marokkaanse achtergrond vindt hij belangrijk, “dat moet je in je hoofd houden”, maar hij voelt zich vooral thuis in Nederland. In Marokko is hij vaker de buitenlander, zegt hij met een Limburgse tongval.

Het echtpaar Sabir heeft nooit overwogen terug te gaan naar Marokko. “Vroeger dacht ik: als ik geld heb, ga ik terug”, zegt hij. Maar het leven was te goed en nu zijn de kinderen en kleinkinderen geworteld in Nederland. “Ik heb mijn kinderen en kleinkinderen nodig. Ik moet ze in de buurt hebben.”

Een foto uit het album van gastarbeider M'bark Sabir. © Roos Pierson

Lees ook:

Vijf mythes over de komst van Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland ontkracht

Exact vijftig jaar geleden sloten Nederland en Marokko een ‘wervingsovereenkomst’ over de komst van Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland. Over de gevolgen daarvan zijn allerlei mythes ontstaan, tijd om ze te ontrafelen.

Deel dit artikel

Tweehonderd gulden per week, meer dan arbeiders in de fabrieken verdienden en meer dan hij ooit in Marokko had kunnen verdienen.