Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Is het eerlijk dat Daniel, verwekt door een Nederlander, er niet in komt?

Samenleving

Floris-Jan van Luyn

Floris-Jan van Luyn. © TR Beeld
Essay

Floris-Jan van Luyn ging in Ethiopië op zoek naar de zoon van een Fries. De ‘bastaard’ zocht zelf ook: naar iemand die hem zág, en die een Nederlands paspoort kon verzorgen. Het eerste lukte.

‘Ik kan niet ingaan op individuele kwesties.” Directeur Rob van Lint keek er niet blij en niet streng bij. Zover was ik al gekomen: het was 2016, tegenover me zat de toenmalige baas van de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatie Dienst. Geen individuele kwestie. Maar ik had vragen over een mens met een naam en een verhaal. Dat greep terug op een pijnlijk stukje Nederlands verleden, waarin Nederlanders overzee nog iets groots verrichtten - en her en der wat kinderen verwekten bij hun lokale staf. Zeg maar De Kleine Verrichtingen.

Lees verder na de advertentie

Ik hield me met die kwestie bezig alsof het een persoonlijke queeste was. Ik ben een kind van een Indische moeder en een Nederlandse vader, en de familiebeslommeringen in de Oost heb ik altijd spannend gevonden. Mijn moeder had slechte herinneringen aan Nederlands-Indië.

Aan tafel wilde mijn vader wel eens met mijn moeder in discussie gaan over waar de oorlog nou erger was, hier of daar. Hij bedoelde hier, maar uit het Indisch zwijgen van mijn moeder begreep ik dat het er daar heftig aan toe was gegaan. En als ze praatte dan ging het over het Indonesische personeel dat na de oorlog zwijgend haar ouderlijk huis was binnen gemarcheerd om het te plunderen. Over de pianotoetsen die als een slinger door de tuin verspreid lagen. Of over haar handgemaakte korte broek die ze ergens onder de troep vandaan wist te vissen, en die nu, als enige bewijs van die ramp, zorgvuldig door mij wordt bewaard.

Vaker spraken we over percentages, hoeveel procent Indisch ik nou was, want dat vond ik tof. Als kind beeldde ik me in dat ik goed tegen scherp eten kon dankzij dat exotische bloed in mijn aderen. Later bracht ik jaren door in Azië, en ik stelde me voor zo iets te kunnen herbeleven van de ontdekkingsdrang die mijn voorouders naar dit werelddeel had verleid. 

Een bloedstollend verhaal

Die zoektocht naar komaf - te weten waar je vandaan komt of thuis hoort - zou een belangrijk thema worden in mijn leven. En precies dat had me ook aangetrokken in het verhaal van de Ethiopiër, zoon van een Nederlander, de man die vier jaar van mijn leven zou kleuren.

Hij heette Daniel en was het onderwerp van een bloedstollend verhaal. Dat was ooit aangezwengeld door zijn Friese halfbroer en opgepikt door de Nederlandse pers. Na een decennium van verpieteren was het op luide toon mijn bewustzijn binnengedrongen.

Hij schreeuwde het uit. Ik was de Tijding waar hij altijd op had gewacht!

Toen ik hem aan de andere kant van een krakende lijn ergens in Ethiopië te pakken kreeg, riep hij direct dat hij Jezus aan de lijn had. Ik vroeg of hij mee wilde werken aan een film over zijn leven, en hij schreeuwde het uit. Ik was de Tijding waar hij altijd op had gewacht!

Die blijdschap, besefte ik pas later, was een voorteken van het kabaal dat zou volgen. Al wist ik meteen dat de Ethiopische zoon van de Nederlandse suikerplanter Joop Hoek een liefhebber was van grootspraak, overdonderende vleierijen en knetterende kanonnades. De Friese halfbroer had me er al voor gewaarschuwd. “‘t Is een bijzondere vent”, had hij dunnetjes gezegd.

Verwekt bij de Ethiopische huishoudster

De sappigste details had ik jaren eerder al gelezen in de krant, en in een rommelig maar spannend boek dat de Friese broer in eigen beheer had uitgegeven. In vogelvlucht: Daniel was in 1967 verwekt bij zijn vaders Ethiopische hulp in de huishouding. Vader werkte op de suikerplantages van Wonji, en smeerde ’m drie jaar later naar Nederland, moeder in ontreddering achterlatend.

Toen in 1977 de communistische dictator Mengistu aantrad, werd snoeihard afgerekend met alles wat ook maar een beetje riekte naar koloniaal ouderschap. Dus ging de zoon, een kind nog, op zoek naar de vader, klopte aan bij de Nederlandse ambassade, kreeg er nul op het rekest, belandde op straat en veranderde in een roekeloze overlever. Hij beroofde treinen, werd de ongekroonde koning van de grootste smokkelmarkt in Addis Abeba, bezette de Nederlandse ambassade en maakte zich en passant schuldig aan doodslag. Het zachte gezicht van het kind had rechte hoeken gekregen, hobbelige littekens zigzagden over zijn hele lijf. Zo belandde hij op z’n 29ste in het gevang, met uitzicht op de galg waartoe hij veroordeeld was.

In een laatste poging zijn vader te vinden riep hij de hulp van het Rode Kruis in, die met een broer uit Friesland op de proppen kwam. Die broer betaalde prompt zijn advocaat, voorkwam daarmee de voltrekking van het doodvonnis, er volgde zelfs gratie.

Verwachting en teleurstelling

Daniel kwam naar Nederland, waar hij geknipt en geschoren na twaalf jaar cel en 37 jaar verwoed zoeken ein-de-lijk zijn vader ontmoette. Joop Hoek, inmiddels gepensioneerd, onderdrukte zijn emoties en duwde zijn hervonden zoon meteen weer van zich af. Toch kreeg de zoon een vader, en de vader - met grote tegenzin - een zoon. En toen regen de verwachting en teleurstelling zich aaneen. Daniel wilde blijven. Hij ging ervan uit dat zijn Friese familie stond te springen om het verloren jong op te nemen. Zo ging het natuurlijk niet. Want je had de Ethiopiër Daniel, en je had de Nederlandse wet. En die twee verdroegen elkaar slecht.

Ergens in de nasleep van dat familiedrama trof ik Daniel aan de andere kant van die krakende lijn. Het was 2014 en hij was alweer jaren terug in zijn oude moederland. Hij had inmiddels, op grond van een samen met zijn halfbroer uitgegeven biografie, de justitiële status van ‘terrorist’ verkregen. Hij mocht heel Europa niet meer in. Veel slechter kon het hem niet vergaan. Maar een film, zo wist Daniel, zou Justitie op andere gedachten kunnen brengen.

Jezus!”, riep Daniel uit, “Je bent mijn Jezus! Geef me een film en verlos mij, breng mij naar Nederland!

“Jezus!”, riep Daniel uit, “Je bent mijn Jezus! Je bent mijn broer! Je bent Daniel zelf! Geef me een film en verlos mij, breng mij naar Nederland!” Daniel kieperde zijn hele doopceel over me uit. Maar al was ik de Opgestane zelve, ik wilde me niet voor zijn karretje laten spannen. “Ik beloof je, ik zoek het uit”, kaatste ik.

Wat volgde waren maanden van onderzoek en touwtrekkerij. Daniel had de volgende dag alweer aan de lijn gehangen, en de dag erop, en de dag daarna. Zijn draaiboek lag al klaar, ik hoefde alleen nog zijn plan uit te voeren. “Luister Floris, luister!” Hij hield van aandringen. Dat het anders moest, daar wilde hij niet van horen. “Luister!” Ik zette mijn regisseursstem op, maar daar prikte hij zo doorheen. Ik schermde met de eisen van mijn producent, maar die lachte hij weg. En zo werd ik langzaam maar zeker zijn maalstroom binnen getrokken.

Verantwoordelijk voor een bastaard

Ik stortte me in de geschiedenis van het wilde leven van deze verloren bastaard, stuitte op wat oude lijken, vergeelde aanklachten, grote en kleine leugens, en ik klopte aan bij de Nederlandse Justitie en de diplomatieke dienst. Waarom hadden zij in meer dan veertig jaar smeken, drammen en dreigen nooit iets voor deze jongen kunnen doen? Was je als Nederlandse vader niet verantwoordelijk voor je buitenlandse kind? Had de Nederlandse staat daar een rol in kunnen spelen? Bestond er niet zoiets als collectieve verantwoordelijkheid?

Daniel was beslist de enige bastaard niet: talloze volwassen Ethiopiërs dragen achternamen als Tyssen, Jansen en Vloer, al hadden hun vaders zich nooit gemeld. Daniel liet me hun pasfoto’s zien: verweerde koppen, licht gekleurd, met de trekken van witte landbouwers en ingenieurs. Onzeker staarden ze de lens in, want Daniel, met veel gevoel voor drama, had hun het martelaarschap goed ingeprent: het verstoten leven dat ze achter zich hadden liggen, hadden ze zeker niet verdiend!

Waarom mocht deze Nederlandse zoon niet gewoon Nederlander worden?

Ondertussen begon mijn Vlaamse geluidsman zich op te winden. De eerste scènes in Ethiopië waren al gefilmd. Daniel bleek a pain in the ass. “Maar dat neemt niet weg dat hij gewoon een punt heeft!”, riep de geluidsman. “Nederlanders doen niets voor hun landgenoten, die laten ze gewoon in een kerker verrotten.” Onze ontsteltenis over Daniels gedram (‘luister, Floris!) veranderde langzaam in bewondering. Ja, deze overlever, uit de krochten omhoog gekropen, die zijn leven had geboekstaafd in een autobiografie die een Ethiopische bestseller werd, was een drammer. Maar waarom mocht deze Nederlandse zoon niet gewoon Nederlander worden?

Het advies: zwijg erover

Ik legde bij thuiskomst die vraag voor aan diplomaat Jone Bos, en die trok bleek weg. Hij was ambassadeur in Ethiopië geweest toen Daniel over de muur van de ambassade in Addis Abeba was geklommen, om in de slaapkamer van de tweede man zijn Nederlandse paspoort op te eisen. Bos wilde er niks over kwijt, de week erop wel, maar op de dag voor onze filmopnamen zegde hij alsnog af. De reden: hij had ‘advies’ gekregen over de zaak te zwijgen. Ook de zittende ambassadeur wilde er niets mee te maken hebben. Kinderen van Nederlandse vaders die paspoorten komen opeisen, daar liepen onze Nederlandse zaakgelastigden met een grote boog omheen.

Ik vond het ook een lastige kwestie. Want zeg je A, dan krijg je de veroordeelde crimineel Daniel op bezoek, en zeg je B, dan volgen onherroepelijk al die anderen. Want hoe zat het met Indonesië? En Suriname? En al die andere landen waar viriele Nederlanders iets kleins hadden verricht? Die tsunami van onwettige bastaarden, op weg naar ons mooie Nederland, die las ik terug in de ogen van Jone Bos, maar ook in de ontwijkende mailtjes van Buitenlandse Zaken, of in de vele formele afwijzingen die Daniel tevoorschijn wist te toveren.

Kon je elke half-Ne­der­lan­der de deur wijzen als je wist dat ze zonder de komst van onze ondernemende landgenoten er nooit waren geweest?

Ik vroeg me af of het exploiteren van een land, het leegzuigen van plantages, of het hol pompen van olievelden geen verplichtingen met zich meedroeg wanneer lokale vrouwen door die planters en oliezuigers werden bevrucht en achtergelaten. Kon je met goed fatsoen elke half-Nederlander de deur wijzen als je wist dat ze zonder de komst van onze ondernemende landgenoten er nooit waren geweest?

“Ja, die kun je de deur wijzen”, zei IND-directeur Van Lint. Over Daniel kon hij niets zeggen, maar wel in het algemeen. Zijn dienst hield zich gewoon aan de Nederlandse wet. “En die bepaalt dat je voordat je meerderjarig wordt door je vader moet worden erkend, dan heb je recht op het Nederlanderschap. Anders niet.” Hij keek er niet blij en niet verdrietig bij. Zo was het gewoon. Bij Justitie moest je nooit te veel naar je gevoel luisteren.

“Maar na je 18de, dan is je vader toch nog steeds een Nederlander”, probeerde ik. Ja, zei Van Lint, “maar nee. Als je als kind met een Nederlandse ouder nog altijd Nederlander wil worden, dan moet dat via een naturalisatieprocedure.” Dus gewoon achter aansluiten in de rij bij de Syriërs, Afghanen en Somaliërs? “Niet achteraan, maar wel naast de Afghanen. Klopt. En natuurlijk geen criminele antecedenten op je naam hebben staan. Ik zeg altijd maar zo, het stelen van een rolletje drop in een supermarkt, hoe fout ook, is van een compleet andere orde dan het plegen van een moord.”

Zijn kansen waren verkeken

Dat zou Daniel wel zo’n beetje de das omdoen, dacht ik. Zijn kansen waren definitief verkeken, ook zonder strafblad. Maar op de skype-verbinding naar zijn slaapkamer in het Ethiopische Nazareth kraakte alweer nieuwe energie. Hij had wel vaker met dit bijltje gehakt. Teleurstelling kwam in zijn vocabulaire gewoon niet voor.

De film, deze aflevering van mijn persoonlijke queeste, was inmiddels hoog en breed klaar. Jezus was ik allang niet meer. De Verlossing van Daniel, de overlever, die was nooit gekomen.

‘The Bastard’ heeft vorige week de Gouden Vlinder gewonnen, de festivalprijs van Movies that Matter voor Nederlandse films. Nog te zien in filmhuizen en bioscopen, zie www.thebastard.film

Floris-Jan van Luyn (1967) is filmmaker, schrijver en ex-correspondent in China. Hij maakte onder meer de films ‘Dagboek van een Postduif’ (2014), ‘De Leegte en het Woord’ (2012) en ‘De Regenmakers’ (2010),


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel

Hij schreeuwde het uit. Ik was de Tijding waar hij altijd op had gewacht!

Jezus!”, riep Daniel uit, “Je bent mijn Jezus! Geef me een film en verlos mij, breng mij naar Nederland!

Waarom mocht deze Nederlandse zoon niet gewoon Nederlander worden?

Kon je elke half-Ne­der­lan­der de deur wijzen als je wist dat ze zonder de komst van onze ondernemende landgenoten er nooit waren geweest?