Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik ben ook zo'n dubieuze oorlogsconsument

Samenleving

Bert Keizer

© Trouw
Column

Op de radio hoorde ik het programma ‘Spraakmakers’ over de Eerste Wereldoorlog, of WO I heet hij tegenwoordig. Wel een ‘hij’ denk ik, oorlog. De presentator zei meteen dat hij het enigszins morbide vond, zijn eigen fascinatie met de loopgraven, de soldatenkerkhoven en het gedoe bij Ieper. 

Nee, ‘het gedoe bij Ieper’ zei hij niet, dat is mijn toegift. 

Lees verder na de advertentie

Er werd meteen druk geprotesteerd door zijn gasten. Ook Diederik van Vleuten kwam telefonisch melden dat er niks morbide aan was, zeker niet aan zijn eigen fascinatie met de Eerste Wereldoorlog. Volgens Diederik en de andere gasten gaat het hier om een uitermate achtenswaardig sentiment, dat zij evenwel op geen enkele manier trachtten te duiden. Ik hoorde de zondag daarop in zijn show dat Diederik de begraafplaats van het Devonshire-regiment in Mametz (Somme) beschouwt als ‘de mooiste plek die ik ken in Europa’. Een bedenkelijke kwalificatie.

Maar ik deug zelf ook niet in deze context, want ik ben ook zo’n dubieuze oorlogconsument. Ik bezocht laatst het Nationaal Militair Museum in Soesterberg. Ik vond het fascinerend allemaal. Zo’n F-16 blijkt van dichtbij nog veel mooier dan ik hoopte. Ik liep er op zijn zachtst gezegd zeer belangstellend rond tussen allerlei menselijke apparaten die alleen zijn uitgevonden om andere mensen op zo groot mogelijke schaal aan flarden te schieten, op te blazen of onder heel veel puin te begraven. ‘Fascinerend’ zeggen we dan.

Er is iets dat vooral in mannen zit: catastrofilie. Denk aan de jonge motorduivel, op zijn donor­cycle merk ‘Ikwildood’

Kinderfeestje

En toen stuitte ik te midden van al dat zeer fraai tentoongestelde oorlogstuig op een kinderverjaardag. Ja, die kun je daar vieren. Een stuk of tien jongetjes dartelden er rond onder het oog van vader en moeder en een museum­suppoost die ze enigszins probeerde rond te leiden.

Toen ik die jochies zag dacht ik ineens: nee, sorry, dit moeten we echt niet doen. We gaan deze door mensen bedachte ellendemachines niet als een knetterende vorm van daverend speelgoed aan onze kinderen laten zien. Tenzij je de lijken erbij toont, of beter nog, de net niet dode maar wel flink verminkte en kwistig bloedende slachtoffers die onder ijselijk gegil heftig trappelend van angst heel erg ongaarne sterven.

Je kunt zoiets aandikken zoveel je wilt, het werkt niet. Er is iets dat vooral in mannen zit: catastrofilie. Denk aan de jonge motorduivel (op zijn donor­cycle merk ‘Ikwildood’) die met 160 kilometer per uur handig zwenkend tussen auto’s door laveert. Ik kan het niet helpen maar als ik zoiets zie dan erger ik me natuurlijk kapot als vader, maar ik denk ook: jezus, die durft wel! Dat is catastrofilie. En oorlog is catastrofe.

Een Amerikaanse generaal beschreef het verschil tussen oorlog en vrede: “In vredestijd wacht je netjes voor het rode stoplicht, in oorlogstijd blaas je de hele kruising op.” Michael Herr die ‘Dispatches’ schreef over de Vietnamoorlog moest erg lachen om de generaal die de oorlogscorrespondenten als missie meegaf: “You boys must take the glamour out of war.”

Plechtige ernst

Wat opvalt, is de ijver waarmee iedereen de morbiditeit wegmoffelt en daarvoor fascinatie in de plaats stelt. Er is geloof ik niets zo verhullend als onze omgang met legeraangelegenheden. Arlo Guthrie adviseerde dienstplichtigen tijdens de Vietnamoorlog om bij de selectie te zeggen waarom ze bij het leger wilden: “I wanna burn, maim, kill, destroy!” Want dan nemen ze je niet. Hoewel het wel de bedoeling is dat je gaat verminken, vermoorden en verbranden.

Dit preekje klinkt al vele eeuwen en er verandert niks. Beckett’s Mercier kijkt naar een borst vol oorlogsmedailles en vraagt zich af hoeveel liter diarree daarachter zit. Vergeefs gezegd. De plechtige ernst rond legeruniformen slijt nauwelijks.

Je zag het bij de perfect georkestreerde herdenkingen op 11 november. Het leek wel alsof er internationaal tot een of andere heiligverklaring was besloten. Het christendom maakte niets uit. Aan beide kanten werden de wapens gezegend. Is het misschien zo dat er in de merkwaardige uithoeken binnen mannen die zo graag salueren ­tegenover vaandels, spijt schuilt over het feit dat ze er zelf niet aan meededen?

Inmiddels hebben ook de meest genuanceerde historici WO I uitgeboekt als een onbegrijpelijke moordpartij. Blijft het feit dat ik ‘gefascineerd’ rondliep daar in Soesterberg. Ik vraag me af of we onszelf wel goed genoeg kennen als het om oorlogsgeweld gaat.

Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Lees ook:

Precies 100 jaar geleden vroeg de vluchtende Duitse keizer Wilhelm II asiel aan op Nederlandse bodem

Het Limburgse plaatsje Eijsden herdenkt dat de Duitse keizer, op de vlucht uit eigen land, daar het neutrale Nederland binnenkwam. Wilhelmina effende zijn pad.

Deel dit artikel

Er is iets dat vooral in mannen zit: catastrofilie. Denk aan de jonge motorduivel, op zijn donor­cycle merk ‘Ikwildood’