Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Hoe Nederland de schedelmeting vaarwel zei

Samenleving

Emiel Hakkenes

'Typisch Elburgse' mannen. © RV

Mensen classificeren door hun fysiek te meten, dat associëren we met nazi’s. Maar in 1956 deden Nederlandse wetenschappers dat nog: in Elburg.

Langzaam maar zeker nadert de profielzuiger Zuid-Holland in de zomer van 1956 de haven van Elburg. Stap voor stap schuift de zuidelijke dijk van de polder Oostelijk Flevoland op naar het Gelderse havenstadje. Vandaar kon je vroeger de wereldzeeën bereiken, maar toen kwam de Afsluitdijk, die in 1932 de doorgang naar de rest van de wereld blokkeerde.

Lees verder na de advertentie

Op 10 juli 1956 verdwijnt ook de toegang tot het IJsselmeer. Als de laatste doorgang door de nieuwe dijk gesloten is, is het 15.38 uur. Er valt een stromende regen, de wind waait naargeestig uit het noorden. Elburg is officieel geen havenstad en vissersplaats meer. De dijk om Flevoland snijdt dwars door de oude havenpieren. De toekomst zet een streep door het verleden.

De stichting leek de bewoners van de nieuwe polders in de oude Zuiderzee te beschouwen als bijzondere objecten

Burgemeester Berend Folkerts van Elburg zag hoe ‘een sombere schaduw’ over het stadje hing. Er waren volgens hem weinig inwoners die hoop hadden op een redelijke toekomst, nu de visserij teloorging. Het gemeentebestuur schatte dat zeker tweehonderd gezinnen zonder voldoende inkomsten zouden komen te zitten. Maar Folkerts wenste zich er niet bij neer te leggen dat de aanleg van de Flevopolder een strop zou betekenen voor Elburg. Hij zocht hulp, en kwam daarvoor uit bij de Amsterdamse Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de Drooggelegde Zuiderzeepolders.

Schaamteloos

Die onderzoeksstichting, opgericht in 1936, had volgens haar oprichtingsakte als doel: “Het verzamelen en doen verzamelen, het bestuderen en doen bestuderen van gegevens betreffende de bevolking in de kolonisatiegebieden der drooggelegde Zuiderzee, op het terrein der antropologie, psychologie, erfelijkheidsleer, dialectologie, fonetiek, landhuiskunde, folklore, sociografie, rechtswetenschap, sociale hygiëne en andere wetenschappen, zoveel mogelijk in onderling verband.”

De stichting leek de bewoners van de nieuwe polders in de oude Zuiderzee te beschouwen als bijzondere objecten, van wie ze álles wilde weten. De mensen werden thuis opgezocht, bevraagd, bekeken en beoordeeld - een werkwijze die nu schaamteloos aandoet, maar medio jaren dertig bijzonder modern was.

(Verhaal loopt door onder de afbeelding)

'Typisch Elburgse' vrouwen © RV

Burgemeester Folkerts hoopte dat de stichting niet alleen iets voor het nieuwe land in de Flevopolder, maar ook iets voor het oude land kon betekenen, en dat ze nieuwe sociale en economische mogelijkheden voor zijn inwoners zou kunnen schetsen. Het verzoek uit Elburg klonk als muziek in de oren van professor Hans Dirk de Vries Reilingh, voorzitter van de stichting. Met een groepje studenten bezocht hij Elburg, waar zij een ‘levendige gedachtenwisseling’ hadden met het gemeentebestuur.

Het idee had postgevat dat aan de boorden van de Zuiderzee het authentieke Nederlandse ras te vinden zou zijn

De gemeente en de stichting werden het vlot eens over een onderzoeksopdracht, ‘waarvan de resultaten mede dienstbaar zouden kunnen worden gemaakt aan het streven, het ontstaan van een kloof tussen de toekomstige bewoners van Oostelijk Flevoland en die van het oude land te voorkomen’. Op een woensdagmiddag in september 1956 werden de Elburgers op het gemeentehuis geïnformeerd over het onderzoek dat naar hun wel en wee zou worden gedaan. Professor De Vries Reilingh had de leiding in handen gelegd van een drietal: de volkskundige Piet Meertens, spraakwetenschapper Louise Kaiser en arts Willem Wassink.

Nieuwe toekomst

Dit gezelschap moest Elburg de weg wijzen naar een nieuwe toekomst. Maar Meertens leek meer geïnteresseerd in het conserveren van de leefgewoontes van de inwoners, en Kaiser wilde hun uitspraak van het Nederlands vastleggen. Het typerende daarvan, vreesden Meertens en Kaiser, zou ‘wegslinken’ als het geïsoleerde Elburg eenmaal in contact kwam met de nieuwe polder.

De Elburgers moesten nu nog overtuigd worden om mee te werken aan het onderzoek. Namens de stichting vertelde dokter Wassink tijdens de voorlichtingsbijeenkomst op het gemeentehuis dat het bevolkingsonderzoek werd gedaan “uit hoofde van de liefde voor ’t Nederlandse volk en zijn geschiedenis”. Een van de doelen was volgens hem “hulp te brengen, om de in wezen onchristelijke gevoelens van angst en achteruitzetting of zelfs misschien van afgunst op de voorspoed van anderen te bestrijden”. Handig speelde Wassink in op twee sentimenten die de vissers en boeren in Elburg zeer vertrouwd waren: vaderlandsliefde en godsvrucht.

Louise Kaiser richtte zich met een stuk in de Elburger Courant tot de beoogde proefpersonen. Het onderzoek, schreef ze, zou zich vooral richten op schoolkinderen “omstreeks de zesde klasse, die al spoedig een bepaalde opleiding zullen gaan volgen”. Van hun ouders was toestemming voor het onderzoek nodig. Maar als zij die eenmaal hadden gegeven, hadden ze er verder geen last meer van, en uiteindelijk juist nut. “Ook zal men, misschien wel enige malen, thuis bezocht worden. Er zullen dan allerlei vragen gesteld worden waarvan men misschien zal denken: wat gaat dit hun aan? Alle vragen passen echter in het geheel van het onderzoek en door ze te beantwoorden zult U meewerken aan het verkrijgen van inzicht betreffende de bevolking van Elburg; een inzicht dat nuttig en nodig is, in de eerste plaats voor Elburg zelf.” Daarmee speelde Kaiser een laatste troef uit: deden ze het niet uit christelijk plichtsbesef of uit liefde voor het vaderland, dan zouden de Elburgers zich toch aan het onderzoek onderwerpen uit liefde voor hun stad.

Schedels meten

Een van de methoden die de stichting, die zo modern wilde zijn in haar werkwijze, in Elburg toepaste, was een aloud ‘physisch-antropologisch onderzoek’: het opmeten van schedels. Stichtingsdirecteur De Vries Reilingh verantwoordde dat vastleggen van lichamelijke kenmerken als volgt: “Dit kan naar twee kanten van betekenis zijn. Vooreerst naar de kant van de lichamelijke gesteldheid en de levensverrichtingen in verband met de volksgezondheid en met de geschiktheid voor bepaalde soorten lichamelijke arbeid. En dan naar de kant van de geestesgesteldheid, in de veronderstelling dat er verband bestaat tussen lichamelijke en geestelijke constitutie.”

Die veronderstelling, dat bepaalde lichamelijke kenmerken duiden op een zekere geestelijke gesteldheid, was anno 1956 bepaald omstreden. Rond 1800 waren theorieën in die richting in zwang geraakt. In de negentiende eeuw had ook het idee postgevat dat aan de boorden van de Zuiderzee het authentieke Nederlandse ras te vinden zou zijn; in deze geïsoleerde streken zouden de mensen nog de fysieke kenmerken bezitten van de oer-Nederlander, de Batavus genuinus. Vanuit die gedachte trokken onderzoekers naar Marken, Urk en Schokland om daar de eilandbewoners op te meten.

Welnu: het onderzoek heeft een behoorlijk intelligentiequotiënt bij de schoolkinderen aan het licht gebracht

Die expedities leverden nooit enig nuttig wetenschappelijk inzicht op. Friezen, concludeerde een proefschrift uit 1912 bijvoorbeeld, hadden weliswaar langere koppen dan de breedhoofdiger bewoners van het eiland Marken, maar de schedels van de geïsoleerd levende Markers weken op hun beurt weer nauwelijks af van die van bewoners van andere delen van Nederland. Bovendien was in de Tweede Wereldoorlog, waarin de nazi’s het ene ‘ras’ superieur achtten aan het andere, gebleken tot welke wrede uitwassen het onderscheiden en classificeren van mensen kon leiden.

Toch zag de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek er in 1956 geen bezwaar in om de lichamelijke kenmerken van de inwoners van Elburg in verband te brengen met hun mentale kwaliteiten, hoewel dat toen al een decennium als onverkwikkelijk en verkeerd gold. Professor De Vries Reilingh schreef relativerend: “Weliswaar geldt sinds de uitwassen der rassenleer op dit laatste punt de grootste voorzichtigheid, toch kan een uitgebreid en zorgvuldig getoetst materiaal wel degelijk een gefundeerd inzicht in deze samenhang geven.”

Lichaam en geest

De samenhang tussen het lichaam en de geest van de Elburgers stelde de stichting in de zomer van 1956 vast door van 70 schoolkinderen (39 jongens en 31 meisjes uit de geboortejaren 1944 en 1945) allerlei lichaamsmaten op te nemen. Gekeken werd naar hun schedelomtrek, bekkenbreedte en spanwijdte. Genoteerd werden hun haarkleur (14 verschillende tinten), oogkleur en type neus: ‘concaaf’, ‘recht’, ‘convex’ of ‘golvend’.

(Tekst loopt door onder de afbeelding)

© RV

Om in te schatten hoe makkelijk deze kinderen zich zouden kunnen aanpassen aan een nieuw leven in contact met de buitenwereld in de polder, was het nodig hun intelligentie te testen. Het resultaat was ‘verheugend’ volgens de onderzoekers: “Immers, het heet zo vaak in de buitenwereld dat de Noord-West-Veluwe een door conservatisme achtergebleven gebied zou zijn en dat de bevolking ook geestelijk ietwat achtergebleven zou zijn. Welnu: het onderzoek heeft een behoorlijk intelligentiequotiënt bij de schoolkinderen aan het licht gebracht.”

In hun ‘physisch-an­tro­po­lo­gisch onderzoek’ stelden ze klinisch vast dat bij vijf van de onderzochte elf- en twaalfjarige meisjes de borsten al ‘goed ontwikkeld’ waren

De intelligentie van de Elburgse kinderen viel dus alleszins mee. Maar hoe was het gesteld met de spraak van volwassenen? Dat was de expertise van Louise Kaiser. Het dialect en accent van de inwoners werd gemeten in een fonetisch onderzoek, met als gedachte: hoe sterker je sprak met een accent, hoe moeilijker je contact zou kunnen leggen met niet-sprekers daarvan. De onderzoekers hadden soms moeite om de Elburgers te verstaan. Dat leidde tot een laatdunkend advies: als zij straks in contact zouden komen met bewoners van de Flevopolder zouden ze duidelijker moeten leren spreken. Al zou dat nog wel ‘een uitdaging’ worden.

Dokter Willem Wassink liet in een ‘sociaal-medisch onderzoek’ uitgebreid navraag doen naar de leefgewoontes van de Elburgers. De antwoorden splitste hij uit en vatte hij in diagrammen. Jonge vissers bleken meer tijd te nemen voor hun ontbijt dan jonge boeren. De boeren aten vaker spek, de vissers vaker vis. Vissers nuttigden meer pruimtabak dan boeren, die juist weer vaker pijp rookten.

De onderzoekers keken verder. In hun ‘physisch-antropologisch onderzoek’ stelden ze klinisch vast dat bij vijf van de onderzochte elf- en twaalfjarige meisjes de borsten al ‘goed ontwikkeld’ waren, bij dertien in het geheel nog niet en bij negen meisjes was er een begin. Twee meisjes hadden al schaamhaar.

Eindverslag

Burgemeester Folkerts kon op deze bevindingen niet meer reageren. Hij overleed, 44 jaar oud, voordat de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek haar rapport klaar had. Dat eindverslag verscheen in 1958 en kreeg als titel ‘Elburg afgesloten van open water’. Twee bestuursleden van de stichting kwamen enkele exemplaren in Elburg bezorgen. De bespreking van het rapport in de plaatselijke pers beperkte zich tot een opsomming van de inhoudsopgave. In de gemeenteraad kwam het onderzoeksverslag niet op de agenda.

Wel was het rapport voor 7,50 gulden verkrijgbaar bij boekhandel Wouda, maar er was geen Elburger die het kocht. Dat hoeft geen verbazing te wekken. In het onderzoeksrapport waren foto’s opgenomen, en face en en profil, van de gezichten van ‘typisch Elburgse’ mannen en vrouwen. Het leken wel politiefoto’s van gezochte misdadigers. En hoe kon iemand nu ‘typisch’ zijn als in datzelfde rapport zoveel verschillende haarkleuren en neusvormen werden onderscheiden? Vanuit de grote verre stad Amsterdam waren hooggeleerde onderzoekers naar Elburg gekomen, door wie schoolkinderen, jongens en meisjes van 11 en 12 jaar, zich naakt hadden moeten laten onderzoeken. Voor de geboekstaafde resultaten van die vernedering ging je geen 7,50 gulden betalen.

Het rapport verdween in een la van een gemeenteambtenaar en in de collectie van een handvol bibliotheken. En met het rapport over de inwoners van Elburg verdween het schedelmeten als wetenschappelijke methode. De gevonden verschillen waren telkens opnieuw ‘niet significant’ gebleken. Wie mensen wilde onderscheiden had aan de afmetingen van hun schedels weinig.

Bovendien hadden de Elburgers andere zorgen: voormalige vissers waren op zoek naar nieuw werk. De beroemde dokter Wassink had vooraf op het gemeentehuis gezegd dat de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek Elburg hulp zou brengen en onchristelijke gevoelens van angst en achteruitzetting weg zou nemen, maar de ‘hulp’ die van het onderzoek uitging, bleef beperkt tot de constatering in de slotbeschouwing. De onderzoekers van de stichting schreven daarin dat de Elburgers vanwege de aanleg van de Flevopolder en de teloorgang van de visserij gedwongen waren om buiten hun woonplaats te kijken. Er was een buslijn naar Zwolle gekomen, en aan de kleding van de jongelui kon je de invloed van die grote stad al enigszins aflezen.

Maar wat de groei van de borsten van meisjes van 12 kon betekenen voor de toekomst van Elburg legden de onderzoekers niet uit. In hun onderzoeksverslag deelden ze de handlengte van de inwoners door hun voetbreedte en maakten daar lange tabellen van. Ze volgden ongegeneerd hun eigen nutteloze fascinatie en zetten de Elburgers in hun hemd - als ze dat al mochten aanhouden. Geen van de onderzoekers ging zo ver de Elburgers expliciet in verband te brengen met de Batavus genuinus, maar het curiosum van de Zuiderzeekustbewoner was maar mooi geconserveerd. <<

Dit is een bewerkt fragment uit het boek ‘Polderkoorts’ van Trouw-redacteur Emiel Hakkenes, dat komende week verschijnt. De officiële boekpresentatie vindt plaats in het Stadsmuseum Harderwijk op zaterdag 14 oktober, aanvang 15 uur.

De stichting

De in 1936 opgerichte Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de Drooggelegde Zuiderzeepolders bestaat nog steeds. Ze duidt zichzelf sinds 1988 aan als Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland. Als partner van Erfgoedpark Batavialand in Lelystad doet de stichting historisch onderzoek naar Flevoland en het Zuiderzeeproject.

Desgevraagd laat het Centrum weten dat het voor het huidige bestuur ‘niet zo veel zin’ heeft om te oordelen over het bevolkingsonderzoek te Elburg van toen.

Historicus Remco van Diepen van Batavialand deed onderzoek naar de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek. Volgens hem mag het verbazend heten dat het opmeten van schedels teneinde mensen in te delen in verschillende rassen eind jaren vijftig nog als wetenschappelijk werd gezien.

Anderzijds is het volgens Van Diepen niet zo dat de Tweede Wereldoorlog zorgde voor een breuk in het denken over rassen en menstypen. “De onderzoekers van de stichting hielden vast aan de wetenschappelijke ideeën die hen hadden gevormd. Volgens hen hadden de nazi’s die ideeën geperverteerd.” Nu smalend doen over de in Elburg gebruikte methoden is volgens Van Diepen ‘te gemakkelijk’.

Emiel Hakkenes - Polderkoorts
Thomas Rap; 416 blz. € 22,99

© rv

Deel dit artikel

De stichting leek de bewoners van de nieuwe polders in de oude Zuiderzee te beschouwen als bijzondere objecten

Het idee had postgevat dat aan de boorden van de Zuiderzee het authentieke Nederlandse ras te vinden zou zijn

Welnu: het onderzoek heeft een behoorlijk intelligentiequotiënt bij de schoolkinderen aan het licht gebracht

In hun ‘physisch-an­tro­po­lo­gisch onderzoek’ stelden ze klinisch vast dat bij vijf van de onderzochte elf- en twaalfjarige meisjes de borsten al ‘goed ontwikkeld’ waren