Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het was de wens van verzetsman Rudi Jansz: eerst Nederland vrij, daarna Indonesië

Samenleving

Harriët Salm

Ernst Jansz © Merlin Daleman

Het oorlogsverleden van zijn Indische vader Rudi loopt als een rode draad door het leven van zoon en muzikant Ernst Jansz (Doe Maar). Hij was een van vele verzetsmensen in Nederland die sterke banden had met Nederlands-Indië. 

Het is 6 augustus 1944. De bloempotten in de vensterbank van een pand op de eerste verdieping van Ringdijk 6 in Amsterdam-Oost zijn zo neergezet dat het teken op veilig staat. Verzetsman Rudi Jansz belt aan. Tot zijn schrik opent een man van de Sicherheitsdienst (SD) de deur ernaast, en duwt hem een revolver in zijn rug. Dan gaat ook de andere deur, waar hij aanbelde, open en Jansz wordt via een trap naar de eerste verdieping gestuurd. Daar wachten nog meer SD-mannen hem op. Er wordt gevochten, ze slaan hem bewusteloos.

Lees verder na de advertentie

Bijna driekwart eeuw later staat zijn inmiddels 70-jarige zoon, schrijver en muzikant Ernst Jansz, voor diezelfde woning. Hij vierde in de vorige eeuw grote successen met nederpopband Doe Maar en hits als ‘De bom’, ‘Is dit alles’ en ‘Belle Helene’. Nu staart hij naar een oud, slecht onderhouden huis met aan de voorzijde uitzicht op de verhoogde groene dijk langs de ringvaart. Voor het raam op de eerste verdieping, waar zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog bloedend op de grond lag, is geen gordijn, maar een wat smoezelig laken gespannen. “Wat een geluk eigenlijk, het is waarschijnlijk nog precies als in de tijd van de arrestatie van mijn vader”, reageert zoon Jansz.

Op Bevrijdingsdag zal Ernst Jansz vertellen over zijn vader en de verzetsgroep van Indische jongens

Twee deuren naast elkaar, beschreef zijn vader, de situatie later. Die twee zijn er nog steeds. “Maar verder herken ik het eigenlijk niet. Ik dacht dat er een portiek was, maar deze twee toegangen liggen direct aan de straat.” Komende zondag, op Bevrijdingsdag, zal hij hier binnen vertellen over zijn vader, die zich met een groep Indische jongens verzette tegen de Duitse bezetters. Door het hele land openen rond 4 en 5 mei zogenoemde ‘Joodse huizen’ en ‘Huizen van Verzet’ de deuren voor publiek om te laten zien waar de geschiedenis zich afspeelde.

In café Mojo, enkele panden verder, nemen net de eerste bezoekers plaats in het voorzichtige lentezonnetje op het terras. Binnen bestelt Jansz koffie. Hij is uit Brabant komen rijden, waar hij ooit in de flowerpower jaren zeventig een commune begon met zijn toenmalige band CCCinc. Die band en die commune vielen uiteen, maar Jansz bleef in het dorpje Neerkant wonen. In 1978 richt hij er Doe Maar op. Ook die band stopt, in 1984, na grote successen. Vele muziekprojecten volgen. Tegenwoordig toert Jansz met zijn huidige band. Maar om over zijn vader te praten, zegt hij, maakt hij graag tijd vrij.

Een Indo

“Mijn vader was een Indo”, begint Ernst Jansz. Rudi Jansz is in Nederlands-Indië geboren, van gemengde afkomst, dat betekent deels Hollands, deels Indonesisch of inlands, zoals dat toen heette. “Zoals zoveel jonge Indo’s kwam hij in Nederland studeren: wiskunde en Nederlands. Dat was al in 1933. Zijn ouders bleven in Indië.”

Als de Duitsers Nederland invallen in mei 1940 vecht zijn vader tot de capitulatie mee in het Nederlandse leger. Hij trouwt na terugkeer met de Hollandse Jopie Becht, afkomstig uit een communistisch milieu. Via haar familie raakt hij betrokken bij het verzet. Persoonsbewijzen vervalsen, illegale kranten drukken en verspreiden, en vanaf 1943 ook Joden helpen onderduiken. Hij vormt samen met zijn vriend Tutti Webb in 1944 een eigen verzetsgroep met alleen Indische jongens.

Ze werken onder andere samen met Indonesische studenten. Dat zijn jongens, met twee Indonesische ouders, die al voor de oorlog tot een politieke groepering behoren die voor de onafhankelijkheid van Indonesië strijdt. Ook deze studenten zijn zeer actief in het verzet tegen de Duitsers.

Jansz: “Eerst Nederland vrij, daarna Indonesië, zo was hun ideaal en zo dacht mijn vader ook. Hij vreesde dat de Indo’s in Indonesië anders een hele moeilijke toekomst tegemoet gingen na de oorlog. Want hij was ervan overtuigd dat de onafhankelijkheid van Indonesië uiteindelijk onvermijdelijk zou zijn. Maar het is hem niet gelukt om de Indo’s en Indonesiërs op één lijn te krijgen.”

De gebeurtenissen hebben hun weerslag op zijn leven na de oorlog én op dat van zijn zoon, geboren in 1948

Het verzetswerk stopt op die augustusdag in 1944 voor Rudi, als hij wordt gearresteerd. Dit heeft grote gevolgen. Zijn vriend Tutti wil vervolgens Jansz uit de gevangenis op de Weteringschans bevrijden. Als een soort proef besluit hij met wederom een voornamelijk Indische groep verzetsmensen eerst in Den Haag een distributiekantoor te overvallen. “Een vingeroefening voor het grote werk”, zegt Ernst Jansz. Ook zijn moeder Jopie is bij die overval.

Arrestatie

De actie loopt uiteindelijk mis, Tutti wordt gearresteerd en in september 1944 in Vught gefusilleerd. Jopie zit vijf weken in de beruchte gevangenis in Scheveningen, het Oranjehotel. Zij komt daarna vrij. Jansz wordt in januari 1945 naar Kamp Amersfoort overgebracht. Daar blijft hij tot de bevrijding.

De gebeurtenissen hebben hun weerslag op zijn leven na de oorlog én op dat van zijn zoon, geboren in 1948. Vader Rudi overlijdt aan kanker als Ernst 17 jaar oud is.

“Als klein kind wist ik niet eens dat ik Indisch was”, vertelt hij. “Ja, ik was wel eens vieze vuile poepchinees genoemd door iemand, maar dat vond ik gewoon stom, meer niet. Pas later groeide mijn interesse voor die achtergrond.”

In 1980 reist hij naar Indonesië om te kijken. “Daar zag ik pas hoe groot het cultuurverschil was en ik vroeg me af: hoe kon dat huwelijk tussen mijn ouders, een Hollands meisje met een Indische jongen, hebben gewerkt? Dus toen ben ik mijn moeder gaan interviewen.”

De weerslag van die gesprekken staat in zijn eerste boek ‘De Overkant’, met gelijknamig album, uit 1985. “Aan het eind van dat interview zei mijn moeder: Ik heb wel iets voor jou. Ze haalde een grote kartonnen doos tevoorschijn. Daarin zaten brieven die mijn vader van zijn familie uit Nederlands-Indië had gekregen. En doorslagjes van brieven die hijzelf naar hen had gestuurd.”

Hippietijd

Die brieven met gedetailleerde beschrijvingen van wat zijn vader in de oorlog overkwam, neemt hij ook in het boek op. In zijn laatste boek ‘De Neerkant’, ook met album, dat vorig jaar verscheen vult hij de informatie over zijn vader verder aan. “Dat boek gaat vooral over de jaren zeventig, mijn hippietijd, maar ook daar speelt het verleden van mijn vader een rol, ik krijg nog altijd af en toe nieuwe informatie over hem.”

Die zoektocht naar zijn vader loopt duidelijk als een rode draad door het leven van de popartiest. “Dat klopt. Ik was als klein jongetje al bang dat ik nooit zo moedig kon zijn als mijn vader. Ik huilde daar soms om. Zijn oorlogsverleden hield me toen al bezig.”

Zijn vader lijdt aan een kampsyndroom. ‘Hij werd mensenschuw, stond in een hoek en riep: Mama, help, ze komen me halen’

Als Ernst 9 jaar is, krijgt zijn vader een psychische inzinking. “Hij kwam sterk uit de oorlog, is mijn indruk. Maar er is iets gebeurd, ik weet niet wat. Hij heeft na de oorlog vrij snel opeens een baantje genomen en zijn politieke aspiraties laten zitten.”

Politionele acties

Rudi Jansz is zwaar teleurgesteld door de politieke naoorlogse situatie, denkt zijn zoon. Hij was al voor de oorlog groot voorstander van de onafhankelijkheid van Indonesië. Maar Nederland kiest ervoor via de zogenaamde politionele acties te proberen de kolonie weer onder de duim te krijgen.

Daarbij wordt langzaam duidelijk dat zijn vader aan een kampsyndroom lijdt. “Hij werd mensenschuw, stond in de hoek van de kamer en riep ‘Mama, help, ze komen me halen’.”

Het leven van de jonge Ernst wordt door de ziekte van zijn vader bepaald. “Ik had het idee dat ik mijn vader moest beschermen. Hij was zo’n bijzondere man: een verzetsheld, intellectueel, hij kon prachtig tekenen, fantastisch schaken, alle vrouwen vielen voor hem. Aan de andere kant werd hij somber, ik wilde hem vrolijk maken. Ik speelde Chopin op de piano, omdat hij dat graag hoorde, haalde mooie cijfers, om hem te plezieren.”

Rudi Jansz overlijdt en laat zijn puberzoon met een schuldgevoel achter. “In zijn bijbel vonden we na zijn dood een brief. Hij heeft hem nooit aan mij gegeven, maar hij was wel aan mij gericht. ‘Mijn lieve jongen’ staat erboven. In die brief vertelt hij dat hij het gevoel heeft dat iedereen hem in de steek heeft gelaten, ik ook, als laatste. ‘Toen verloor ik ook jou’, schrijft hij. Dat klopte niet. Ik was zo trouw als wat. Maar toen ik naar de middelbare school ging, kreeg ik wel mijn eigen leven, met vriendjes en vriendinnetjes. Ik had geen zin om altijd alleen maar met hem te zijn. Dat zag hij als verraad.”

Die ene brief

De zoon kon het niet meer goedmaken. “Het heeft me heel veel jaren gekost om dat te verwerken. Ik wilde nooit meer iemand teleurstellen. Ik kreeg bindingsangst, wilde geen kinderen. Allemaal vanwege die ene brief.”

Het is later met hulp en therapie goed gekomen, zegt hij nu. “Op mijn 46ste was het over.” Dat weet hij zo precies omdat hij in dat jaar zijn eerste kind kreeg. Twee jaar later volgde nog een baby. Die kinderen zijn inmiddels volwassen.

Het is echt ongelooflijk hoe weinig aandacht deze specifieke Indische groep gekregen heeft in de naoorlogse ge­schied­schrij­ving

Historicus Herman Keppy

Op 5 mei zal hij voor het eerst het gebouw binnengaan waar de gevangenschap van zijn vader begon. “Het is toch bijzonder dat het daar ter plekke gebeurd is. Het is al zo lang geleden en dan voelt het toch weer dichtbij, denk ik. Ik wil in die woonkamer voorlezen wat mijn moeder heeft verteld over de arrestatie. En wat mijn vader erover heeft geschreven in brieven aan zijn familie. En, zonder twijfel, zing ik ook nog een liedje.”

Rudi Jansz © Merlin Daleman

Weinig aandacht voor Indisch verzet 

Rudi Jansz was een held, zegt historicus Herman Keppy. En hij is zeker niet de enige Indische jongen die zich tegen de Duitsers verzette. “Hij is, zoals velen onder die Indische groep, nooit gedecoreerd of anderszins bedankt voor zijn strijd voor de bevrijding van Nederland. Dat is onterecht.”

Keppy doet al jaren onderzoek naar de rol van de Indische gemeenschap in het verzet tegen de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Eind dit jaar verschijnt zijn boek over dit onderwerp.

“Het is echt ongelooflijk hoe weinig aandacht deze specifieke Indische groep gekregen heeft in de naoorlogse geschiedschrijving”, vindt hij. Zo ontdekte Keppy bijvoorbeeld dat van de 900 Nederlanders die in de oorlog bij de Engelse luchtmacht RAF dienden, liefst 207 in Nederlands-Indië geboren waren. En bij zijn onderzoek stuitte hij ook op het verhaal van Rudi Jansz, de vader van nederpopband-oprichter Doe Maar. Jansz was al snel na de Duitse inval, met een joodse vriend die later opgepakt en vermoord is, actief met drukken van illegale kranten in Amsterdam-Oost, weet Keppy. “Hij was er vroeg bij in het verzet en ging daarmee door tot zijn arrestatie in 1944.”

Fridus Steijlen, hoogleraar in Molukse migratie en cultuur aan de VU-Amsterdam, bevestigt Keppy’s verhaal over de rol van verzetsmensen uit Nederlands-Indië. Drie groepen onderscheidt deze hoogleraar. Allereerst witte ‘totoks’, met twee Hollandse ouders, die opgroeiden in de kolonie en bijvoorbeeld vanwege familiebezoek of een studie in Nederland zijn als de Duitsers binnenvallen. Daarnaast de Indo’s, nakomelingen uit een gemengde Indonesische en Hollandse relatie. Vaak tijdelijk naar Nederland gezonden om te studeren. Daartoe behoorde ook de vader van Ernst Jansz.

Onafhankelijkheid

En tenslotte tientallen Indonesische studenten, van wie beide ouders van Aziatische afkomst zijn. Zij hoorden bij de beter gesitueerden in Nederlands-Indië. Een groot deel van deze studenten werd actief in het verzet, hielp bijvoorbeeld joden om onder te duiken. Maar hun visie op de toekomst van de oude kolonie, was radicaal anders dan die van de eerste twee groepen. Zij streden ook voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Steijlen: “Die zaten in de linkse hoek, hadden contacten met de CPN, de communistische partij. Zij hadden al voor de oorlog de onderdrukking ervaren van het kolonialisme in Indonesië, waren sterk gemotiveerd en al georganiseerd, dat was anders dan bij die twee andere groepen.”

Rudi Jansz, vertelt Keppy, was een uitzondering in de Indo-gemeenschap: hij deelde namelijk de idealen van deze Indonesiërs. Dat hij na de oorlog door onder meer de politionele acties zwaar teleurgesteld raakte in de Nederlandse politiek en een stresstoornis ontwikkelde, is daarom goed te begrijpen, denkt hij.

Lees ook: 

Hoe Roos met haar twee zusjes de hongerwinter overleefde

De zusjes Roos, Magda en Clara Bazuijnen waren 9, 8 en 5 jaar oud toen ze in de herfst van 1942 alleen achterbleven in hun woonhuis in Rotterdam. Hun beide ouders waren door de Duitsers opgepakt. Drie jaar lang overleefden deze kinderen samen de oorlog.

Twee verhalen over de bezetting van Nederlands-Indië

Mensen die de Japanse bezetting van toenmalig Nederlands-Indië aan den lijve hebben ondervonden, zijn er niet veel meer. Trouw sprak twee van hen.

Deel dit artikel

Op Bevrijdingsdag zal Ernst Jansz vertellen over zijn vader en de verzetsgroep van Indische jongens

De gebeurtenissen hebben hun weerslag op zijn leven na de oorlog én op dat van zijn zoon, geboren in 1948

Zijn vader lijdt aan een kampsyndroom. ‘Hij werd mensenschuw, stond in een hoek en riep: Mama, help, ze komen me halen’

Het is echt ongelooflijk hoe weinig aandacht deze specifieke Indische groep gekregen heeft in de naoorlogse ge­schied­schrij­ving

Historicus Herman Keppy