Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Félice Leendertz-Polak (1933-2019) overleefde als enige van haar klas de oorlog

Samenleving

Marlies Kieft

Het groepsportret met 22 Joodse kinderen waarin Félice met haar witte jurk het middelpunt is (midden), is onderdeel van een permanente tentoonstelling in het Etty Hillesum Centrum in Deventer. © x
Naschrift

Ze was het meisje in de witte jurk van een groepsportret uit 1942 van 22 Joodse kinderen. Als enige van hen overleefde Félice de oorlog. Haar kinderjaren als Liesje Biessels in een onderduikgezin bepaalden haar positieve levensinstelling.

Precies in het midden zit ze. Om haar heen 21 andere Joodse kinderen uit Deventer. Als enige draagt Félice Polak een wit jurkje waardoor het lijkt alsof ze oplicht. Op haar gezicht een vriendelijke blik, de handen keurig op de schoot. De foto dook onverwacht op, ruim twintig jaar geleden. Het groepsportret had sinds 1942 verstopt gezeten achter een schilderijlijst, werd per ongeluk gevonden en naar het Etty Hillesum Centrum in Deventer gebracht. Na een zoektocht bleek Félice de enige die de oorlog had overleefd, de meeste van de kinderen kwamen binnen een half jaar om in een concentratiekamp.

Lees verder na de advertentie

De ontdekking van de foto opende voor Félice een venster naar haar verleden. Ze begon haar verhaal te vertellen op scholen. Zowel basisschoolkinderen als studenten hingen aan haar lippen. Wanneer Félice aan jonge kinderen vertelde dat ze aan het begin van de oorlog niet meer op zwemles mocht omdat ze Joods was, vroegen ze steevast bezorgd: "Maar mevrouw, kunt u dan wel zwemmen?"

Nooit vertelde ze iemand haar echte naam, dat voelde ze feilloos aan

Zeven jaar was Félice toen de oorlog uitbrak. Dat ze van zwemles werd gehaald was een van de eerste dingen die ze bewust merkte. En ze moest naar een Joodse school. Zo werd ze niet alleen gescheiden van haar vertrouwde klasgenootjes, maar ook realiseerde ze zich dat ze anders was. Thuis waren ze nooit bewust bezig geweest met het Joods zijn.

© x

Vier rugzakken

Wat ze zich ook herinnerde waren de vier rugzakken die plotseling in de gang stonden. Een grote voor vader Jaap, een wat kleinere voor moeder Hanna, nog een kleinere voor Félice en een hele kleine voor haar broertje Herman. Daar had haar moeder warme kleren en dekens ingestopt voor als het gezin zou worden opgehaald om in Polen naar een werkkamp te gaan. Haar vader had ergere vermoedens. Niet voor niets polste hij de kleine Félice of ze misschien zin had om een tijdje uit logeren te gaan, waarop zijn dochter in snikken uitbarstte.

Twee jaar nadat de oorlog was uitgebroken, kort nadat de groepsfoto was gemaakt, werden Félice en Herman opgehaald door 'tante' Tine Boeke, een hen vreemde vrouw uit het verzet die hen naar een kindertehuis bracht. Het afscheid met vader en moeder herinnerde Félice zich niet meer, wel de witte marmeren platen op het bankgebouw in Deventer waar ze langsliepen.

Als het hoog opliep in de raad, haalde ze dikwijls een breiwerk uit haar tas en begon te breien.

Na een kort verblijf in het kindertehuis, waar Félice zich nuttig maakte door baby's te verschonen, werden de twee weer opgehaald door iemand uit het verzet. De toen vijfjarige Herman zou de komende oorlogsjaren op achttien verschillende onderduikadressen verblijven.

Félice kwam op 19 februari 1943 terecht bij de familie Brand in Enschede. Een gezin met drie kinderen, mensen van het Leger des Heils, die de 9-jarige opnamen als hun eigen dochter. Nu is het dubbel feest, zei haar onderduikmoeder toen ze aankwam, want in Canada is vandaag een prinsesje geboren, prinses Margriet. Van 'tante Marie' zou Félice leren hoe je van een onvermijdelijke situatie het beste kunt maken.

© x

Voor de buitenwereld was Félice het evacueetje uit Den Haag. Daarbij hoorde ook een nieuw persoonsbewijs met een andere naam. Vanaf dat moment was ze Liesje Biessels. Nooit vertelde ze iemand haar echte naam, dat voelde ze feilloos aan. Voor de veiligheid ging ze aanvankelijk niet naar school zoals de andere kinderen, maar kreeg huiswerk op van een tante van de familie. Verder deed ze overdag het huishouden. In een half uur schilde ze zes kilo aardappels. Als de kinderen uit school kwamen, speelden ze samen.

De hereniging met haar echte moeder was voor Félice niet zo feestelijk

De winter van 1944 was koud, maar in het Enschedese gezin was er geen honger. Oom Hein ging op de fiets met houten banden langs bij de boeren en kwam terug met lekkernijen als een klontje boter. Tante Marie bakte daar uitjes in en die deden ze op brood. Wat een feest was het toen Nederland werd bevrijd. Maar de hereniging met haar echte moeder was voor Félice niet zo feestelijk. Een vrouw die haar knuffelde, maar vreemd aanvoelde. Die bevreemding gold het hele gezin, alle vier hadden ze op een andere plek ondergedoken gezeten. De kinderen hadden zich gehecht aan anderen en hun vader en moeder hadden belangrijke jaren in de ontwikkeling van hun kinderen gemist. Vader en moeder reageerden op deze traumatische periode door erover te zwijgen. Het gezin zou nooit meer de eenheid vormen die het was.

Félice kon goed leren. In de vijfde van het gymnasium kwam ze thuis met de mededeling dat ze biologie wilde studeren omdat de docent zo boeiend had verteld over de bloedsomloop van de haai. Tijdens deze studie leerde ze Paul Leendertz kennen. Voor een practicum gingen de derdejaars naar Den Helder om zeedieren te bestuderen. De studenten moesten hun eigen potje koken. Na het eten zag Félice dat Paul als enige opstond om de afwas te gaan doen. 'Wat een leuke vent', dacht ze. Hij voelde zich aangetrokken door haar lieve uitstraling.

De trouwdag van Félice en Paul in 1960.

Na een avondje uit naar cabaretier Tom Manders op het Rembrandtplein liepen ze langs een doodstille Amstel terug naar huis. Op een van de bruggen zei hij met overvol gemoed: "Goh Félice, wat hebben we het fijn", waarop zij hem in de armen vloog.

Ze reisden veel. Dat kon ook omdat ze, inmiddels beiden biologiedocent, lange vakanties hadden. Met hun deux-chevaux reden ze naar het noordelijkste punt van Noorwegen om het Noorderlicht te zien. Ze reisden ook naar het Zuiden. Niet naar het Oosten, want ze wilden geen van beiden voet op Duitse grond zetten. Dat zou nog jaren duren.

Het stel kreeg drie kinderen, Joost, Hester en Ritse. Paul was de strenge vader, Félice was vriendelijk en geduldig, probeerde conflicten glad te strijken. Toen ze later in hun woonplaats Wageningen voor de VVD in de gemeenteraad zat kwamen die eigenschappen goed van pas, ook toen ze fractievoorzitter werd. Al kon ze inhoudelijk scherp zijn en voet bij stuk houden, het lukte haar om ook met politieke tegenstanders een goede verstandhouding te bewaren. Als het hoog opliep in de raad, haalde ze dikwijls een breiwerk uit haar tas en begon te breien.

Wiegedood

De relatie met haar broer Herman was jarenlang koel. Dat had ook te maken met hun verschillende karakters. Het verstandige van zijn zus irriteerde de meer emotionele en impulsieve Herman. Tot hij een periode in zwaar weer zat, na de wiegedood van zijn dochtertje en daarna het overlijden van zijn vrouw. Onverwacht stond Félice toen voor de deur en zei: "Ik kom je helpen."

Félice sprak altijd open over haar oorlogservaringen, ook tegen haar kinderen en later kleinkinderen. Toen ze een keer met haar jongste zoon Ritse, toen al volwassen, op 4 mei de stille tocht liep, vroeg hij waar ze tijdens het lopen aan had gedacht. Aan haar twee oma's, antwoordde ze, die in de oorlog weggevoerd waren in een volgestouwde goederenwagen. Een van de oma's had van haar dochter een prachtige wollen deken meegekregen. Daarover had Félice nu gepeinsd. Zou haar oma nog wat aan die deken gehad hebben?

Met enige regelmaat had ze nog contact met haar onderduikgezin. Dankbaarheid vergezelde haar altijd. Van haar broer Herman wist ze hoe het ook had kunnen lopen. Anders dan hij was zij niet beschadigd door de oorlog. Zij genoot van het leven. Van het lesgeven, haar verre fietstochten, vogels kijken met Paul, tennissen, vriendschappen en optrekken met haar kinderen en acht kleinkinderen. Ze wist dat ze haar goede leven voor een groot deel had te danken aan de moeilijke beslissing van haar ouders en aan het grote hart van het echtpaar Brand.

Toen Félice vijf jaar geleden de diagnose leverkanker kreeg, probeerde ze van het onvermijdelijke het beste te maken. Als het even kon bezocht ze nog steeds scholen om te vertellen over de oorlog. Ze verheugde zich op de opening van de tentoonstelling van foto's over Jodenvervolging in het Nationaal Holocaust Museum. Zij zou het eerste exemplaar van een fotoboek uitgereikt krijgen, waarin ook de groepsfoto was opgenomen met de kleine Félice in haar lichte jurk. Maar het zou haar oudste kleinzoon zijn die het boek namens zijn overleden oma in ontvangst nam.

Félice Hermanna Leendertz-Polak werd geboren op 13 november 1933 in Deventer en overleed op 16 januari 2019 in Wageningen.

Trouw beschrijft het leven van onlangs overleden heel gewone of bekende mensen. Heeft u zelf een tip voor Naschrift? Mail ons via naschrift@trouw.nl. Lees meer naschriften op trouw.nl/naschrift.

Deel dit artikel

Nooit vertelde ze iemand haar echte naam, dat voelde ze feilloos aan

Als het hoog opliep in de raad, haalde ze dikwijls een breiwerk uit haar tas en begon te breien.

De hereniging met haar echte moeder was voor Félice niet zo feestelijk