Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een zwarte achterbuurt: alsof die witte zo fijn was

Home

Jannah Loontjens

Twee jongeren spelen met en bal op een pleintje aan de Scheveningse Ducdalfstraat(1992). © ANP
Essay

Gestigmatiseerde bewoners van achterstandswijken zijn van alle tijden en kleuren. Jannah Loontjens kent de witte en de zwarte buurten van binnenuit.

Jannah Loontjens (1974) is schrijver en filosoof. Haar laatst verschenen boek is het autobiografisch getinte 'Roaring Nineties', over de jaren negentig.

Lees verder na de advertentie
Schotels groeiden er als industriële bloemen uit de gevels

Zes jaar geleden verhuisde ik naar een buurt die bekendstond als een van de slechtste wijken van Amsterdam-West. Bos en Lommer - nog net binnen de ring, een woonwijkje waar je niet gauw komt als je er niet woont. Schotels groeiden er als industriële bloemen uit de gevels. Decennialang waren hier alleen sociale huurwoningen. Totdat de woningcorporatie besloot een deel te verkopen.

De huizen waren ruim en goedkoop, maar ze stonden maandenlang leeg. De schotels die van de balkons staken, kun je dan misschien industriële bloemen noemen, maar de bloemkoppen keerden zich - laten we zeggen als zonnebloemen - wel allemaal één kant uit. Richting de satelliet die ze wilden bereiken, maar daarmee figuurlijk ook richting het oosten. Mekka, zo je wilt. Dat was niet het vergezicht waar de meeste kopers naar op zoek waren.

Daarnaast gebruikten voetballende jongens onze portiekdeur als goal. Ons trappenhuis hadden Marokkaanse buurtjongens uitverkoren als vaste hangout. Vooral in de winter stonden ze er graag te niksen. Ik moest me dagelijks door de groep heen wurmen. Mijn kinderen hebben beiden lichtblond haar en werden zwijgend bekeken. Soms hing er een indringende pisstank, omdat de kleinsten tegen de muren plasten - te lui om naar huis te lopen.

Als enig Nederlands, wit gezin voelde ik me bijna een indringer, een gluurder. Maar, zoals in Sartre’s anekdote van de gluurder die voorovergebogen staat om door een sleutelgat te kijken, was ik me ervan bewust dat ook ik bekeken werd. In Sartre’s voorbeeld komt er ineens iemand op de gang aanlopen die hem daar voorovergebogen ziet staan. Terwijl de gluurder eerst in zijn waarneming van het gebeuren achter het sleutelgat opgaat, verschuift nu de blik naar buiten en wordt hij zich van zichzelf bewust. Mijn buren en ik maakten elkaar steeds op die wijze van elkaar bewust, we bekeken en voelden ons bekeken.

Buurtconflict 

Door mijn komst, en doordat ik de eerste koper was, leek het alsof ze de situatie opnieuw bezagen. Een keer kwam ik aanlopen toen mijn Turkse buurvrouw voor de deur stond, ze wees naar mij, terwijl ze tegen de kinderen schreeuwde: ‘Zij heeft hier een woning gekócht en zij gaat jullie vader bellen!’ Dit was geen conflict tussen een Nederlands gezin en Marokkaanse kinderen, het was een buurtconflict, veroorzaakt door kinderen die uit nabijgelegen straten naar ons portiek kwamen omdat het zich op de hoek van een doodlopende straat bevond. Hier is vrijwel geen verkeer, de stoepen zijn breed, ideaal om te voetballen. Het waren uiteindelijk mijn Turkse buren die effectief tegen de jongens optraden.

Het is niet de eerste keer dat ik in een volksbuurt woon. Ik was negen jaar toen mijn moeder van de Haagse gemeente een oud vissershuisje kreeg toegewezen. Vlak achter onze nieuwe woning lag de tramremise van lijn 11, waar elk jaar zo’n gigantische stapel kerstbomen, pallets en autobanden werd aangestoken dat de ruiten in omliggende woningen sprongen. Achter de tramremise lag de beruchte Ducdalfstraat.

In de Ducdalfstraat had slechts een paar procent een baan. De rest leefde van de sociale dienst, diefstal en inbraak

In de jaren tachtig stond deze straat bekend als de gevaarlijkste straat van Nederland. Hier woonde het hoogste percentage aan bajesklanten, grote en kleine criminelen, altijd zaten er wel enkelen vast. Slecht een paar procent van de volwassenen had een baan. De anderen leefden van de sociale dienst, diefstal en inbraak. Vroeger heette de straat Magneetstraat, maar omdat werkgevers nooit iemand uit de Magneetstraat aannamen, veranderde de gemeente de naam. Het duurde niet lang voordat op de Ducdalfstraat dezelfde smet rustte.

'Rijkeluiskindje'

De Ducdalfers voelden zich gestigmatiseerd. Ze zagen zichzelf als slachtoffers van de maatschappij. Je zou tegenwoordig misschien denken dat dit om een allochtonenbuurt gaat, maar deze buurt was geheel en al blank en Nederlands. Witter kun je het niet krijgen. Asocialer ook niet. Geregeld kwam ik kinderen van de Magneet tegen. Zodra ik maar even hun kant uitkeek, riepen ze me toe. ‘Wat zit je nah te kijkuh? Kijk naar je eiguh!’ Een keer rende een groep meisjes, in strakke broeken en gewatteerde jassen, mij achterna. ‘Luisteruh kankuh-trut!’ Ze duwden me in een hek met prikkeldraad, sloegen en schopten me en draaiden de hakken van hun pumps boven op mijn tenen. ‘Rijkeluiskindje,’ siste er één in mijn gezicht, waarna ze voor mijn voeten spoog.

Een rijkeluiskindje ben ik nooit geweest. Mijn moeder moest in die tijd, net als veel van hún ouders, van een uitkering rondkomen. Ik had dezelfde haarkleur als deze kinderen, sprak Nederlands, maar toch was ik in deze buurt een vreemdeling. In de vijf benauwde jaren dat we er bleven wonen, veranderde er niets, ik bleef een buitenstaander - altijd angstig en op mijn hoede.

Als het tegenwoordig over probleemwijken gaat, wordt er algauw gedacht aan buurten die gedomineerd worden door immigranten

Als het tegenwoordig over probleemwijken gaat, wordt er algauw gedacht aan buurten die gedomineerd worden door immigranten. Nederland kent evenwel een lange geschiedenis van probleemwijken en achterbuurten, die veelal wit en Nederlands waren. Niet religieuze of culturele achtergrond vormt de oorzaak van probleemwijken, maar werkloosheid en sociale isolatie. Net als de Ducdalfers voelen veel jongeren met een migratieachtergrond zich gestigmatiseerd. Ze hebben een grotere kans op een laag schooladvies en bij sollicitaties hebben ze een kleinere kans aangenomen te worden. Het gevoel kansloos te zijn, creëert onverschilligheid en afkeer van de samenleving. Jongeren met een Marokkaanse achtergrond belanden vaker in de criminaliteit en het zou me niet verbazen als hier ook jongens uit mijn buurt bij zitten. Ze hangen lanterfantend op het plein, roken jointjes en lijken niet bepaald een doel in het leven te hebben.

Dat de Scheveningers die ik destijds meemaakte en de jongeren uit Bos en Lommer iets met elkaar gemeen hebben, is voor henzelf wellicht moeilijk te accepteren. Ze lijken elkaars tegenpolen. De Scheveningers hadden een hekel aan immigranten, die zouden hun kansen en banen wegkapen. Ze zouden beslist enthousiast zijn geweest als iemand hun beloofd had ‘hun’ land terug te veroveren. Jongeren uit immigrantengezinnen voelen zich daarentegen juist bedreigd door deze mensen. Het zijn mensen als zij die het hun bemoeilijken om zich in dit land thuis te voelen.

In het publieke debat zie je deze scheiding ook terug. Ik heb nergens zoveel agressie meegemaakt als in Scheveningen. Werkgevers waren bang voor de Ducdalfers, die erom bekend stonden trambestuurders te molesteren, vanaf de dijk bakstenen naar willekeurige voorbijgangers te gooien en fikkies te stoken op de tramrails. Maar ze zijn Nederlanders, met Nederlandse voorouders. Het zal dus niet snel over dit soort tuig gaan als mensen het hebben over achterlijke culturen die ons land verzieken. Hoe anders zijn de criteria als het over Nederlanders gaat wier ouders niet in dit land zijn geboren. Stigmatiseren, haat zaaien en roepen dat ze ons land verpesten, lijkt geoorloofd tegen deze groep.

De jongens uit mijn portiek zijn ook Nederlanders. Echte Amsterdammers. Je zou kunnen zeggen dat ze Nederlandser zijn dan ik. Zij zijn hier geboren en getogen. Ik niet. Ik ben in Denemarken geboren en heb tot mijn achtste in Zweden gewoond. Ik ben in totaal zo’n twintig keer verhuisd - langzamerhand ben ik de tel kwijtgeraakt - en heb in zeer uiteenlopende wijken gewoond; grote steden, dorpjes, diep in de Zweedse bossen en in die achterbuurt in Scheveningen. Hoewel mijn eerste taal Zweeds was, beschouw ik tegenwoordig Nederlands als mijn moedertaal. Ik schrijf en publiceer in het Nederlands en niemand twijfelt ooit aan mijn nationaliteit. Dat zou wel even anders zijn geweest als ik niet in Kopenhagen maar in Istanbul, Khartoem of Marrakech zou zijn geboren.

Ajax-fans

De drie jongens die met hun Marokkaanse moeder jarenlang boven mij woonden, waren fervente Ajax-fans. Ik had geen last van hen, behalve op zondag als er voetbal op tv was en we aan hun uitroepen genoeg hadden om de score bij te houden. Je zou kunnen stellen dat deze jongens beter waren geïntegreerd dan de jongeren die ik in Scheveningen meemaakte. Dit gegeven blijft helaas onzichtbaar. Zodra een wijk het imago van een probleemwijk heeft, wordt elke jongere die er woont al snel als problematisch gezien. Hun levenswereld krijgt een stempel opgedrukt en blijft daarmee grotendeels gesloten. Dat is misschien wel het grootste probleem. Gesloten gemeenschappen die weinig contact maken met andere inwoners verschuilen zich in een wij tegenover zij.

We leven in een tijd waarin mensen zich steeds meer in groepen terugtrekken. Brexit, Trump, de groei van nationalistische politieke partijen - allemaal het resultaat van een verlangen naar een afgebakend ‘wij’. Dit groepsdenken functioneert bij gratie van uitsluiting. Ook de uitspraak ‘wij willen ons Nederland terug’ veronderstelt dat er mensen zijn die niet bij dit ‘wij’ horen. Dergelijk groepspathos zet algauw elke vorm van humane ethiek op de helling.

Ethische en politieke stellingname vraagt om een vermogen je in de ander in te leven; in degene die plotseling in de gang verschijnt en jou voorovergebogen aantreft terwijl je door een sleutelgat gluurt. Voor zelfreflectie, schaamte en moraal heb je deze omweg nodig: de lus die via de blik van de ander loopt, waarmee je jezelf beziet en op je eigen gedrag reflecteert. Ook heb je de inleving in de blik van de ander nodig om eerlijk te kunnen oordelen.

Het is gemakkelijk om het eens te zijn met de grootste groep, maar het zijn juist de mensen die er niet bij horen die de verdediging het hardst nodig hebben

Het is gemakkelijk om het eens te zijn met de grootste groep, maar het zijn juist de mensen die er niet vanzelf bij horen die de verdediging het hardst nodig hebben. Sartre pleitte ervoor om bij ethische keuzes altijd het perspectief van de minst machtige in te nemen.

De Nederlandse filosoof Frank Ankersmit benadrukt evenwel dat we private ethiek niet moeten verwarren met publieke ethiek. Barmhartigheid hoort volgens hem thuis in de private ethiek. Persoonlijk kun je barmhartigheid voelen voor een vluchteling, maar de publieke ethiek moet uitrekenen of de nieuwkomer de overheid geld kost en in hoeverre immigranten de samenleving ontwrichten.

(Tekst gaat verder onder de foto) 

Fleurige satellietschotels in de Amsterdamse Kolenkitwijk (stadsdeel Bos en Lommer). © Hollandse Hoogte

Dit onderscheid lijkt mij geforceerd. Om nieuwkomers op een goede wijze in een samenleving op te nemen, heb je niet alleen voorzieningen, scholing en opvang nodig, maar ook acceptatie en begrip op menselijk niveau. Integratie moet in de privésfeer goed verlopen, wil die ook in publieke samenhang slagen. Gebrek aan sociale betrokkenheid draagt uiteindelijk bij aan hoge kosten van deze groep.

In de loop der jaren leerde ik de hangjongeren in mijn buurt kennen. Als ik met mijn boodschappentassen aankwam, hielden ze de deur voor me open. Inmiddels zijn de tieners volwassen en de kleine schooiertjes lange jongens geworden, die krantenwijken lopen en me met een lage stem begroeten. Relativerend spreken over immigranten of probleemwijken wordt algauw ‘wegkijken’ of ‘wensdenken’ genoemd. Sommigen zijn van mening dat linkse idealisten de problemen in migrantenwijken relativeren, omdat zijzelf toch nooit in die buurten komen. Maar ik heb de ervaring dat het omgekeerde waar is. Mensen die vreemdelingen vrezen, hebben vaak amper met immigranten te maken.

Nederlandse identiteit

De overbrugging van gescheiden werelden vormt tegenwoordig de grootste uitdaging. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij alle afzonderlijke bevolkingsgroepen. Als immigranten via hun industriële bloemen enkel de nieuwsberichten van hun land van herkomst blijven volgen, zullen zij zich niet gauw betrokken voelen bij het nieuwe thuisland. Maar segregatie wordt evenzeer in stand gehouden door autochtonen die er maar op blijven hameren dat ze hun eigen Nederlandse identiteit willen bewaren. Ook zij zullen moeten meebewegen met de historische ontwikkelingen en zich moeten aanpassen aan een land dat steeds diverser wordt.

Uit een onderzoek dat werd gepubliceerd in The Guardian, blijkt dat het percentage moslims in Europese landen schromelijk wordt overschat

Uit een onderzoek dat werd gepubliceerd in The Guardian, blijkt dat het percentage moslims in Europese landen schromelijk wordt overschat. In Nederland denkt men dat zo’n 18 procent van de bevolking islamitisch is, terwijl dat in werkelijkheid slechts 6 procent is. In Frankrijk denkt men zelfs dat meer dan 30 procent moslim is, terwijl het eigenlijk om 7 procent gaat. Als politicus zou je deze verkeerde inschattingen kunnen corrigeren, maar populaire politici wakkeren maar al te graag een verlangen aan naar een wereld vóórdat de migratiestromen op gang kwamen.

Nog los van het gegeven dat deze nostalgie terugverlangt naar een wereld die voornamelijk voor witte hetero-mannen beter was, is het zot te denken dat je historische veranderingen kunt terugdraaien. Wat is nu eigenlijk een sterkere vorm van wensdenken: geloven dat je terug kunt naar een wereld zoals die er in de jaren vijftig uitzag? Of geloven dat het mogelijk is om met mensen van uiteenlopende afkomst samen te leven? We moeten de realiteit niet rooskleuriger inzien alleen omdat we zo graag wíllen dat de wereld mooi is, maar terug kan al helemaal niet. Het veelkleurige Nederland waarin wij nu leven zal ook deel zijn van onze toekomst.

Nieuwsgierigheid naar de ander, barmhartigheid en openheid zijn nodig om verschillen tussen bevolkingsgroepen te overbruggen, om groeiende polarisatie, achterdocht en haat tegen te gaan. We dragen met z’n allen, ieder afzonderlijk, de verantwoordelijkheid voor de toekomst. Laten we dan ook proberen ons in de ander in te leven, in degene die net komt aan-lopen als jij je vooroverbuigt om stiekem door het sleutelgat te gluren.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie
Schotels groeiden er als industriële bloemen uit de gevels

In de Ducdalfstraat had slechts een paar procent een baan. De rest leefde van de sociale dienst, diefstal en inbraak

Als het tegenwoordig over probleemwijken gaat, wordt er algauw gedacht aan buurten die gedomineerd worden door immigranten

Het is gemakkelijk om het eens te zijn met de grootste groep, maar het zijn juist de mensen die er niet bij horen die de verdediging het hardst nodig hebben

Uit een onderzoek dat werd gepubliceerd in The Guardian, blijkt dat het percentage moslims in Europese landen schromelijk wordt overschat