Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De fietsster, de prins en het geheim van de dokter

Samenleving

Martin Buijsen

© Kwennie Cheng
Essay

Doping voor een wielerkampioene, luidde de onthulling van een arts met geheimhoudingsplicht. Waarom maken we ons daar niet net zo kwaad over als die onthulling over een comateuze prins?

Viervoudig olympisch wielerkampioene Leontien van Moorsel heeft het verboden middel epo gebruikt, onder meer in de aanloop naar de Zomerspelen van 2000. Met dat nieuws zorgde Peter Janssen voor opschudding. Hij is nu 75 en was een van de belangrijkste wielerartsen van de afgelopen dertig jaar. Janssen gaf in de Volkskrant openheid van zaken over zijn loopbaan omdat ‘het systeem op de schop moet’. Hij had, vertelde hij verder, als arts van wielerploeg PDM, de Nederlandse toprenners Gert-Jan Theunisse en Steven Rooks in de Tour de France van 1988 twee keer van een bloedtransfusie voorzien.

Lees verder na de advertentie

In 2012 kwam neurochirurg Kees Tulleken in het nieuws omdat hij zich had uitgelaten over de gezondheidstoestand van prins Friso na diens ski-ongeval in februari van dat jaar. De prins had hersenschade opgelopen door zuurstofgebrek. Ten tijde van het ongeluk woonde professor Tulleken een congres bij in de universiteitskliniek waar Friso was opgenomen. Zijn vrouw vergezelde hem. Toen Tulleken hoorde van de toestand van de prins, nam hij contact op met de organisator van het congres, een aan de kliniek verbonden collega. Die vertelde hem en zijn vrouw bijzonderheden over de gezondheidstoestand van de prins. Beroering ontstond toen Tullekens echtgenote, journaliste bij NRC, daarover schreef onder de kop ‘Hoe houdt het brein van Friso zich?’ Tulleken wilde het volk melden dat herstel van de prins mogelijk was.

Berispt

In 2013 werd de neurochirurg berispt, omdat een arts naar het oordeel van de medische tuchtrechter ook buiten een arts-patiëntrelatie om onzorgvuldig handelt door hem ter kennis gebrachte vertrouwelijke gegevens over een patiënt met derden te delen. De aan Tulleken verstrekte informatie over Friso was onmiskenbaar privacygevoelig en hij had die niet zonder toestemming van Mabel, de echtgenote van de prins, bekend mogen laten maken.

Twee maanden later, ging hij door het stof en bood excuses aan

Aanvankelijk oordeelde de hoofdredacteur van NRC dat de berichtgeving koosjer was geweest - hij zei bij ‘De Wereld Draait Door’ dat hij het morgen wéér zo zou doen. Twee maanden later, in april 2012, ging hij door het stof en bood excuses aan: de door Tulleken verschafte informatie in deze hoogst gevoelige zaak was onjuist gebleken en de krant had die zonder wederhoor of verificatie afgedrukt.

Waarom maakte iedereen zo’n punt van het delen van informatie door een arts? Omdat het de belangen van een lid van de koninklijke familie betrof? Of omdat de betrokkene de pech had het slachtoffer te zijn van een ongeval, terwijl Janssen verhaalt van lieden die zich laakbaar gedragen hebben?

Geen behandelaar

Frappant is dat het in de affaire-Tulleken welbeschouwd niet ging om een schending van het medisch beroepsgeheim. In zijn vonnis stelde het medisch tuchtcollege namelijk dat de voor artsen geldende geheimhoudingsverplichting ‘geldt tegenover en is afgeleid van de persoon, over wie en wiens gezondheidstoestand aan de arts in het kader van de behandelrelatie iets vertrouwelijks bekend is geworden’. Tulleken was geen behandelaar van de prins. Maar door het verstrekken van diens gegevens schond hij diens privacy.

De verplichting om de privacy van anderen te respecteren, rust op ons allen. Als arts was Tulleken wel onderworpen aan het medisch tuchtrecht. De niet-medici onder ons zijn dat niet. En de tuchtrechter oordeelde dat Tulleken door zo om te springen met deze informatie onzorgvuldig had gehandeld.

Peter Janssen onderhield wel arts-patiëntrelaties met Van Moorsel, Theunisse, Rooks en anderen. Hij was hun behandelaar en het medisch beroepsgeheim is hier dus wel in het geding. Hoe erg is het spreken door de arts in deze kwestie? Rechtvaardigt het door Janssen aangewezen doel, het ‘op de schop’ nemen van ‘het systeem’, doorbreking van diens beroepsgeheim?

Zo oud als geneeskunde zelf 

De geheimhoudingsplicht van artsen is zo oud als de geneeskunde zelf. Uiteraard krijgt een arts in een behandelrelatie weet van privacygevoelige informatie over zijn patiënt. Maar het medisch beroepsgeheim is een arts (en tegenwoordig ook andere hulpverleners) niet gegeven omwille van de privacy als zodanig. Een arts moet van zijn patiënt alle informatie kunnen krijgen die hij denkt nodig te hebben om de laatste te kunnen helpen. Die informatie verstrekt een patiënt niet als hij of zij er niet op kan vertrouwen dat die informatie bij de behandelend arts blijft.

De geheimhoudingsplicht van artsen bevordert de toegang tot medische bijstand. Daar stelt niet alleen de individuele patiënt in een behandelrelatie belang in, maar ook de samenleving als geheel.

Het beroepsgeheim is een oeroude medisch-professionele verplichting die in wet- en regelgeving erkenning en bescherming gevonden heeft. Schending van dit beroepsgeheim is strafbaar. De arts die bijvoorbeeld kennis heeft van misdrijven begaan door zijn patiënt heeft daarover zijn mond te houden. Doet hij daarvan aangifte bij de politie, dan schendt hij zijn medische geheimhoudingsplicht en riskeert hij strafvervolging. Opsporing en vervolging van strafbare feiten worden van oudsher minder belangrijk geacht dan onbelemmerde toegang tot medische bijstand. Iedereen, misdadigers incluis, moet de medische hulp kunnen zoeken die men denkt nodig te hebben.

Soms moet de arts spreken omdat het belang dat daarmee gediend wordt opweegt tegen het belang dat door zwijgen beschermd wordt.

Niet absoluut 

Maar ook de geheimhoudingsplicht van artsen is niet absoluut. Soms moet de arts spreken, domweg omdat het belang dat daarmee gediend wordt opweegt tegen het belang dat door zwijgen beschermd wordt. Maar wanneer weegt een belang zwaarder dan dat van onbelemmerde toegang tot gezondheidszorg?

Voor artsen is zwijgen lang niet altijd gemakkelijk. Wat als de patiënt een aandoening veinst en ten onrechte een riante arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet? Klein bier misschien… Maar wat als de patiënt een strafrechter is die aan middelen verslaafd blijkt, zodanig dat serieus getwijfeld moet worden aan diens oordeelsvermogen? Zo iemand berokkent heel wat meer schade dan een valsspelende wielrenster. En wat als de medicus een zwaar depressieve bewindspersoon onder behandeling heeft?

De wetgever heeft het voor artsen soms eenvoudiger gemaakt. Zo zijn zij wettelijk verplicht om van bepaalde gevaarlijke infectieziekten melding te doen aan de gemeentelijke gezondheidsdienst. Het algemene belang rechtvaardigt dan het spreken: zo wordt verdere verspreiding van de ziekte tegengegaan. Het gezondheidsbelang van velen wordt zwaarwegender geacht. Wetten die de zwijgplicht opheffen, doen dit gewoonlijk omwille van de (volks)gezondheid of om redenen die van doen hebben met de toegang tot of de kwaliteit van gezondheidszorg. Overweegt de politiek wettelijke inperking van het beroepsgeheim omwille van andere maatschappelijke belangen, bijvoorbeeld financiële, dan roept dat steevast grote maatschappelijke weerstand op.

Zwijgplicht doorbreken 

Met toestemming van de patiënt kan de arts zijn zwijgplicht doorbreken. Maar zelfs wanneer die patiënt uitdrukkelijk verzoekt om vertrouwelijke informatie met derden te delen, kan de arts tot zwijgen gehouden zijn. Het gaat immers om méér dan privacy. Is de arts van mening dat met spreken de onbelemmerde toegang tot zorg in het gedrang komt, van de betrokken patiënt of van anderen, dan dient hij zijn mond te houden.

In 2007 weigerden artsen van het LUMC de medische gegevens van een overleden baby rechtstreeks te verstrekken aan het openbaar ministerie, ook al hadden beide ouders daarvoor toestemming gegeven. Het kind was een niet-natuurlijke dood gestorven en de moeder was verdachte. De artsen weigerden omdat zij van oordeel waren dat de schending van hun beroepsgeheim niet opwoog tegen het door de geheimhoudingsplicht te dienen algemene maatschappelijke belang van onbelemmerde toegang tot medische bijstand. De Hoge Raad gaf hen gelijk.

Geen houvast 

Dilemma’s kan een arts ervaren wanneer wetgever en patiënt hem geen houvast bieden. De arts moet dan zelf nagaan of het belang van een individuele patiënt van onbelemmerde toegang tot medische bijstand opweegt tegen de belangen van anderen. Daarbij moet hij zich realiseren dat voor hem slechts soortgelijke, met leven en gezondheid samenhangende belangen zwaarder kunnen wegen. Die fraudeur, die rechter en die minister stellen een arts niet onmiddellijk voor problemen.

Maar wat als hij kennis heeft van een door een patiënt voorgenomen moordaanslag? En wat te doen met die suïcidale piloot?

Voor zulke noodsituaties heeft de medische beroepsgroep zelf in normen voorzien. Voelt een arts zich in dergelijke omstandigheden tot spreken gedrongen, dan is dat gerechtvaardigd indien aan de volgende criteria is voldaan:

1. De arts heeft alles gedaan om toestemming van de patiënt te verkrijgen.
2.  Het niet-doorbreken van het beroepsgeheim  levert ernstige schade voor een ander op.
3. Er is geen andere manier om het probleem  op te lossen.
4. De arts verkeert in gewetensnood door vast  te houden aan zijn zwijgplicht.
5.  Het is vrijwel zeker dat met doorbreking van  het geheim de schade voor de ander wordt voorkomen of beperkt.
6.  Het geheim wordt zo min mogelijk geschonden.

Rechtvaardiging niet te geven 

Hoe zit het met de ontboezemingen van de oud-wielerarts? Dat doping in de (top)sport een kwaad is, zullen weinigen betwisten. Toch is een rechtvaardiging voor het spreken van Janssen niet te geven. Kan hij het dopingprobleem echt niet op een andere manier aan de kaak stellen? Wordt de schade met deze onthullingen daadwerkelijk voorkomen of beperkt? En ten slotte, was het nu echt nodig om de identiteit van de betrokkenen te onthullen?

Tekst gaat verder onder de illustratie

© Kwennie Cheng

Vooral dit laatste kan tot gevolg hebben dat sportmensen zich wel twee keer zullen bedenken voordat zij medische bijstand zoeken. Dopinggebruik vindt namelijk beslist niet alleen onder topsporters plaats.

Media smullen van nieuws over
prinsen en wielerkoninginnen
maar hun dokter mag
dat nieuws niet aanreiken

Media brengen graag nieuws over prinsen en wielerkoninginnen, maar de dokter mag de vertrouwelijke feiten waarop zulk nieuws is gebaseerd, niet aanreiken.

In de zaak-Friso is de arts die bewust zijn mond voorbij praatte terecht op zijn vingers getikt. Maar welbeschouwd zijn de ‘onthullingen’ van wielerarts Janssen nog ernstiger dan de loslippigheid van Tulleken destijds was. 

Jurist en filosoof Martin Buijsen (1963) is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam © rv

Deel dit artikel

Twee maanden later, ging hij door het stof en bood excuses aan

Soms moet de arts spreken omdat het belang dat daarmee gediend wordt opweegt tegen het belang dat door zwijgen beschermd wordt.

Media smullen van nieuws over
prinsen en wielerkoninginnen
maar hun dokter mag
dat nieuws niet aanreiken