Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De etnisch-culturele kant van criminaliteit verzwijgen we liever

Samenleving

Herman Vuijsje

© Hollandse Hoogte / EyeEm Mobile GmbH
Essay

Etnisch-culturele factoren spelen een grote, maar nauwelijks benoemde rol bij problemen met migratie en criminaliteit, stelt socioloog Herman Vuijsje.

Antropoloog en criminoloog Hans Werdmölder was een van de eersten die beleidmakers waarschuwden dat hun aanpak van Marokkaanse probleemjongens dreigde te mislukken. Hij is de veteraan en de Cassandra onder de Nederlandse Marokkanenwatchers. Begin jaren tachtig wist hij het vertrouwen te winnen van een groep Marokkaanse probleemjongens in de Amsterdamse Pijp. Later zocht hij ze nog twee keer op, de laatste keer in 2009 en daaropvolgende jaren. Door deze participerende benadering kon hij in zijn boek ‘Marokkanen in de marge’ een unieke blik op hun levensloop bieden. Letter&Geest publiceerde er op 24 oktober 2015 een bewerking uit: ‘Blijft Hafid op het rechte pad?’

Lees verder na de advertentie

Vijftien van de veertig jongens, inmiddels mannen van middelbare leeftijd, zijn dankzij de drie W’s (Wijf, Werk & Woning) op hun pootjes terechtgekomen. “De rest is dood door drugs, verslaafd en crimineel, psychiatrisch patiënt, schizofreen of hangt eindeloos aan het infuus van de verzorgingsstaat.” Alle ingezette hulpverleners hebben voor deze groep dus nauwelijks iets opgeleverd, concludeert Werdmölder.

Vijftien van de veertig jongens zijn dankzij de drie W’s (Wijf, Werk & Woning) op hun pootjes terechtgekomen

Hoe kunnen we dat verklaren? De gangbare opinie luidt, ook in wetenschappelijke kring, dat de oorzaken van crimineel gedrag nooit en te nimmer bij de groep zelf kunnen liggen, schrijft Werdmölder: ‘Alleen de ongunstige leefomstandigheden komen in aanmerking als verklarende factor.’ Deze ‘vertrouwde verklaringen’ zijn: discriminatie, geen werk, slecht onderwijs en problemen thuis.

Sociale controle

Maar hoe kan het dan, vraagt Werdmölder zich af, dat Turks-Nederlandse jongeren veel minder in de problemen komen, terwijl zij toch ook te maken hebben met zulke problemen? De criminaliteit onder jongvolwassen Marokkanen ligt bijna drie keer zo hoog als onder vergelijkbare Turkse Nederlanders.

Een verklaring daarvoor is geopperd door criminoloog Frank Bovenkerk: onder Turkse (en Surinaamse) Nederlanders is de sociale controle veel sterker dan onder Marokkaanse. Sommige omgevingsfactoren kunnen volgens Bovenkerk dus worden teruggevoerd op cultuurverschillen binnen gemeenschap en gezin.

Maar hoe kan het dan, vraagt Werdmölder zich af, dat Turks-Ne­der­land­se jongeren veel minder in de problemen komen dan Marokkaanse Nederlanders

Werdmölder gaat een stap verder. Het zou onzin zijn te beweren dat de Marokkaanse cultuur crimineel gedrag voortbrengt, schrijft hij, maar we moeten ook niet onze ogen sluiten voor de mogelijke rol van culturele factoren op individueel niveau. Als voorbeelden noemt hij het sneller hanteren van geweld bij geschillen en de hoge gevoeligheid van jonge Marokkaanse Nederlanders waar het gaat om respect en eer. Crimineel en onaanvaardbaar gedrag kan ook voortkomen uit angst, achterdocht, slachtofferschap en misplaatste trots.

Werdmölder citeert Livio Sansone, een antropoloog van Italiaanse afkomst die in de jaren tachtig onderzoek deed onder laaggeschoolde Surinaamse jongeren in Amsterdam. Sansone constateerde bij veel van deze jongeren een diepgewortelde aversie tegen handarbeid in loondienst. “Een eerzaam beroep als groenteboer of dakbedekker vindt men te min en een beroep als fotograaf (zo deed Sansone zich voor) is te ingewikkeld.” Sansone had het zelfs over een ‘anti-arbeidsethos’.

Cultuur als medeveroorzaker

In 1992 bekritiseerde ook de Surinaams-Nederlandse socioloog en econoom Ruben Gowricharn al het beeld dat problemen van immigranten per definitie voortkomen uit het racisme van Hollanders. Zelf afkomstig uit een land waar niemand omzichtig doet over cultuurverschillen, merkte hij tot zijn verbazing dat in Nederland alles wat er mis gaat met leden van minderheidsgroepen als vanzelfsprekend uit externe factoren werd verklaard. De betrokkenen waren per definitie ‘ontmoedigd, gediscrimineerd, belemmerd door de overheidsinstanties, negatief beïnvloed door hun sociale omgeving, ziek of te oud’.

Nooit mocht de cultuur van de onderzochte groep worden gezien als mogelijke medeveroorzaker van achterstanden en problemen. In de ogen van onderzoekers en beleidsambtenaren bestaan er geen werklozen die ‘indolent, werkschuw, op vertier gericht, ongeïnteresseerd en makkelijk zijn’.

Nooit mocht de cultuur van de onderzochte groep worden gezien als mogelijke me­de­ver­oor­za­ker van achterstanden en problemen

Amsterdams onderzoek naar overlastervaringen bevestigt dat culturele en religieuze verschillen daarbij een rol spelen. Zo zegt een kwart van de bewoners dat overlast vooral wordt veroorzaakt door jongeren uit andere bevolkingsgroepen, vooral Marokkanen. Met discriminatie van mediterrane immigranten heeft dat weinig te maken, schrijven de onderzoekers: de meeste negatieve gevoelens over jonge Marokkanen worden gemeld door Turkse Amsterdammers.

In het rapport ‘Integratie in zicht?’ (2016) oppert ook het Sociaal en Cultureel Planbureau voorzichtig dat het rijtje usual suspects wellicht moet worden uitgebreid met culturele factoren. Van de dertigjarige Marokkaanse mannen was in 2014 70 procent tenminste eenmaal verdachte geweest, tegen 28 procent van de autochtone mannen. Correctie voor economische, demografische en ruimtelijke kenmerken kan maar een deel van dat verschil verklaren. Hetzelfde geldt voor het minder grote verschil bij Antilliaanse en Surinaamse mannen. “Andere, mogelijk specifiek etnisch-culturele factoren zouden hierbij een rol kunnen spelen”, constateert het SCP.

Moed nodig

Een ongunstige invloed van etnisch-culturele factoren treedt op de meest schrijnende manier aan het licht bij het lot van meisjes en jonge vrouwen in een schaamtecultuur. De Kring van Veiligheid, die in 2016 een manifest publiceerde over kindermishandeling en huiselijk geweld, signaleerde een ‘keten van zwijgzaamheid’ die het melden ervan verhindert, vooral binnen “culturele groepen met hechte familiesystemen en een sterke groepsdruk, vaak nog versterkt door een schaamtecultuur. In zulke min of meer gesloten gemeenschappen stel je je bloot aan zware sociale en soms fysieke sancties als je naar buiten treedt met klachten over geweld. Vaak gaat het om partnergeweld, eergerelateerd geweld, kindhuwelijken, huwelijksdwang, gedwongen achterlating en genitale verminking.”

Er is moed voor nodig om deze praktijken aan de kaak te stellen. Dat geldt ook binnen de Hindoestaans-Surinaamse bevolkingsgroep, waar een oppressieve familiecultuur leidt tot onderdrukking van meisjes en vrouwen, met een hoog zelfmoordpercentage als gevolg. Klokkenluiders uit eigen kring, zoals Sunita Biharie en Meera Nankoe, zijn de enigen die de vicieuze cirkel van schaamte en stilzwijgen kunnen doorbreken.

Onder immigranten uit landen als Soedan, Somalië en Ethiopië is genitale verminking een minstens even ernstig probleem. Meisjesbesnijdenis is een diepgewortelde culturele norm, die met een enorme sociale druk wordt opgelegd. Een meisje dat niet besneden is, zal binnen de eigen groep niet gemakkelijk een huwelijkspartner vinden.

Herman Vuijsje. © Mark Kohn

Genitale verminking is in Nederland streng verboden (er staat twaalf jaar gevangenisstraf op) maar nog nooit is in ons land iemand voor dit misdrijf vervolgd. Hoe vaak het voorkomt, weten we niet. De schattingen lopen uiteen van vijftig (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg in 2005) tot meer dan vijfhonderd gevallen per jaar (GGD Nederland in 2009).

De schattingen liggen zo ver uiteen doordat prevalentie-onderzoek nooit is gedaan. In 2004 bepleitte Ayaan Hirsi Ali (VVD) daarin verandering te brengen door jonge meisjes uit de risicolanden jaarlijks te controleren. In Frankrijk is dat al langer gebruikelijk, met als gevolg dat enkele tientallen malen strafvervolging is ingesteld.

De Tweede Kamer sprak herhaaldelijk zijn steun uit voor Hirsi Ali’s initiatief, maar maatregelen bleven uit. De bestrijding van meisjesbesnijdenis blijft in Nederland beperkt tot pogingen om het onderwerp op vrijwillige basis ‘bespreekbaar te maken.’

Klokkenluider gedemoniseerd

In haar boek ‘Witte onschuld’ besteedt Gloria Wekker zijdelings aandacht aan deze ernstigste uitwas van de masculiene verbodscultuur - maar anders dan je zou verwachten. Ze vermeldt het als een van de favoriete onderwerpen van witte mannen die het altijd maar willen hebben over de zwarte vrouwelijke seksualiteit, in hun verlangen die te beheersen.

Ayaan Hirsi Ali, die het waagde het onderwerp aan de kaak te stellen als een culturele tekortkoming van de betrokken groepen, krijgt als beloning een lange, van nauw verholen haat doortrokken tirade aan haar broek. Volgens Wekker schilderde zij moslims af als ‘barbaren’ en verstrekte zij daarmee een vrijbrief voor het schofferen van de islamitische bevolking en het vrijelijk laten stromen van seksueel racisme.

Wekker zwijgt zij over de al te tastbare gevolgen van de cultureel bepaalde misogynie

Verder niets. Wekker, die zich in haar boek gebiologeerd toont door de zwarte vrouwelijke seksualiteit en het misbruik daarvan, zwijgt verder over het onderwerp. Waarom het mishandelen van de minst weerbaren onder de zwarte bevolking zo zorgvuldig gemeden, en de klokkenluider gedemoniseerd? Het antwoord is dat de door de zwart-witpredikers geconstrueerde tegenstelling geen ruimte laat voor kritiek op culturele tekortkomingen binnen de ‘eigen’ gelederen.

Genitale verminking wordt verricht door zwarte vrouwen die zelf als meisje ook zijn besneden. Zij zijn dus dader en slachtoffer tegelijk, een ongemakkelijke waarheid die niet valt onder te brengen in het zwart-witframe. Daarin zijn zwarte mensen immers per definitie slachtoffers.

Waar geen racisme en geen ‘witte’ schuld kan worden geconstrueerd, kunnen problemen beter onder de pet blijven. Daarom fulmineert Wekker pagina’s lang tegen de veronderstelde seksuele obsessie van witte mannen met het zwarte vrouwenlijf. Maar zwijgt zij over de al te tastbare gevolgen van de cultureel bepaalde misogynie waarvan zwarte meisjes het slachtoffer worden.

Petje, AirMaxschoenen en trainingsbroek

In Wekkers beeld van een racistische samenleving zijn ‘zwarten’ hulpbehoevend, hun problemen worden per definitie verklaard uit racisme en externe omstandigheden, nooit uit problematische aspecten van de eigen cultuur. Zo blijven slachtoffers van cultureel bepaalde gebruiken als genitale verminking verstoken van hulp.

Bestaat er dan geen discriminatie? “Discriminatie is real”, zegt hulpverlener Boubker Chanhih, van Marokkaanse afkomst. “Mensen met een migratieachtergrond moeten harder werken, daar ben ik van overtuigd. Zelf word ik eerder positief gediscrimineerd. In de zorg wordt echt gezocht naar jongens zoals ik. Vrienden met mijn achtergrond hebben wel moeite met werk vinden. Maar dat ligt soms ook aan laksheid.”

Het is een verre echo van de bevindingen van Hans Werdmölder. Als Chanhih in het koffiehuis Marokkaanse jongens hoort klagen, ‘zoals ze daar zitten met hun petje, hun Air Maxschoenen en hun trainingsbroek’, denkt hij: trek je dat ook aan naar je sollicitatiegesprek?

In Wekkers beeld van een racistische samenleving zijn ‘zwarten’ hulpbehoevend

Daar wil ik bij aantekenen dat de ‘ontvangende’ Nederlandse samenleving zich dit tekortschieten in soft skills mede mag aanrekenen. Zo constateerde Frank Bovenkerk uit vergelijkend onderzoek dat Marokkaanse jongens het in Duitsland een stuk beter doen dan in Nederland: meer diploma’s, vaker een baan, minder criminaliteit. Een belangrijke oorzaak van dat verschil zoekt hij in de uiteenlopende arbeidscarrière van hun vaders: in Nederland werden velen van hen in de jaren tachtig werkloos of arbeidsongeschikt verklaard, in Duitsland gingen ze na de crisis weer aan het werk. Daardoor kregen hun zoons meer respect voor een reguliere baan bijgebracht.

Hierbij speelde dus niet racisme of discriminatie een rol, maar eerder het tegenovergestelde: de angst daarvan te worden beschuldigd. Tientallen jaren van overmatig respect voor veronderstelde culturele eigenheden, van onderwijs in ‘eigen taal en cultuur’ en van angst om aan te sturen op aanpassing hebben allochtonen opgescheept met een extra achterstand in integratiekansen.

Hier stuiten we op een opvatting van de zwart-witpredikers als Anousha Nzume (‘Hallo witte mensen’), Sylvana Simons, Quinsy Gario en Sunny Bergman, die haaks staat op de werkelijkheid.

Gloria Wekker bespeurt in Nederland een ‘mono-etnicistisch’ assimilatiemodel: alles wat herinnert aan een herkomst van elders moet worden uitgewist. Was er maar iets van waar! Dan zouden de achterstanden van allochtonen een stuk kleiner zijn en hun arbeidsmarktkansen een stuk groter.

Profileren naar kledingstijl

Als ik in de trein een stel Marokkaans uitziende jongens met omgekeerde petjes en afzakkende spijkerbroeken zie aankomen, doe ik mijn koffertje dicht. Bij andere jongens neem ik die voorzorg niet zo gauw. Racisme, zeggen zwart-witpredikers. Microagressie!

Bij Marokkaanse meisjes of opa’s laat ik mijn koffertje gerust openstaan. Ik ‘profileer’ dus naar etniciteit, maar ook naar kledingstijl, verzorging, leeftijd, geslacht en gedrag. Het zijn geen Surinaamse moekes die mijn waakzaamheid wekken. Het is een bepaalde categorie jongens van wie een dreigende sfeer uitgaat.

Dat deze vrees niet uit de lucht is gegrepen, wordt door cijfers bevestigd. Onder de Amsterdamse Top-600 van veelplegers zijn Marokkaanse jongens zwaar oververtegenwoordigd. Meisjes maken 1 procent uit. Ook allochtone meisjes maken zich nauwelijks schuldig aan criminaliteit.

Ze passen zich aan. En wat is daartegen? Is dat misschien de door Wekker gewraakte ‘mono-etnicistische’ aanpassing aan de ‘witte’ cultuur?

Omslag van ‘Zwartkijkers‘ van Herman Vuijsje. © -

“Assimilatie wordt tegenwoordig vaak gezien als verraad”, zegt Hans Moll, zelf van Indische afkomst. “Als je je aanpast aan de dominante cultuur, verloochen je je eigen cultuur. Dan buig je voor de blanke. Ik heb dat altijd zo merkwaardig gevonden. Bij etnische groepen die zich opsluiten in hun eigen cultuur, wordt het altijd bedompt.”

Het wereldbeeld van zwart-witpredikers zou danig uit het lood raken als ze dit soort uitspraken zouden meewegen. Dat doen ze voor de zekerheid dus maar niet. Als ze er al op reageren, gebeurt dat vaak in de vorm van verkettering: de betrokkene is een bounty, een verkaasde huisallochtoon, een bakra mati, house negro of slaafse Uncle Tom.

Uncle Tom, schreef Stephan Sanders in De Groene Amsterdammer, “is de zelfgefabriceerde cipier met wie vooral de zwarte en gekleurde gemeenschap haar ‘eigen’ mensen in het gareel probeert te houden.”

Kritiek op misstanden in eigen kring als genitale verminking, het terroriseren van meisjes op straat, antisemitisme, jeugdcriminaliteit en de vroegere en nog bestaande slavernij in ‘zwarte’ delen van de wereld, is heulen met de vijand en moet dus onder de pet blijven.

Zwartkijkers
Herman Vuijsje
Prometheus; 184 blz. € 19,99

Lees ook:

Hoe het woord ‘Mocro’ zijn onschuld verloor

Nog niet zo lang geleden stond ‘Mocro’ voor stedelijk en hip, nu gaat het in de media bijna dagelijks over de ‘Mocro-maffia’. ‘We moeten het woord terugclaimen.’

Over discriminatie hinken Nederlanders op twee gedachten

Discriminatie is verwerpelijk, vinden veel mensen. Maar te snel beledigd zijn, is ook niet goed.

Deel dit artikel

Vijftien van de veertig jongens zijn dankzij de drie W’s (Wijf, Werk & Woning) op hun pootjes terechtgekomen

Maar hoe kan het dan, vraagt Werdmölder zich af, dat Turks-Ne­der­land­se jongeren veel minder in de problemen komen dan Marokkaanse Nederlanders

Nooit mocht de cultuur van de onderzochte groep worden gezien als mogelijke me­de­ver­oor­za­ker van achterstanden en problemen

Wekker zwijgt zij over de al te tastbare gevolgen van de cultureel bepaalde misogynie

In Wekkers beeld van een racistische samenleving zijn ‘zwarten’ hulpbehoevend