Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De 500ste editie van de Tien Geboden is voor Cisca Dresselhuys: ‘Ik ben een streng gereformeerd meisje'

Samenleving

Arjan Visser

© Mark Kohn
Tien Geboden

Cisca Dresselhuys (Leeuwarden, 1943) is journaliste. Ze begon haar carrière bij Trouw en was van november 1981 tot april 2008 hoofdredactrice van het feministisch maandblad Opzij. In augustus 1997 werd ze door Arjan Visser in Nieuwe Revu aan de hand van de Tien Geboden geïnterviewd. Na dat gesprek zei ze: ‘Volgens mij moet je dit idee bij Trouw aanbieden.’ Eenentwintig jaar later is de gouden tipgever de 500ste kandidaat.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Lees verder na de advertentie

“Het zou toch wel een beetje gek zijn als ik het nu, op mijn 75ste, nog steeds moeilijk zou vinden om te zeggen dat ik niet meer in God geloof, maar toch... Het heeft er natuurlijk alles mee te maken dat ik een domineesdochter ben. Een vaderskindje. Hij overleed toen ik elf was en ik heb altijd het gevoel gehad dat ik mijn band met hem voorgoed zou verbreken als ik afstand zou doen van het geloof. Het is ingewikkeld: ik geloof niet meer, nee, maar wil ik daar voor 100 procent op vastgeprikt worden? Ik weet het niet. Mijn moeder vroeg mij op haar sterfbed: ‘Denk jij dat er een ­hemel is?’ Ik zei: ‘Ja, ik denk het wel’ – terwijl ik het niet geloofde. Maar als ­iemand, zo gelovig als mijn moeder, ineens gaat twijfelen, wie zegt me dan dat het andersom ook niet zou kunnen gebeuren?”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Zoals je ziet heb ik geen grote kunstwerken, geen beeldjes of schilderijen, in huis. Ik omring mezelf graag met bloemen. Bloemen zijn mooi, bloemen bieden me troost. Ik heb allerlei vormen van troost nodig. Troost-boeken, troost-leverworst, troost-vanillevla. Dat komt omdat ik als tobber ben ­geboren. En een vader die vroeg sterft, dat helpt natuurlijk ook niet erg. Gelukkig hebben jaren van therapie me wel geholpen. Ik was drie- of vierentwintig, had last van angstaanvallen en daar ­wilde ik vanaf. ‘Ik wil veranderen,’ zei ik tegen mijn therapeut. ‘Het enige wat we kunnen proberen te bereiken’, antwoordde hij, ‘is dat je gaat aanvaarden wie je bent’. En: ‘Ik kan je duivels niet uitbannen, maar zelfs áls ik dat zou kunnen, zou ik daarmee tegelijkertijd je engelen verdrijven. En het is juist de combinatie van deze twee wezens die ervoor zorgen dat je goed kunt interviewen.’ Na een paar jaar – o jongen, je wil niet weten hoeveel uren therapie ik heb gehad; therapie en rijles, daar is de helft van mijn vermogen aan opgegaan – vroeg mijn therapeut: ‘Stel je voor dat je dingen van jezelf mocht inleveren en daar iets anders voor in de plaats zou kunnen krijgen: wat zou je dan ­wegdoen?’ Weet je wat mijn antwoord was? ‘Niks.’”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Volgens de katholieke kerk is de paus Gods vertegenwoordiger op aarde. Over ijdel gebruik van Gods naam gesproken! Zo bont hebben wij, protestanten, het nooit gemaakt, maar goed: in het algemeen kun je wel stellen dat de meeste religies er behoorlijk op los interpreteren. Vooral de vrouwen lijken zich aan allerlei wetten en voorschriften te ­moeten houden. Het haar is blijkbaar het mooiste bezit van een vrouw – daar zullen de kappers het mee eens zijn – en dat moet dan ook altijd bedekt ­worden. Van de SGP moet er een hoedje op, joodse vrouwen dragen een pruik en moslima’s tooien zich met een hoofddoek. Ik heb ooit geroepen dat ik nooit een vrouw met een hoofddoek zou ­aannemen op de redactie van Opzij. Ach, ach, wat heb ik dáár een gedonder mee gehad! Maar ik sta er nog steeds achter. We hebben als feministen zó lang gestreden om onder het juk van ­orthodoxe en fundamentalistische godsdienstkenners uit te komen, waarom zou je nu nog, gedwongen of vrijwillig, iets doen wat door mannen wordt verordonneerd? En hoezo moeten allochtone vrouwen eerst nog vijftig jaar tobben en vechten voor hun ­gelijk, net zoals wij? Waarom mogen ze geen profijt hebben van onze strijd?”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“De zondag was vroeger zeer beladen; mijn vader moest presteren en mijn moeder, altijd al een zenuwpees, was als de dood dat zijn preek om een of ­andere reden niet in goede aarde zou vallen. Voor mij is daardoor de zondag altijd een dag gebleven die zo snel mogelijk voorbij mag gaan, een ideale dag om hard te werken. Ik heb een mannenleven geleid; werken is een groot deel van mijn identiteit geworden. Ik heb een goed pensioen, ik hóef niet langer de hort op, maar ik vind het nog steeds leuk om te interviewen of ergens op te treden. Ik wil gevraagd worden, meedoen, erbij horen. Wat blijft er van me over als ik niet meer zou mogen werken?”

V Eer uw vader en uw moeder

“Er stonden allem aal cyclamen in huis want mijn moeder was net jarig geweest en ze was een wonder met cyclamen, een van de lastigste kamerplanten ter wereld. Die stonden daar dus, heel feestelijk, en ik zat voor het raam, met van die glas-in-loodruitjes, naar buiten te kijken. Het was 23 februari. Het sneeuwde. Rond een uur of vijf zag ik mijn moeder in een zwarte bontjas op zwarte laarsjes samen met haar drie volwassen kinderen aan komen lopen. Door die vallende sneeuw, in het halfdonker. Heel dreigend. Je komt natuurlijk nooit met z’n allen van een ziekbed terug... Terwijl ze de pastorie binnenstapten, begon iemand bedroefd met het hoofd te schudden en ben ik in een enorm huilen uitgebarsten, althans, zo heb ik het me lange tijd herinnerd. Mijn oudste zus vertelde later dat ik versteende toen ik begreep dat Heit – zo noemden wij, Friezen, mijn vader – was overleden. Daarna zag ik mijn moeder bij de telefoon staan, zo’n bakelieten geval aan de muur, en hoorde haar zeggen: ‘Frans is heengegaan’.

© Mark Kohn

“Hij had tijdens een operatie, waarbij zijn nierstenen werden verwijderd, een long-embolie gekregen. Ik werd door een jongen uit de hoogste klas achter op de fiets naar het katholieke ziekenhuis ­gebracht. In een hoek van de kamer zat een non te bidden. Voor mijn vader, mag ik hopen. Ik herinner me zulke ­rare dingen uit die tijd, ­bijvoorbeeld dat we daar spinazie met hardgekookte ­eieren aten. Maar die ­eieren waren ­helemaal niet zo hard, ze waren een beetje fludderig. Heb ik nog steeds een hekel aan, aan fludderige ­eieren. Mijn vader lag met zijn ogen dicht; ik kon geen contact meer met hem krijgen. Aan zijn voeteneind stond zo’n obstakel waar de deken overheen lag, om z’n ­benen niet onnodig te belasten. Ik werd naar huis gebracht. Kort daarna kreeg hij een tweede embolie. Die heeft hij niet overleefd. Kort voordat hij stierf zou mijn vader gezegd hebben: ‘Ik reis naar het Sion dat boven is’. 

Zelfs het gestolde beeld van mijn vader begint langzaam te vervagen

Weet je dat ik dit verhaal, met al die details, elk jaar wel een keer aan mijn man Koos of aan mijn therapeut móest vertellen? De laatste tijd lijkt het minder urgent geworden. Zelfs het gestolde beeld van mijn vader begint langzaam te vervagen. Lange tijd konden mensen me geen groter plezier doen dan te zeggen dat ik sprekend op mijn vader leek, maar de waarheid is dat ik misschien wel meer weg heb van mijn moeder. Een Amsterdamse schooljuffrouw, heel goed in de sociale contacten. Zij wist zelfs op haar 88ste, toen ze tegen haar zin in het verzorgingshuis in ging, nog nieuwe vriendinnen te maken. Hoe flink ze was, heb ik pas veel later in de gaten gekregen. Ik heb het haar heel lang kwalijk genomen dat ze mij mijn jeugd had afgepakt door vaak somber te zijn en zich niet te verplaatsen in een meisje van elf. Ik had het gevoel dat ik ervoor moest zorgen dat ze weer blij zou worden. Problemen die ik had, op school of zo, hield ik maar liever voor me. Het is heel gek, terwijl ik mezelf dit zo hoor zeggen, denk ik onmiddellijk aan mijn twee oudere zussen – beiden ver in de tachtig – die dit gaan lezen en luidkeels zullen verkondigen: zo somber was onze moeder helemaal niet! Het is daarom misschien maar beter als je er nog even duidelijk bij vermeldt dat dit mijn verhaal is, door kinderogen gezien.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Lijdende mensen hebben recht op ­euthanasie. Dat geldt zowel voor lichamelijk als geestelijk leed en ik vind ook niet dat er een leeftijdsgrens gesteld moet worden. Het liefst zou je natuurlijk zien dat de nabestaanden erin ­gekend worden, maar wat nu als je ­wanhopig bent? Ik heb zelf, toen ik veel last van angstaanvallen had, vaak ­gedacht: mag dit alsjeblieft ophouden? Nú? Ik heb nooit voorbereidingen ­getroffen om er een eind aan te maken. Die angst moest gewoon weg. Ik heb nog altijd last van angsten, maar ik ben geen bang mens, ik durf alles aan te pakken. En die angsten veranderen naarmate ik ouder word. Eerst was er de angst voor controleverlies, nu is het vooral de angst voor het lijden en de dood. Ik moet leren me ermee te ­verhouden, maar dat doe ik niet. Ik ­probeer gedachten over het einde ­zoveel mogelijk uit de weg te gaan.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Koos en ik zijn al honderd jaar samen, maar daar kan heel goed een vriendschap met andere mannen naast bestaan. Ik ben een streng, puriteins gereformeerd meisje; ik ben veel te trouw om er een minnaar op na te houden. Het is wel spannend om mannen te interviewen, vooral ook door de rivaliteit, de vechtlust die er in zo’n gesprek kan ontstaan. Bij een vrouw denk ik al snel: snap ik, ja, tuurlijk, heb ik ook! Terwijl een man, mijn tegenpool, veel vaker iets uit te leggen heeft.”

Het Ikea-dekbed van 198 gulden hadden we niet afgerekend. We zijn niet terug gegaan

VIII Gij zult niet stelen

“Vele jaren geleden kochten wij bij de firma Ikea een donzen dekbed. Het was nog in guldens, 198, als ik het me goed herinner. We stonden al in de garage met onze volle winkelwagen toen ik ­erachter kwam dat het dekbed niet was afgerekend. We zijn niet teruggegaan dus feitelijk heb ik gestolen. Het zij zo. Die meneer Kamprad, de grote baas van Ikea, was toch helemaal fout in de oorlog, dus... Nee, maar ik bedoel: ik zou zoiets nooit doen bij, laten we zeggen, een marktkoopman of een caissière van de Albert Heijn. Het is een kwestie van veraf en dichtbij.

“Dat geldt ook voor het leed in de wereld: ik kijk er niet van weg, maar ik voel me ook niet geroepen om mijn lieslaarzen aan te trekken en naar Lesbos af te reizen om Afrikaanse vluchtelingen het strand op te trekken. Het is afschuwelijk wat daar gebeurt, maar ik lig er niet wakker van. Ik geef geld. Dat vind ik wel genoeg.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Ik heb heel lang voor keurige media zoals Trouw en Opzij gewerkt, dus ik durf hier best te beweren dat ik als journalist niet één keer bewust een vals  bericht de wereld in heb geholpen. Het ligt nu, met fake news en zo, allemaal net iets ingewikkelder. Wat is waar? En nóg lastiger wordt het als we over de #MeToo-beweging beginnen. Neem die kwestie rond de zeer conservatieve meneer Kavanaugh, beoogd opperrechter voor het Amerikaanse hooggerechtshof. Ene mevrouw Ford zegt dat ze door hem, toen ze allebei nog studenten waren, is aangerand. Zo’n opperrechter wordt voor het leven benoemd en kan z’n best gaan doen om allerlei goede ontwikkelingen op het gebied van, bijvoorbeeld, abortus en homo-emancipatie terug te draaien. Ik mag dus van ganser harte hopen dat die man niet wordt benoemd, maar is dit nou wel een nette manier om zoiets tegen te houden? Mevrouw Ford, een hoogleraar nota bene, is niet in een psychiatrische kliniek ­beland waar ze elektroshocks moest ondergaan om haar traumatische ervaring kwijt te raken of zo. Ik geloof wel dat ze de waarheid spreekt, maar... Nee, ik vind het moeilijk. Hier lijkt de politiek het van de ethiek te winnen en dat is foute boel. Ik zou trouwens niet ­weten waarom ik sowieso haar kant zou moeten kiezen. Ook een feministe heeft doorgaans gelukkig een helder verstand, mag over al deze dingen ­nadenken en vervolgens met een eigen mening komen.”

Als alles betrekkelijk is, kun je net zo goed meteen onder de groene ­zoden gaan liggen

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws ­naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Vroeger had ik vijanden, mensen van wie ik dacht: dit gun ik jou niet! Binnen het feminisme had je nog weleens ­gradaties in plaats van vriendinnen, maar goed, dat is nu allemaal ver ­verleden tijd. Ik kan wel jaloers zijn – dat is al vele graden minder erg – op de jeugd. Ik zou wel twintig, dertig jaar jonger willen zijn. Statistisch gezien heb ik minder leeftijd over en die ­gedachte kan me somber maken. Als er zo’n bui dreigt, zorg ik ervoor dat ik iets te doen heb. Dat helpt. Nee, je zult mij niet horen zeggen dat alles toch maar betrekkelijk is. Dat vind ik zo ouwelijk klinken. Als alles betrekkelijk is, kun je net zo goed meteen onder de groene ­zoden gaan liggen.”

Lees ook:

Interviewer Arjan Visser blikt terug op 499 keer Tien Geboden: 'Zou ik zelf ook zo intiem durven zijn? Nee'

Arjan Visser sprak 500 bekende Nederlanders over God, hun ouders, liefde en dood. 'Sommigen beginnen spontaan de Tien Geboden op te zeggen.’

De meest recente interviews van Arjan Visser vindt u terug in ons dossier.

Deel dit artikel

Zelfs het gestolde beeld van mijn vader begint langzaam te vervagen

Het Ikea-dekbed van 198 gulden hadden we niet afgerekend. We zijn niet terug gegaan

Als alles betrekkelijk is, kun je net zo goed meteen onder de groene ­zoden gaan liggen