Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Cabaretier Tim Fransen: Vergankelijkheid maakt alles waardevol

Samenleving

Arjan Visser

Tien geboden

Tim Fransen (Amsterdam, 1988) is cabaretier en filosoof. Hij debuteerde in 2015 met de voorstelling ‘Het Failliet van de Moderne Tijd’. Zijn show, ‘Het kromme Hout der Mensheid’, is nog tot maart 2019 in diverse theaters te zien. Onlangs verscheen bij uitgeverij Das Mag de bundel ‘Brieven aan Koos - avonturen van een zolderkamerfilosoof’.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Lees verder na de advertentie

“Er bestaan wereldwijd zo’n vierduizend religies en het lijkt me duidelijk dat het vaak projecties zijn van wat we zouden willen of van wie we zouden willen zijn. In mijn filosofische wereldbeeld speelt God geen rol. Het is niet zo dat ik mensen hun god misgun, maar het is voor mij belangrijk dat we er ­sámen uitkomen en dat is volgens mij onmogelijk als iedereen blijft vasthouden aan zijn eigen absolute antwoord. Ik ben opgevoed met een vrijzinnig christelijk geloof. Er was geen hel, bij ons thuis. Als kind zag ik God als een goedaardige man met een grijze baard, ik ging eens per twee weken naar de kerk en dat was het wel zo’n beetje. Toen ik, zo rond mijn dertiende, niet meer mee hoefde naar de kerk, hield ik me ook niet langer met het geloof bezig. Pas toen ik filosofie ging studeren, voelde ik de behoefte aan een soort ­anker: wat is goed? Hoe te leven?”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“De grote filosofen probeerden in feite God te vervangen door iets anders. Bij Kant is onze rede het fundament, volgens Rousseau vinden we ‘het goede’ in onszelf als we daar maar goed genoeg naar luisteren, Hegel ziet God als een soort eindpunt in de geschiedenis en Nietzsche, ten slotte, rekent af met God, net als met alle pogingen om god te vervangen door iets anders absoluuts. Filosofen waren een tijdje mijn helden, al liep die afgoderij al snel op een teleurstelling uit toen ik ontdekte dat deze grote filosofen ook maar gewone, worstelende, tobbende mensen ­waren. Het was een desillusie – ik had gezocht naar iets wat niet te vinden was – maar daarna kon ik nog wel een stap verder. Oké, het Absolute Antwoord bestaat niet, we hebben niet het eeuwige leven en dat we moeten lijden is nu eenmaal onvermijdelijk, maar juist het feit dat er geen rechtvaardiging voor ons lijden bestaat, lijkt me de fundering voor een moraal: we moeten solidair zijn. En daar kunnen die filosofen nog een waardevolle rol spelen; niet als de mensen die de waarheid presenteren, maar wel als grote denkers die ons handige inzichten, bruikbare ­instrumenten, hebben aangereikt.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Ik zie het als een taak van de filosoof – maar ook van de cabaretier – om alles wat de pretentie van heiligheid heeft ter discussie te stellen. Heilig impliceert namelijk dat iets boven alle kritiek verheven is, terwijl er in deze gemankeerde wereld, bevolkt door kwetsbare wezens, helemaal niets volmaakt is. Bovendien is het gevaarlijk als we ­accepteren dat we sommige dingen niet zouden mogen bekritiseren. Of belachelijk maken, inderdaad, maar dat is niet per se mijn insteek. Voor mij heeft het ridiculiseren van religie iets zelfgenoegzaams, alsof we niet allemaal onze troostende illusies hebben. Ik geloof in een humaniserende vorm van humor, waarbij we onszelf in de beperkingen van de ander kunnen terugzien. Als iemand uitglijdt over een bananenschil kun je lachen omdat je iets van die klunzigheid in jezelf herkent. Wie lacht uit leedvermaak, heeft de illusie aan dat soort uitglijders te kunnen ontsnappen. Dat is misschien wel de allergrootste ­illusie die er bestaat want echt: het gaat ons allemaal een keer overkomen.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de ­zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Er is simpelweg te veel misère om de realiteit zonder verdovende middelen onder ogen te komen. Religie is zo’n drug. Kerkgang hoort daarbij. Dat zie ik nu wel. Vroeger vond ik het vooral erg saai in de kerk. Ik vond het niet fijn dat we er al zo vroeg in de ochtend naartoe moesten en ik hield er ook niet van om bij sommige liedjes te moeten gaan staan. Mijn ouders zijn nog steeds ­actief in diezelfde kerk. Mijn vader is de dirigent en mijn moeder zingt in het kerkkoor. Straks, als de ‘Christmas ­Carols’ weer worden uitgevoerd, heb ik ook nog een rolletje. Als pianist.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn ouders lezen Trouw. Niet dat ik daardoor sommige dingen niet zou durven zeggen, maar ik wil mijn woorden wel zorgvuldig kiezen. Zeker als het over religie gaat. Om het contrast helder te maken, zet ik mijn wereldbeeld weleens af tegen de dogmatische ideeën van, bijvoorbeeld, de christelijke leer, maar ik weet tegelijkertijd dat er mensen zijn – zoals mijn ouders – die in God geloven én bepaalde wetenschappelijke inzichten omarmen en die Jezus vooral zien als een inspirerende persoon die bepaalde waarden uitdraagt die de moeite waard zijn... Maar goed, mijn vader en moeder. Hoewel ‘eren’ me nu veel te hiërarchisch klinkt, moet ik zeggen dat ik mijn ouders vroeger toch als een soort goden zag. Ze bevredigden al mijn behoeften, ze kenden ­alle antwoorden. Tot ik op een dag – ik was een jaar of tien – aan de deur luisterde en hoorde hoe mijn moeder over de telefoon haar verdriet met een vriendin besprak. Ik weet niet meer waar het over ging, maar het was een van de eerste barstjes in het voetstuk. Het besef dat mijn ouders óók hun zwaktes hebben, verstevigde de band enorm. We gingen op een steeds gelijkwaardiger manier met elkaar om. Ik heb zelfs tot mijn vierentwintigste thuis gewoond – iets wat veel van mijn vrienden onbegrijpelijk vonden. Ik bel ze nu regelmatig. Met mijn vader gaat het vaak over de praktische zaken; hij helpt me dingen op te lossen. Als we klaar zijn, zegt hij meestal: ‘Wil je nu je moeder nog even, voor de emoties?’ 

Sinds een paar jaar ben ik me gaan realiseren dat mijn ouders er niet voor altijd zullen zijn. Ze gaan geleidelijk meer van hun geestelijke en lichamelijke zelf kwijtraken en ten slotte helemaal verdwijnen. Dat besef zorgt ervoor dat ik probeer de momenten die we samen hebben bewuster te beleven. Ik ben, in overdrachtelijke zin, al een vader kwijtgeraakt. René Gude (Filosoof, Denker des Vaderlands, overleden op 13 maart 2015) was iemand die het leven aanging waardoor hij een soort praktische wijsheid had weten te verwerven. Ik heb mijn boek aan hem opgedragen, dat wil zeggen ‘naar wie of wat dat ook moge verwijzen’. De Franse filosoof Jean-François Lyotard schreef na de dood van zijn moeder: ‘Naar wie verwijst “zij” in de zin “Zij lijdt niet meer”?’ Die vraag toont goed de absurditeit van de dood. Er is geen René meer, maar toch weten we het over wie we het hebben als we zijn naam noemen, wie hij was en waar hij voor staat... Of voor stond, ja, daar ga je al. Om het nog problematischer te maken: René is niet altijd dezelfde ­persoon geweest. Hij is gedurende zijn leven van inzichten veranderd en als hij nu nog had geleefd zou hij misschien ook anders over dingen hebben nagedacht. Het is pragmatisch om mensen een naam te geven, maar ik ben sceptisch over het idee dat er een vaste kern van het zelf bestaat die je überhaupt kunt benoemen of bevatten. 

Sterker nog: juist door onszelf te zien als ­coherent en vastomlijnd vergroten we de kans op lijden. Het leven is beter te verdragen als je accepteert iemand met tegenstrijdigheden te zijn, als je weet dat er zomaar verlangens kunnen opkomen en verdwijnen die je niet altijd kunt duiden en waar je ook geen grip op hebt. Alles verandert, niets blijft voor eeuwig bestaan. Vriendschappen veranderen, geliefden worden ziek of sterven – dat betekent niet dat we de boel de boel moeten laten en we ons nergens meer iets van aan zouden moeten ­trekken. Nee, alles krijgt juist waarde omdat het vergankelijk is.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Zo’n tien jaar geleden beschouwde ik vleeseters nog als halve fascisten. Ik ben inmiddels niet alleen voor mezelf, maar ook voor mijn medemensen een stuk milder geworden. Wat heeft het voor zin om iemand die vlees eet voor moordenaar uit te maken als ik zelf tot mijn achttiende niet anders heb gedaan? Dan zijn we allemaal moordenaars en heeft dat woord geen enkele betekenis meer. Ik ben pragmatischer geworden: veroordelen werkt niet. Het is zinvoller om te vragen waarom iemand vlees eet. Het lijkt me duidelijk dat de vegetariër, met alles wat we nu weten, niet meer hoeft uit te leggen waarom het beter is om ermee te stoppen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Ik hecht veel waarde aan trouw; het is helemaal niet zo vanzelfsprekend dat je ergens je schild kunt laten zakken en áls je dat doet en de ander bedriegt je vervolgens, dan wordt het fundament aangetast van waarom je met iemand bent. Ik ben tijdens mijn relaties nooit vreemdgegaan. Op dit moment ben ik single. Ik wil niet te veel uitweiden over specifieke gevallen – bovendien heb ik me ook langere tijd wel aan een vrouw kunnen binden, maar echt makkelijk gaat het me niet af, in de liefde... Ik moet nu denken aan de kerk van mijn ouders en hoe die een schuilplaats biedt aan de mensen voor wie het leven niet al te barmhartig is geweest. Toen het uitging met mijn eerste vriendin – de vriendin met wie ik min of meer ­volwassen was geworden – was ik daar een half jaar emotioneel helemaal kapot van. Een van de eerste momenten waarop de zwaarte van de verbroken ­relatie een beetje van me afviel, was toen ik in diezelfde kerk de Christmas Carols op piano begeleidde. Ik bevond me op een veilige plek uit mijn kinderjaren, een plek waar alles nog oké was. Ik voelde me enorm getroost, al had het met religie niets te maken.”

VIII Gij zult niet stelen

“We hebben een systeem waar roof een inherent onderdeel in is. We roven grondstoffen, we buiten goedkope ­arbeidskrachten uit – ja, daarom heb ik deze Fairphone: niet omdat ik denk dat ik daarmee de wereld kan veranderen, maar ik wil wel bijdragen aan een ­zoektocht waarin eerlijker vormen van productie levensvatbaar worden. Ik ga mezelf niet presenteren als iemand die alleen maar het goede doet, maar ik zoek wel naar manieren om dingen ­ánders te doen. Het punt is: zodra je principes hebt, kun je ook tekortschieten. We zijn nu eenmaal wezens met banale neigingen, we kunnen niet altijd volledig aan onze aspiraties voldoen. Het enige wat ik probeer te doen is mijn tegenstrijdige principes en emoties de goede kant op te sturen. Een cynicus zegt dan: je kunt beter helemaal geen morele aspiraties hebben, want dan zul je ook nooit inconsequent zijn. Diezelfde cynicus ziet in mijn inconsequenties een reden om zijn eigen egoïsme te ­legitimeren. “

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Er zijn verschillende soorten waarheid. Morele waarheden bijvoorbeeld, al geloof ik daar niet zo in. Moraal gaat niet over waarheid, maar over waarden. Immanuel Kant, die God verving door de rede, kwam uit op een absolute regel: je mag nooit, in geen enkele omstandigheid, liegen. Dus, stel, je laat een jood onderduiken, een Nazi klopt aan en vraagt: heb je joden in huis? Dan moet je de waarheid spreken. Waarmee meteen de onzinnigheid van die absolute regel is aangetoond, want verschillende waarden kunnen met elkaar botsen en soms er een goede reden om juist wel te liegen. Ik spreek ook niet altijd de waarheid, maar ik probeer wel zo openhartig mogelijk te zijn. Openhartigheid is een voorwaarde voor echt contact. We hebben de neiging om onze kwaliteiten, prestaties en triomfen te laten zien en alles wat we moeilijk vinden of waar we onzeker over zijn te verhullen voor de buitenwereld. Voor mijn gevoel is het tonen van zaken waar je minder trots op bent het begin van contact en vertrouwen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Jaloezie is, net als woede, een vorm van lijden. Ik mediteer elke dag en probeer mijn illusies te doorzien. Ik ga niet alles krijgen wat ik wil hebben en zelfs als ik, bijvoorbeeld, een prijs win, levert dat ook geen duurzaam geluk op. Na een dag begin ik al te denken: dit kan me ook zomaar weer worden afgenomen. Hoe afhankelijker ik mezelf maak van lof, hoe kwetsbaarder ik ben voor kritiek. Ik heb ook geleerd om niet te ver in de toekomst te kijken. In die val ben ik nu vaak genoeg getrapt; als ik dát heb bereikt, zal ik pas echt gelukkig zijn! Nee, ik wil me concentreren op hoe het nu is: mijn ouders zijn nog in goede gezondheid, er is voorspoed in mijn carrière en ik voel me fit. Het is bijna hoogmoedig om iets voor de toekomst te verlangen. Ik geloof niet in een permanente staat van verlichting. Onze geest is er niet op gebouwd om ons zo gelukkig mogelijk te laten zijn. Als komediant kan ik overal nog van mijn zondige neigingen nog een grap of een verhaal maken – in die zin wil ik er ook helemaal niet vanaf – maar ik hoop wel dat de scherpe randjes van al die ­tekortkomingen er op den duur een beetje vanaf zullen gaan.”

Lees ook: Interviewer Arjan Visser blikt terug op 499 keer Tien Geboden: ‘Zou ik zelf ook zo intiem durven zijn? Nee’

Arjan Visser sprak 500 bekende Nederlanders over God, hun ouders, liefde en dood. ‘Sommigen beginnen spontaan de Tien Geboden op te zeggen.’

De meest recente interviews van Arjan Visser vindt u terug in ons dossier.

Deel dit artikel