Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Anton de Kom-lezing: ‘Bruggen bouwen’ in Almere

Samenleving

Franc Weerwind

© Bram Petraeus
Anton de Kom-lezing

Diversiteit kan spanningen, angst en agressie oproepen. Daarvoor moet je als burgemeester niet weglopen, betoogde Franc Weerwind vandaag in Amsterdam tijdens de jaarlijkse Anton de Kom-lezing.

Generaties lang moesten kinderen op de scholen in Suriname de Nederlandse geschiedenis leren - vanuit Nederlands gezichtspunt. Waarbij de daden van Nederlandse zeehelden werden geroemd, de godsdienstvrijheid in Hollandse steden werd bezongen. En de ontwikkeling van Nederland werd geschetst vanuit de drooggemaakte polders. Niet vanuit de oevers van de Marowijne. Anton de Kom, naamgever van deze lezing, schrijft daarover: ‘Geen beter middel om het minderwaardigheidsgevoel bij een volk aan te kweken dan dit geschiedenisonderwijs waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden geprezen. Geen volk kan tot volle wasdom komen dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.’

Lees verder na de advertentie

De Kom wilde dat rechtzetten. Daarom stond hij in zijn boek ‘Wij slaven van Suriname’ uitgebreid stil bij de geschiedenis van de Nederlandse slavernij in Suriname. En liet ons daarnaar kijken met de ogen van slaafgemaakten. Door zo de wreedheid van het systeem aan het licht te brengen. En door de helden te benoemen die hun vrijheid bevochten.

Als mijn broer en ik een discotheek niet in mochten, vroeg ik direct waarom dat was. Of dat met vooroordelen te maken had.

Baron, Boni, en Joli Coeur. Daarmee herstelde hij het zelfrespect en de trots van talloze Surinamers en Surinaamse Nederlanders - zoals mijn ouders. Zij groeiden op in het toen nog koloniale Suriname, en konden beiden goed leren. Ze wilden studeren, en dan ging je in die tijd, de vroege jaren vijftig, naar Nederland. Mijn vader deed een opleiding voor verpleegkundige, mijn moeder deed de kweekschool. Ze ontmoetten elkaar tijdens de studie, en kregen twee zoons, van wie ik de jongste ben. We kregen muziekles, mijn moeder leerde ons schaatsen (ze had op televisie gezien hoe het moest). En ze vonden het heel belangrijk dat wij een goede opleiding kregen. Als kinderen van migrantenouders kregen we óók met discriminatie en vooroordelen te maken. Toen mijn vader mij aanmeldde voor de middelbare school, zei de rector: ‘Als Franc slaagt, zal hij de eerste gekleurde leerling zijn die hier het diploma krijgt.’ Hij had er duidelijk geen vertrouwen in. Dat maakte mij boos. Maar, en dat had ik van thuis geleerd, ik ging niet bij de pakken neerzitten. Ik was ervan overtuigd dat het míj wèl zou lukken.

Later, als ik opnieuw te maken kreeg met discriminatie, ging ik erover in gesprek. Als mijn broer en ik een discotheek niet in mochten, vroeg ik direct waarom dat was. Of dat met vooroordelen te maken had. Die gesprekken zorgde uiteindelijk altijd voor meer begrip tussen mij en die ander.

Inmiddels maak ik deel uit van het algemeen en dagelijks bestuur van de zevende stad van het land: Almere. De stad waar ooit, toen land nog zee was, de VOC- en de WIC-schepen voeren om de koloniale driehoekshandel te drijven. De handel die mijn verre voorouders geketend naar Suriname brachten. Zo is de cirkel rond.

Mijn persoonlijke ervaringen met discriminatie en uitsluiting hebben me geleerd dat je je geen slachtoffer moet voelen, maar de confrontatie moet aangaan. En dat het dan mogelijk is om mensen tot andere inzichten te brengen. Dat neem ik ook mee in mijn werk als burgemeester. Ik weet uit ervaring dat diversiteit tussen mensen angst en agressie kan oproepen. En dat je daar niet voor moet weglopen maar moet proberen bruggen te slaan. Dat staat ook centraal in het zoeken naar een goede omgang met immigratie in mijn stad, Almere.

Wat ik uit ervaring weet, is ook bevestigd in een beroemd onderzoek van de socioloog Robert Putnam: als de verschillen tussen mensen in een bepaalde wijk toenemen, kan het onderlinge vertrouwen afnemen. Dus daarin heb je als burgemeester een belangrijk taak. Hoe zorg je ervoor dat nieuwkomers voldoende kansen krijgen? En dat je ze maximaal aanspreekt op hun kracht om er iets van te maken? Maar ook: hoe ga je om met de pijn van mensen die zich door de komst van immigranten bedreigd voelen?

Het afgelopen voorjaar kreeg Almere de opdracht om 875 statushouders te huisvesten, onder wie 33 minderjarige, alleenstaande mannen. De gemeente koos voor een voormalig opvanghuis voor mensen met een autismestoornis. Drie verdiepingen, met zeven kamers. Dat leek een ideale oplossing. Maar buurtbewoners voelden zich door de komst van deze nieuwkomers overvallen, en lieten ons dat luid en duidelijk weten. De gemeente erkende dat ze tekort was geschoten in voorlichting, en bood de boze bewoners aan deel te nemen aan klankbordgroepen, zodat ze zelf mee kunnen praten over hoe het gaat. Verder werd besloten om ook studenten te huisvesten in het wooncomplex, zodat er een mix van bewoners zou komen. Het gaat nu een stuk beter.

In zo’n geval moet je als gemeente de pijn van mensen erkennen. Met alle aanslagen die wereldwijd in naam van politieke islam worden gepleegd, zijn mensen nu eenmaal banger als er mensen uit islamitische landen in hun wijk komen wonen. Ook al zijn het vluchtelingen. En als je zelf nauwelijks rond kan komen van een schraal inkomen, of al jaren op een wachtlijst staat voor een betere huurwoning, dan is het moeilijker te accepteren dat nieuwkomers (in jouw beleving) alle hulp krijgen met het vinden van woonruimte en een goed huis. Maar ná erkenning van die pijn, komt het erop aan oplossingen te zoeken.

Wij waren de afgelopen decennia het enige land in Europa dat mensen tot in de tweede generatie allochtoon bleef noemen

Manier van kijken

Omgaan met immigratie in steden kan alleen slagen door het te accepteren en er pragmatisch mee om te gaan: door nieuwkomers aan te spreken op hun kracht, de pijn te erkennen van oudzijners en spanningen tussen beiden op te lossen. Waarbij je uiteindelijk de kracht van mensen zelf zoveel mogelijk wil stimuleren, om verbinding tot stand te brengen. In die pragmatische, inclusieve omgang met immigratie kunnen gemeenten en het Rijk elkaar versterken.

Dat begint met de manier waarop we naar immigratie kijken. Tijdens de Gouden Eeuw oefenden de Nederlanden enorme aantrekkingskracht uit op mensen die vanwege werk naar ons land kwamen, of omdat ze werden vervolgd vanwege hun geloofsovertuiging of ideeën. Ons land is groot geworden door de komst van die immigranten, die bijdroegen aan ongekende economische groei en de bloei van onze schilderkunst en literatuur in de zeventiende eeuw. Door een vrijhaven te zijn voor andersdenkenden en andersgelovigen die Nederland als toevluchtsoord kozen, werden we zelf ook beter. Tolerantie loont uiteindelijk voor iedereen, daar lieten we ons decennialang op voorstaan.

Eén van de grote uitdagingen die op dit moment spelen, ook in mijn gemeente, is radicalisering

Later zijn we dat verhaal gaan nuanceren. Veel immigranten in de Gouden Eeuw waren welgesteld, brachten kennis mee. Ze vormden geen bedreiging voor de werkgelegenheid van de oorspronkelijke bewoners van ons land. En tegenover de veelbezongen tolerantie stond de verzwegen, onmenselijke behandeling van slaafgemaakten. Daar hebben mensen als Anton de Kom al vroeg op gewezen.

Na de Hugenoten, Antwerpenaren en Spaanse Joden uit de Gouden Eeuw kwamen er veel Duitsers en Belgen in de negentiende en begin twintigste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de Spanjaarden, Portugezen, Molukkers, Chinezen, Surinamers, Turken, Marokkanen. En sinds de eeuwwisseling kwamen er ook Polen, Irakezen, Syriërs, Eritreeërs en Ghanezen naar ons land. Als gastarbeider of als kennismigrant, als bootvluchteling of vanwege onze koloniale erfenis. Gevlucht voor oorlog of verstoten door een dictatuur.

Bij al die groepen nieuwkomers horen succesverhalen, zoals dat van mijn ouders. Maar natuurlijk het ging ook vaak mis - zeker in de eerste generaties. Denk aan de moeizame integratie van sommige voormalige gastarbeiders. Denk aan de spanningen rond de tweede generatie Molukkers. Er zijn verschillende oorzaken voor die spanningen en we moeten ermee leren omgaan. Zeker nu de diversiteit tussen mensen toeneemt.

Eén van de grote uitdagingen die op dit moment spelen, ook in mijn gemeente, is radicalisering. In Almere hebben we te maken (gehad) met haatpredikers die de politieke islam aanhangen. Door misbruik te maken van een geloof, vervreemden zij groepen mensen van de Nederlandse samenleving en zorgen daarmee voor scheidslijnen. Hoewel het voor een burgemeester in de praktijk soms knap lastig is, moet je daartegen optreden.

In het publieke en politieke debat lijkt het historisch besef te zijn verdwenen. Immigratie wordt steeds meer gepresenteerd alsof het nieuw, en vreemd, is aan onze samenleving. Als iets dat we vooral moeten zien te reguleren, controleren, zoveel mogelijk vermijden en zelfs buiten de deur moeten houden. Wij zijn de afgelopen decennia bijvoorbeeld ook het enige land in Europa geweest dat mensen tot in de tweede generatie allochtoon bleef noemen. Je identiteit werd bepaald door het feit dat de wieg van je ouders, en soms zelfs je grootouders, níet in de Hollandse klei had gestaan. Ook ik was binnen dat frame een allochtoon. Terwijl ik hier geboren ben, de taal spreek, naar school ben gegaan, een leidinggevende positie bekleed. Komt dat dan niet in feite neer op uitsluiting? Gelukkig is de term allochtoon sinds vorig jaar op advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit de beleidstaal gehaald. Maar daarmee zijn we er nog niet.

Wat we nodig hebben is een gezamenlijk realistisch en inclusief verhaal. Een verhaal dat gaat over kansen bieden, pijn erkennen, problemen oplossen. Maar ook: het vertrouwen in de menselijke kracht om verbindingen met elkaar aan te gaan. Dat, en niet angst of wantrouwen, moet uiteindelijk het gezamenlijke beleid bepalen. En dan kan er ook meer ruimte komen voor maatwerk. Immigranten komen aan in grote en kleine steden, in dorpen die te maken hebben met krimp of metropolen die kampen met een tekort aan sociale huurwoningen. In Eindhoven heeft de arbeidsmarkt behoefte aan technisch geschoold personeel, in Hilversum aan IT’ers. In groeikern Lelystad ziet de bevolkingsopbouw er anders uit dan in een oude stad als Den Haag. Almere is een jonge stad zonder oude wijken, en met traditioneel een actief beleid om mensen met huur- en koopwoningen te mixen. Al die verschillende eigenschappen maken dat er bij de opvang van immigranten niet één gouden formule is.

Anton de Kom was in mijn ogen vooral een bruggenbouwer

Spontane integratie

Om die reden zou je voortaan vanuit lokaal perspectief moeten kijken waar welke kansen liggen voor een goede integratie van immigranten. En dat leidend maken in het landelijke beleid. Door bijvoorbeeld arbeidsmarktkwalificaties van migranten in beeld te brengen, en op basis daarvan een goede match te maken met gemeenten die behoefte hebben aan die capaciteiten. En door mensen op te vangen in een regio waar ze na de immigratieprocedure ook kunnen blijven wonen. Zodat je beter gebruik kunt maken van spontane integratie tussen vluchtelingen en bewoners. Het nieuwe Regeerakkoord lijkt voorwaarden te bieden om hierin stappen vooruit te maken.

Maar om bijvoorbeeld te kunnen instromen naar werk, staat landelijk beleid potentiële kansen van nieuwkomers nog te veel in de weg. Vaak zijn er werkstages of omscholingsprogramma’s nodig om te kunnen voldoen aan de eisen van de Nederlandse, regionale arbeidsmarkt. Wat er precies nodig is, verschilt per werknemer en per regio. Daar biedt het onderwijsbeleid op dit moment nog te weinig ruimte voor.

Anton de Kom is vooral de geschiedenis ingegaan als een strijdbaar mens, die opkwam voor onrecht. Maar de man die Surinamers hun zelfbewustzijn teruggaf, en zijn leven opofferde in het Nederlandse verzet tegen de Duitsers, was in mijn ogen vooral een bruggenbouwer. Want alleen door uitsluiting te bestrijden, kun je als gelijken met elkaar om gaan. Wij, als burgemeesters, kunnen vanuit de praktijk in de steden inzichten aanleveren. Die kunnen niet alleen het verhaal achter ons immigratiebeleid ‘normaliseren’, maar ook dat beleid zélf succesvoller maken voor iedereen. Ik zou landelijk willen oproepen om elkaar, Rijk en gemeenten, daarin te gaan versterken.

Dit is de ingekorte versie van de Anton de Kom-lezing die Franc Weerwind vandaag hield in het Verzetsmuseum in Amsterdam. De lezing is een initiatief van het Verzetsmuseum en Trouw.

Franc Weerwind werd in 1964 geboren in Amsterdam en studeerde bestuurskunde in Leiden.

Sinds 2004 is D66’er Weerwind burgemeester. Eerst van Niedorp, later Velsen en sinds 2015 van Almere. Hij is tevens voorzitter van de Fietsersbond.

Lees ook het interview met Franc Weerwind uit 2015: Uitgetest door de PVV: een D66-burgemeester in Almere

Deel dit artikel

Als mijn broer en ik een discotheek niet in mochten, vroeg ik direct waarom dat was. Of dat met vooroordelen te maken had.

Wij waren de afgelopen decennia het enige land in Europa dat mensen tot in de tweede generatie allochtoon bleef noemen

Eén van de grote uitdagingen die op dit moment spelen, ook in mijn gemeente, is radicalisering

Anton de Kom was in mijn ogen vooral een bruggenbouwer